Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBZLY:2007:BB4140

Instantie
Rechtbank Zwolle-Lelystad
Datum uitspraak
25-09-2007
Datum publicatie
25-09-2007
Zaaknummer
338883 CP Expl 06-8
Formele relaties
Hoger beroep: ECLI:NL:GHARN:2010:BM8465, (Gedeeltelijke) vernietiging en zelf afgedaan
Rechtsgebieden
Civiel recht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Inhoudsindicatie

Van wie zijn de Toeslagrechten? De pachtkamer van de kantonsector van de rechtbank Zwolle-Lelystad vergelijkt deze rechten met de rechten op melk- en bietenquota en komt tot het oordeel dat er voor de toepassing van het pachtrecht meer overeenkomsten dan verschillen bestaan. Aan het einde van de pachtovereenkomst moeten pachter en verpachter dus afrekenen zoals dat bij melk- en bietenquota gebruikelijk is.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Module Pacht en landelijk gebied 2007/141

Uitspraak

RECHTBANK ZWOLLE – LELYSTAD

PACHTKAMER

sector kanton – locatie Zwolle

zaaknr.: 338883 CP Expl 06-8

datum : 25 september 2007

Vonnis in de zaak van:

De publiekrechtelijke rechtspersoon

GEMEENTE KAMPEN,

zetel hebbend te Kampen,

eisende partij,

verder te noemen verpachter,

gemachtigde mr. G.M.F. Snijders, advocaat te Utrecht,

tegen

[gedaagde],

gedaagde partij,

verder te noemen pachter,

gemachtigde mr. J.T.A.M. van Mierlo, advocaat te Deventer.

De procedure

De pachtkamer heeft kennisgenomen van de stukken van het geding, waaronder

- de dagvaarding van 13 november 2006,

- de conclusie van antwoord;

- de conclusies van repliek en dupliek.

Het geschil

In deze procedure staat centraal de vraag of het de pachter vrijstaat zonder voorafgaande toestemming van de verpachter de op zijn, pachter’s, naam staande toeslagrechten aan één of meer derden over te dragen.

De beoordeling

1.

De pachter heeft de bevoegdheid van de pachtkamer om van deze zaak kennis te nemen betwist. Pachter stelt daartoe dat het door verpachter ingeroepen artikel 25 Pachtwet te dezen toepassing mist, omdat de Europese inkomenssteun volledig los staat van de pachtovereenkomst. Anders dan in het geval van de afwikkeling van melkquota, aldus pachter, gaat het hier niet om een vordering die behoort tot de rechtsgevolgen van een pachtovereenkomst. Verpachter ziet dit geheel anders: het zijn juist de eisen van redelijkheid en billijkheid die partijen in een pachtverhouding jegens elkaar in acht hebben te nemen die maken dat de pachter niet vrij is om zonder toestemming van zijn verpachter of gewezen verpachter de hem toegekende toeslagrechten over te dragen.

1.1.

Naar het voorlopig oordeel van de pachtkamer is de vordering in geschil betrekkelijk tot een pachtovereenkomst. Verpachter heeft de vordering gebaseerd op de privaatrechtelijke verhouding tussen pachter en verpachter. Zoals de vordering is ingericht, betreft deze de gevolgen van de pachtovereenkomst en de aard en omvang van de verplichtingen die daaruit voor beide partijen voortvloeien. De vraag of het de pachter in zijn verhouding tot zijn verpachter werkelijk is toegestaan de toeslagrechten zonder meer te vervreemden is een vraag naar de reikwijdte van de verplichtingen uit de pachtovereenkomst. De pachtkamer is bevoegd van die vraag kennis te nemen en daarover te oordelen.

2.

Tussen partijen staat een pachtovereenkomst vast waarbij de Gemeente Kampen als verpachter aan [gedaagde] als pachter enkele percelen grond ter beschikking heeft gesteld tegen betaling van een pachtprijs. Het betreft het perceel [percelen]. Daarnaast heeft verpachter eenmalig aan pachter het perceel [perceel].

De pachtovereenkomst is in 1952 aangegaan tussen verpachter en de rechtsvoorganger van pachter. Vanaf 1982 is de huidige pachter [gedaagde] partij bij de pachtovereenkomst.

Pachter exploiteert een akkerbouwbedrijf. Recentelijk verbouwde hij consumptieaardappelen, suikerbieten, witlofwortelen, zaaiuien, wintergraan, brouwgerst en snijmaïs. Pachter heeft gedurende een reeks van jaren compensatiebedragen ontvangen in het kader van Europese inkomenssteun voor akkerbouwers. Deze steun was gekoppeld aan de productie van bepaalde gewassen. Met de inwerkingtreding van Verordening (EG) nr 1782/2003, PbEG 2003, L 270 is een andere basis onder het systeem van deze inkomenssteun gelegd. De steun is niet langer gekoppeld aan de teelt van bepaalde gewassen (of het houden van dieren) en de prijzen daarvoor, maar is vervangen door een stelsel van toeslagrechten, die worden toegekend aan landbouwers die aan de voorwaarden voldoen en die deze rechten jaarlijks in de vorm van bedrijfstoeslag kunnen verzilveren indien zij aan de dáárvoor gestelde voorwaarden voldoen.

3.

Artikel 46 van Vo (EG) nr 1782/2003 bepaalt dat toeslagrechten kunnen worden overgedragen aan een andere landbouwer. Als gevolg van deze overdraagbaarheid hebben toeslagrechten waarde in het economisch verkeer. Verpachter stelt zich op het standpunt dat de toeslagrechten vermogensrechten zijn. Hij leidt daar uit af dat de jurisprudentie inzake vermogensrechten als melk- en bietenquotum reflecteren zoal niet rechtstreeks toepasselijk zijn op de in dit geschil centraal staande vraag over het lot van de toeslagrechten bij het einde van de pachtovereenkomst.

4.

De pachter ziet vooral grote en principiële verschillen met de figuur van het melkquotum en van het bietenquotum. Het melkquotum is grondgebonden en Europese regels kennen bepalingen over hetgeen moet gebeuren met het melkquotum bij het einde van de pacht. Toeslagrechten daarentegen zijn niet grondgebonden maar kleven aan de persoon van de landbouwer en Europese regels houden zich helemaal niet bezig met het lot van de toeslagrechten bij het einde van de pacht, juist omdat deze regels uitgaan van een volledige vrijheid in verhandelbaarheid en overdraagbaarheid van genoemde rechten.

Pachter wijst er nog op dat hij gezaghebbende opvattingen aan zijn zijde heeft: de Minister van Landbouw, Natuur en Voedselkwaliteit heeft bij herhaling als zijn mening te kennen gegeven dat de pachter geheel vrij is zijn toeslagrechten te verkopen en de verpachter te dezen geen aanspraken heeft.

Pachter voert aan dat de kwestie uitdrukkelijk volledig en uitputtend is geregeld door het Europese recht en dat daarom het Nederlandse recht niet meer toekomt aan beantwoording van de vraag. Zijns inziens gaan Vo (EG) nr 1782/2003 en de andere verordeningen over toeslagrechten ervan uit dat bij het einde van de pacht de toeslagrechten bij de pachter blijven.

5.1.

Naar het oordeel van de pachtkamer leest de pachter meer in de Europese verordening dan er staat. De Europese verordening schrijft niet voor dat de toeslagrechten bij het einde van de pacht overgedragen worden aan de verpachter, daarover zijn partijen het eens, maar evenmin valt in de tekst het tegendeel te lezen. De verordening regelt vooral de toedeling van de toeslagrechten en maakt de overdracht door degene aan wie de rechten zijn toegedeeld aan een derde mogelijk. Daarmee is nog niet gezegd of de landbouwer, die niet tevens eigenaar maar pachter van de grond is, volgens Nederlands pachtrecht niet ook de instemming van de verpachter met de voorgenomen overdracht moet verkrijgen. De tekst van de Europese regeling geeft weinig houvast voor beantwoording van de vraag die partijen verdeeld houdt. Dat geldt ook voor de door de pachter aangehaalde artikelen 20 en 22 van Vo (EG)795/2004.

Indien in wet of rechtspraak geen helder antwoord is te vinden op de vraag in geschil, zal het antwoord gevonden moeten worden door aansluiting te zoeken bij wel in wet of rechtspraak geregelde gevallen.

5.2.

De pachtkamer is met verpachter van oordeel dat indien de toeslagrechten in een pachtverhouding op één lijn gesteld kunnen worden met rechten ten aanzien van melk- of suikerbietenquota, er reden is om op vergelijkbare wijze aan het einde van de pachtovereenkomst af te rekenen.

Het gaat hier niet om de vraag of toeslagrechten precies hetzelfde zijn als melk- of bietenquota; het gaat erom of met het oog op de juiste toepassing van hetgeen het pachtrecht vraagt er meer overeenkomsten dan verschillen zijn met genoemde andere rechten.

5.3.

Pachter hecht veel betekenis aan het gegeven dat een toeslagrecht een persoonsgebonden inkomenssteun oplevert, los van productie en niet grondgebonden, terwijl een toegekend melk- of bietenquotum een grondgebonden productierecht is. Naar het oordeel van de pachtkamer moet deze karakterisering worden genuanceerd en gerelativeerd.

5.3.1.

Toekenning van overheidswege van een heffingvrije hoeveelheid melk levert weliswaar een gelimiteerd productierecht op, maar betekent tevens een gegarandeerde melkprijs. Toekenning van een bietenquotum levert eveneens een gelimiteerd productierecht op, maar ook een prijs die niet behoeft te concurreren met de suikerprijzen op de wereldmarkt. Aldus hebben deze productierechten ook het karakter van inkomenssteunmaatregelen en daarmee verflauwt het onderscheidend vermogen van de kwalificatie “productierecht” tegenover de kwalificatie “inkomenssteun”. Tegelijkertijd vormde destijds de introductie van het basisareaal in het kader van de vroegere inkomenssteunmaatregelen een prikkel tot productiebeperking. De verschillen zijn minder principieel dan door de pachter bepleit.

5.3.2.

Bietenquotum kan worden verkocht zonder overdracht van grond; sinds 1 april 2007 kan ook melkquotum onder voorwaarden worden verkocht zonder grond. Toeslagrechten kunnen eveneens worden verkocht zonder grond. Ook hier is het doorslaggevende verschil tussen de ene en de andere soort rechten niet te vinden.

5.3.3.

Juist is pachter’s standpunt dat de omvang van het toegekende melk- of bietenquotum productiegerelateerd is en de toeslagrechten ontkoppeld zijn van de productie en thans gekoppeld zijn aan eerder verleende steun.

Naar het oordeel van de pachtkamer was die eerder verleende steun ([naam]) weer wel productiegerelateerd. Daardoor is de verkrijging en de berekening van de omvang van de toegekende toeslagrechten uiteindelijk, gelet op de oorsprong ervan, wel gekoppeld aan landbouwkundige activiteiten als het telen van bepaalde gewassen en het houden van dieren. Thans kunnen de toeslagrechten worden verzilverd in de vorm van bedrijfstoeslag, ook indien de producent nu andere gewassen teelt dan waarvoor hij in de referentieperiode steun ontving en in die zin is inderdaad sprake van ontkoppeling. Dat doet niet af aan de grondslag of beter gezegd de oorsprong van het recht, die zich niet principieel onderscheidt van de grondslag van de productiequota.

5.3.4.

Juist is verpachter’s standpunt dat de toeslagrechten in een geval als het onderhavige, waarin de pachtovereenkomst dateert van 1952, zijn opgebouwd op de gepachte hectaren in de drie referentiejaren (2000-2002). Artikel 43 van de Verordening relateert het toe te kennen aantal toeslagrechten direct aan het aantal hectaren dat in de referentiejaren recht heeft gegeven op inkomenssteun. Aldus kan niet worden ontkend dat de grond van de verpachter heeft bijgedragen aan de totstandkoming van de toeslagrechten. Voor de verzilvering van de toeslagrechten (artikel 44 van de Verordening) zijn subsidiabele hectaren nodig. In het geval van [gedaagde] zijn dat hectaren van de verpachter. Aangenomen moet worden dat op gesubsidieerde hectaren gemakkelijker een rendabele exploitatie valt te verwezenlijken dan op grond waarop geen toeslagrechten kunnen worden gelegd. Verpachter heeft daarmee een belang bij het behoud van de toeslagrechten op deze subsidiabele hectaren.

5.3.5.

Tot slot acht de pachtkamer nog van belang dat het recht op bedrijfstoeslag is ontstaan door een overheidsmaatregel zonder dat de inspanningen van de pachter of van de verpachter waren gericht op verkrijging van dat recht en zonder dat zij bij het nemen van hun beslissingen rekening hebben gehouden met de door de Verordening geschapen situatie. Deze omstandigheid die zich evenzeer heeft voorgedaan bij zowel het melkquotum als het bietenquotum heeft er aldaar toe geleid dat voor recht werd aanvaard dat pachter en verpachter volgens een bepaalde verdeelsleutel beiden gerechtigd zijn tot de waarde van deze vermogensrechten.

5.4.

De pachtkamer is van oordeel dat er tussen toeslagrechten enerzijds en melk- en bietenrechten anderzijds met het oog op de juiste toepassing van hetgeen het pachtrecht vraagt meer overeenkomsten dan verschillen bestaan. De verschillen betreffen eerder de technische uitwerking van de inkomenssteun dan dat er grote principiële verschillen bestaan tussen genoemde vermogensrechten.

Dat leidt de pachtkamer tot het oordeel dat aanspraken van de verpachter op de toeslagrechten moeten worden erkend. Omdat de pachtkamer aansluiting zoekt bij de wel in wet en rechtspraak geregelde gevallen ligt het voor de hand voor recht te verklaren dat de pachter bij het einde van de pacht de toeslagrechten aan de verpachter moet overdragen tegen vergoeding van de helft van de waarde ervan. Dat betekent dan ook dat tussentijdse verkoop van toeslagrechten niet zonder voorafgaande toestemming van de verpachter is toegestaan. Vervreemding zonder deze toestemming levert een toerekenbare tekortkoming op die tot ontbinding van de pachtovereenkomst kan leiden.

6.

De pachtkamer overweegt ten overvloede dat een dergelijke op het Nederlandse pachtrecht gebaseerde verdeling niet in strijd komt met Europese regelgeving al was het maar omdat de Europese regels op de vraag hier in geschil geen antwoord geven. Het doel van de regeling inzake toeslagrechten is evenals dat het geval was bij voorgaande inkomensteunmaatregelen aan de actieve landbouwer een redelijk inkomen verschaffen. Bij interpretatievraagstukken moet dit doel goed voor ogen worden gehouden. Het gaat hier niet om een pensioenvoorziening voor niet-actieve boeren noch om een extra rendement voor verpachters, zoals in de literatuur terecht is opgemerkt. Dat betekent dat in het geval de pachter zijn bedrijf staakt, waarna de verpachter de grond wil exploiteren of aan een andere pachter wil overdragen, de toeslagrechten, die immers bij de actieve landbouwer zouden moeten blijven, moeten toekomen aan de opkomende exploitant van de grond, ongeacht of deze pachter of eigenaar is. Indien de eigenaar niet zelf gaat exploiteren en ook niet de grond wederom verpacht met terbeschikkingstelling van de toeslagrechten zal die situatie gewicht in de schaal leggen bij beantwoording van de vraag of de pachtovereenkomst met een pachter die zonder toestemming van zijn verpachter toeslagrechten heeft vervreemd aan een actieve landbouwer, kan worden ontbonden, ook in de situatie waarin hij over de opbrengst heeft afgerekend met de verpachter. Een vergelijkbare afweging zal moeten worden gemaakt in de situatie waarin een verpachter toestemming tot verkoop onthoudt aan een pachter die meer toeslagrechten heeft dan subsidiabele hectaren en het meerdere wenst over te dragen aan een andere actieve landbouwer die de rechten wel te gelde kan maken.

7.

De gevraagde verklaring voor recht is toewijsbaar als in het dictum vermeld. Omdat het hier een proefprocedure betreft hebben beide partijen voorgesteld de eigen kosten te dragen.

De beslissing

De pachtkamer:

verklaart voor recht dat:

— pachter [gedaagde] gehouden is om de door hem van verpachter gepachte gronden bij het einde van de overeenkomst aan verpachter op te leveren inclusief de op die gronden opgebouwde of samenhangende toeslagrechten tegen vergoeding van de helft van de waarde van deze rechten;

— het pachter niet is toegestaan om de toeslagrechten die zijn opgebouwd op of samenhangen met de door verpachter aan hem verpachte gronden aan een of meer derden te vervreemden zonder voorafgaande toestemming van verpachter;

— overtreding van het hierboven geformuleerde verbod onder omstandigheden een zodanig ernstige tekortkoming bij de nakoming van de uit de pachtovereenkomst voortvloeiende verplichtingen kan opleveren dat deze de ontbinding van de pachtovereenkomst rechtvaardigt;

— overtreding van het hierboven geformuleerde verbod met zich meebrengt dat pachter in beginsel gehouden is de schade te vergoeden, die naar redelijkheid en billijkheid wordt gesteld op de helft van de waarde van de zonder toestemming vervreemde toeslagrechten ten tijde van de vervreemding;

wijst af het meer of anders gevorderde;

compenseert de kosten van de procedure in die zin dat elke partij de eigen kosten draagt.

Aldus gewezen door de pachtkamer van de rechtbank Zwolle-Lelystad, locatie Zwolle, bestaande uit mr. J.A.O.M. van Aerde, kantonrechter-voorzitter, W.G.M. Klein Langevelsloo en H.B. Timmerman, leden, en uitgesproken in de openbare terechtzitting van 25 september 2007 in tegenwoordigheid van de griffier.