Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBZLY:2007:BB3702

Instantie
Rechtbank Zwolle-Lelystad
Datum uitspraak
14-09-2007
Datum publicatie
17-09-2007
Zaaknummer
AWB 07/1374
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Bijzondere kenmerken
Voorlopige voorziening
Inhoudsindicatie

Ontheffing voor het doden van wilde eend met behulp van het geweer ter voorkoming van belangrijke schade aan gewassen geschorst nu niet is gebleken om welke bijzondere beschermingsgebieden het gaat en welke schade hier wordt verwacht.

Wetsverwijzingen
Flora- en faunawet
Flora- en faunawet 9
Flora- en faunawet 46
Flora- en faunawet 68
Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
JM 2007/153 met annotatie van Boerema

Uitspraak

RECHTBANK ZWOLLE-LELYSTAD

Sector Bestuursrecht, Voorzieningenrechter

Registratienummer: Awb 07/1374

Uitspraak betreffende het verzoek om toepassing van artikel 8:81 van de Algemene wet bestuursrecht (Awb)

in het geding tussen:

Stichting De Faunabescherming,

gevestigd te Amstelveen, verzoekster,

en

Gedeputeerde Staten van Overijssel,

gevestigd te Zwolle, verweerder,

alsmede

Stichting Faunabeheereenheid Overijssel,

gevestigd te Deventer, belanghebbende.

1.Procesverloop

Bij besluit van 3 juli 2007 heeft verweerder aan belanghebbende ontheffing verleend op grond van het bepaalde in artikel 68 van de Flora- en faunawet, voor het doden van wilde eend met behulp van het geweer ter voorkoming van belangrijke schade aan gewassen op gronden gelegen in het werkgebied van belanghebbende.

De ontheffing is verleend voor de periode van 15 augustus 2007 tot 15 november 2007.

Het bestreden besluit is op 14 augustus 2007 bekend gemaakt in de Staatscourant.

Bij brief van 18 augustus 2007 heeft verzoekster tegen bedoeld besluit bezwaar gemaakt.

Bij brief van gelijke datum is verzocht om het treffen van een voorlopige voorziening als bedoeld in artikel 8:81 van de Awb. Verzoekster heeft tevens verzocht om - in afwachting van de behandeling ter zitting - onmiddellijke schorsing van het bestreden besluit, gelet op het feit dat al van het bestreden besluit gebruik kan worden gemaakt en de onomkeerbare gevolgen daarvan.

Bij uitspraak van 22 augustus 2007 heeft de voorzieningenrechter het verzoek om het treffen van een ordemaatregel afgewezen.

Het verzoek is inhoudelijk behandeld ter zitting van 11 september 2007.

Namens verzoekster zijn verschenen A.P. de Jong en H.H. Niessen. Verweerder heeft zich laten vertegenwoordigen door H.L. van Gerrevink en L.R. Menkveld. Voor belanghebbende is verschenen J. Boelm.

2 Overwegingen

Ingevolge artikel 8:81 van de Awb kan de voorzieningenrechter van de rechtbank op verzoek een voorlopige voorziening treffen indien onverwijlde spoed, gelet op de betrokken belangen, dat vereist.

Voor zover hierbij het geschil in de bodemprocedure wordt beoordeeld, heeft het oordeel van

de voorzieningenrechter daaromtrent een voorlopig karakter en is dat niet bindend voor de beslissing in die procedure.

3Beoordeling

Tussen partijen is in geschil of verweerder het bestreden besluit op goede gronden heeft genomen.

Ingevolge artikel 9 van de Flora- en faunawet is het verboden dieren, behorende tot een inheemse diersoort, te doden, te verwonden, te vangen, te bemachtigen of met het oog daarop op te sporen.

Artikel 68, eerste lid, van de Flora- en faunawet bepaalt:

wanneer er geen andere bevredigende oplossing bestaat en indien geen afbreuk wordt gedaan aan een gunstige staat van instandhouding van de soort, kunnen gedeputeerde staten, voor zover niet bij of krachtens enig ander artikel van deze wet vrijstelling is of kan worden verleend, ten aanzien van beschermde inheemse diersoorten, het Faunafonds gehoord, ontheffing verlenen van het bepaalde bij of krachtens de artikelen 9 tot en met 13, 53, eerste lid, onderdelen c en d, 72, vijfde lid, en 74:

….

c. ter voorkoming van belangrijke schade aan gewassen, vee, bossen, bedrijfsmatige visserij en wateren;

….

In het derde lid van artikel 68 is bepaald dat de ontheffing als bedoeld in het eerste lid, slechts wordt verleend aan een faunabeheereenheid op basis van een faunabeheerplan.

Zijdens verzoekster is aangevoerd dat, nu de verleende ontheffing ziet op het doden van wilde eend binnen gebieden waar reguliere jacht niet is toegestaan (Natura 2000 en wetlands), had moeten worden aangetoond dat wilde eenden binnen al deze gebieden in de hele provincie aan gewassen belangrijke schade dreigen aan te richten. De enkele verwijzing naar het faunabeheer- plan is onvoldoende.

Verder meent verzoekster dat niet aannemelijk is gemaakt dat er geen andere bevredigende oplossing mogelijk is. Er is volstaan met het toepassen van eenvoudige passieve visuele middelen, maar er zijn andere effectieve middelen voorhanden. Pas als wordt vastgesteld dat deze onvoldoende effectief zijn en aannemelijk is dat de inzet van het geweer wel tot een bevredigende oplossing zal leiden, kan een ontheffing worden overwogen. Tot slot heeft verzoekster aangevoerd dat het besluit strijdig is met artikel 6 van de Habitatrichtlijn, nu niet wetenschappelijk is aangetoond dat het schieten van wilde eenden geen significante gevolgen zal hebben voor de bedoelde gebieden.

De voorzieningenrechter overweegt als volgt.

Artikel 68 van de Flora- en faunawet schrijft dwingend voor dat ontheffing niet kan worden verleend dan nadat het Faunafonds hieromtrent is gehoord.

Verweerder heeft in het bestreden besluit verwezen naar een generiek advies, afgegeven door het Faunafonds op 25 maart 2003. In dit advies heeft het Faunafonds aangegeven dat de wilde eend veelvuldig schade veroorzaakt. Verweerder wordt geadviseerd om, indien ontheffing wordt gevraagd voor het doden van wilde eend ter voorkoming en beperking van belangrijke schade aan gewassen, de ontheffing desnoods op voorhand te verlenen tot het moment dat het faunabeheerplan is vastgesteld en goedgekeurd.

Ter zitting is van de zijde van verweerder desgevraagd medegedeeld dat het Faunabeheerplan Overijssel is vastgesteld in september 2004.

De voorzieningenrechter is van oordeel dat met het vaststellen van Faunabeheerplan Overijssel het generieke advies van het Faunafonds zijn waarde heeft verloren. Verweerder kon de verleende ontheffing dan ook niet hierop baseren. Het bestreden besluit is op dit punt dan ook in strijd met artikel 68, eerste lid, van de Flora- en faunawet.

Verweerder heeft de ontheffing verleend aan een faunabeheereenheid. In dat geval vormt – gelezen het derde lid van artikel 68 van de Flora- en faunawet - het faunabeheerplan de basis.

In het Faunabeheerplan Overijssel wordt gesteld dat de wilde eend in incidentele gevallen schade heeft veroorzaakt. De schade heeft plaatsgevonden in de periode voorafgaand aan het jachtseizoen. In de beheerdoelstelling is ten aanzien van de wilde eend bepaald dat ter voorkoming van schade preventieve middelen worden ingezet door de grondgebruiker. Doorgaans blijkt de inzet van preventieve middelen voldoende om schade te voorkomen. In uitzonderingsgevallen zal worden overgegaan tot gebruik van het geweer als akoestisch middel om te verstoren, aldus het Faunabeheerplan.

De voorzieningenrechter stelt vast dat het doden van wilde eenden uitdrukkelijk niet als middel ter voorkoming van schade aan gewassen is opgenomen.

Verweerder heeft aangevoerd dat het Faunabeheerplan op dit punt niet juist is en zal worden gewijzigd. Zulks neemt evenwel niet weg dat het bestreden besluit afwijkt van het nu geldende Faunabeheerplan. Gelet op het bepaalde in artikel 68, derde lid, van de Flora- en faunawet, kon verweerder dan ook niet zonder nadere motivering afwijken van hetgeen in dat plan is vastgelegd. Dat in de afgelopen jaren al vaker ontheffing is verleend voor het doden van wilde eenden doet daar niet aan af.

Het bestreden besluit betreft de periode 15 augustus 2007 tot en met 15 november 2007.

Ingevolge artikel 32 van de Flora- en faunawet is de wilde eend aangewezen als wild, hetgeen betekent dat er op deze diersoort mag worden gejaagd. Het jachtseizoen is geopend vanaf 15 augustus 2007. Ingevolge artikel 46, derde lid, van de Flora- en faunawet mag er evenwel niet worden gejaagd in (onder andere) zogenaamde wetlands en speciale beschermingszones als bedoeld in de Habitatrichtlijn en de Vogelrichtlijn.

Het bestreden besluit maakt het doden van de wilde eend in deze gebieden mogelijk.

De voorzieningenrechter stelt vast dat het bestreden besluit geldt voor het hele grondgebied van de provincie Overijssel. Er is dus niet aangegeven om welke bijzondere beschermingsgebieden het gaat en welke schade hier wordt verwacht. Verweerder heeft aangegeven dat niet nodig te vinden, nu het immers alleen gaat om de percelen waarop granen en grassen worden geteeld.

Naar het oordeel van de voorzieningenrechter is dit onvoldoende, nu dit tot gevolg heeft dat niet verweerder zelf, maar de vergunninghouder toetst of er sprake is van dreigende belangrijke schade aan gewassen. Zoals de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State in zijn uitspraak van 21 maart 2007 (LJN BA1175) overwoog, is deze constructie in strijd met het bepaalde in artikel 68, eerste lid, onder c, van de Flora- en faunawet.

Gezien voorgaande overwegingen is de voorzieningenrechter van oordeel dat het bestreden besluit in bezwaar naar verwachting niet in stand zal kunnen blijven.

Hierin wordt aanleiding gezien het bestreden besluit te schorsen tot zes weken na de door verweerder te nemen beslissing op het bezwaarschrift van verzoekster.

De voorzieningenrechter acht voldoende termen aanwezig verweerder met toepassing van artikel 8:75 van de Awb in de kosten te veroordelen, die verzoekster in verband met de behandeling van het verzoek redelijkerwijs heeft moeten maken.

Met toepassing van het Besluit proceskosten bestuursrecht kent de rechtbank verzoekster ter zake van gemaakte reiskosten een bedrag van € 61,80 toe.

4.Beslissing

De voorzieningenrechter van de rechtbank

- schorst het bestreden besluit tot zes weken na de bekendmaking van de beslissing op bezwaar;

-bepaalt dat de provincie Overijssel het betaalde griffierecht van € 285,-- aan verzoekster voldoet;

-veroordeelt verweerder in de proceskosten van verzoekster tot een bedrag van € 61,80, te betalen door de provincie Overijssel.

Deze uitspraak is gedaan door mr. A. Oosterveld, voorzieningenrechter, en in het openbaar uitgesproken in tegenwoordigheid van mr. P.A.M. Spreuwenberg als griffier, op

Afschrift verzonden op:

Rechtsmiddel

Tegen deze uitspraak staat geen rechtsmiddel open.