Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBZLY:2007:BB3292

Instantie
Rechtbank Zwolle-Lelystad
Datum uitspraak
30-08-2007
Datum publicatie
11-09-2007
Zaaknummer
440126-07 en 480868-06
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Inhoudsindicatie

nemo tenetur, cautie, uitlevering, art. 52 Wet wapens en munitie

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl

Uitspraak

RECHTBANK ZWOLLE - LELYSTAD

Sector Strafrecht - Meervoudige Strafkamer

Parketnrs.: 07.440126-07 en 07.480868-06 (gev. ttz.)

Uitspraak : 30 augustus 2007

Vonnis in de zaak van:

het openbaar ministerie

tegen

[verdachte]

Het onderzoek ter terechtzitting heeft plaatsgevonden op 16 augustus 2007. De verdachte is verschenen, bijgestaan door mr. L.M.J. Leerkes, advocaat te Deventer.

De officier van justitie, mr. B.C. van Haren, heeft ter terechtzitting gevorderd:

- verdachte vrij te spreken van het bij dagvaarding met parketnummer 07.480868-06 onder 3. ten laste gelegde;

- verdachte te veroordelen ter zake het bij dagvaarding met parketnummer 07.480868-06 onder 1. en 2. ten laste gelegde en ter zake het bij dagvaarding met parketnummer 07.440126-07 onder 1. primair, 2. primair en 3. ten laste gelegde tot een gevangenisstraf voor de duur van 36 maanden, met aftrek overeenkomstig artikel 27 van het Wetboek van Strafrecht, waarvan een gedeelte van 6 maanden voorwaardelijk met een proeftijd van 2 jaar;

- toewijzing van de vordering van de benadeelde partij [benadeelde partij] tot een bedrag van € 213,98, alsmede de wettelijke rente en oplegging van de maatregel tot schadevergoeding ten behoeve van dit slachtoffer tot voornoemd bedrag;

- toewijzing van de vordering van de benadeelde partij [benadeelde partij] tot een bedrag van € 756,92, alsmede de wettelijke rente en oplegging van de maatregel tot schadevergoeding ten behoeve van dit slachtoffer tot voornoemd bedrag.

TENLASTELEGGING

De verdachte is ten laste gelegd dat:

(volgen de tenlasteleggingen met de parketnummers 07.440126-07 en 07.480868-06)

De rechtbank nummert de bij de dagvaardingen met de parketnummers 07.440126-07 en 07.480868-06 ten laste gelegde feiten respectievelijk als de feiten 1. primair en subsidiair, 2. primair en subsidiair en 3. en de feiten 4., 5. en 6..

De rechtbank verbetert in de tenlastelegging een kennelijke schrijffout. De verdachte wordt blijkens het onderzoek ter terechtzitting daardoor niet in zijn verdediging geschaad.

BEWIJS

De raadsvrouw heeft ter terechtzitting opgemerkt dat het nemo teneturbeginsel is geschonden en dat het verkregen bewijsmateriaal, te weten het aangetroffen mes en de aangetroffen bolletjes, plus de verklaring van verdachte dat hij dit bij zich droeg, rechtstreeks het gevolg is van onrechtmatige opsporingshandelingen en derhalve dient te worden uitgesloten van het bewijs.

De rechtbank verwerpt dit verweer op de volgende gronden. Uit het proces-verbaal van aanhouding d.d. 10 augustus 2006 blijkt dat de verbalisanten met algemeen toezicht belast waren, een man zagen fietsen met een witte baseballpet en ambtshalve ervan op de hoogte waren dat uit een onderzoek naar diverse brandstichtingen blijkt dat wordt gesproken over een dader met een witte c.q. lichtkleurige baseballpet. Hoewel in dit proces-verbaal niet met zoveel woorden wordt gesproken van het doen van een vordering kan, gegeven de feitelijke gang van zaken, naar het oordeel van de rechtbank bezwaarlijk anders worden geconcludeerd dan dat de verbalisanten gebruik hebben gemaakt van de in artikel 52, eerste lid, van de Wet wapens en munitie neergelegde bevoegdheid. Bezien in het licht van het onderzoek naar diverse brandstichtingen alsmede de witte baseballpet van verdachte, acht de rechtbank de vordering tot uitlevering rechtmatig. Zoals volgt uit de jurisprudentie van de Hoge Raad behoeft aan een vordering tot uitlevering geen cautie vooraf te gaan.

Uit het vorenstaande volgt dat de verdachte op de desbetreffende vordering tot uitlevering is overgegaan tot afgifte van een mes. Van een verhoorsituatie was op dat moment (nog) geen sprake. Door de afgifte van het mes door verdachte ontstonden ernstige bezwaren tegen verdachte ten aanzien van het handelen in strijd met artikel 26 van de Wet wapens en munitie. Ingevolge artikel 52, tweede lid, van de Wet wapens en munitie waren de opsporingsambtenaren derhalve bevoegd om verdachte aan zijn kleding te onderzoeken.

Het bewijs is dan ook rechtmatig verkregen.

De verdachte dient van het onder 2. primair en 6. ten laste gelegde te worden vrijgesproken, omdat de rechtbank dit niet wettig en overtuigend bewezen acht.

De rechtbank acht wettig en overtuigend bewezen hetgeen de verdachte onder 1. primair, 2. subsidiair, 3., 4. en 5. ten laste is gelegd, met dien verstande dat:

(volgt bewezenverklaring; zie aangehechte kopieën dagvaardingen)

Van het onder 1. primair, 2. subsidiair, 3., 4. en 5. meer of anders ten laste gelegde zal de verdachte worden vrijgesproken, aangezien de rechtbank dat niet wettig en overtuigend bewezen acht.

STRAFBAARHEID

Het bewezene levert op:

Feit 1. primair:

Diefstal vergezeld van bedreiging met geweld tegen personen, gepleegd met het oogmerk om die diefstal gemakkelijk te maken, strafbaar gesteld bij artikel 312, juncto artikel 310 van het Wetboek van Strafrecht.

Feit 2. subsidiair:

Poging tot afpersing, strafbaar gesteld bij artikel 317, juncto artikel 45 van het Wetboek van Strafrecht.

Feit 3.:

Schuldheling, strafbaar gesteld bij artikel 417bis van het Wetboek van Strafrecht.

Feit 4.:

Mishandeling, strafbaar gesteld bij artikel 300 van het Wetboek van Strafrecht.

Feit 5.:

Opzettelijk handelen in strijd met het in artikel 2, onder C, van de Opiumwet gegeven verbod, strafbaar gesteld bij artikel 10 van de Opiumwet.

De verdachte is deswege strafbaar, nu geen feiten of omstandigheden gebleken zijn die die strafbaarheid zouden opheffen of uitsluiten.

OPLEGGING VAN STRAF OF MAATREGEL

Gelet op de aard en de ernst van het bewezen en strafbaar verklaarde, op de omstandigheden waaronder verdachte zich daaraan heeft schuldig gemaakt en op de persoon van verdachte, zoals van een en ander uit het onderzoek ter terechtzitting is gebleken, acht de rechtbank de na te noemen beslissing passend.

De raadsvrouw heeft ten aanzien van het onder 3. bewezen verklaarde feit – subsidiair – betoogd dat sprake is geweest van een onrechtmatige aanhouding, omdat het arrestatieteam disproportioneel geweld heeft toegepast bij de aanhouding van verdachte. Dit zou moeten leiden tot strafvermindering.

De rechtbank verwerpt dit verweer. Gelet op het vermoeden dat er vuurwapens aanwezig waren in de woning van verdachte, kan niet gezegd worden dat het optreden van het arrestatieteam disproportioneel was.

De rechtbank is in dit geval van oordeel dat een gedeeltelijk onvoorwaardelijke vrijheidsstraf noodzakelijk is, omdat aard en ernst van het bewezen en strafbaar verklaarde, gelet ook op het strafrechtelijk verleden van de verdachte, door een lichtere strafrechtelijke afdoening van de zaak miskend zouden worden. Bijzondere omstandigheden die tot een ander oordeel zouden moeten voeren, acht de rechtbank niet aanwezig.

Bij haar beslissing heeft de rechtbank rekening gehouden met:

een de verdachte betreffend uittreksel justitiële documentatie d.d. 26 juni 2007;

een de verdachte betreffend voorlichtingsrapport d.d. 31 mei 2007 uitgebracht door L.K. Feiken, reclasseringsfunctionaris bij Tactus, instelling voor verslavingszorg;

de overige stukken van het de verdachte betreffende persoonsdossier.

De oplegging van straf of maatregel is, behalve op de reeds aangehaalde wettelijke voorschriften, gegrond op de artikelen 10, 14a, 14b, 14c, 27, 36f, 57, 63 en 91 van het Wetboek van Strafrecht.

Benadeelde partij [benadeelde partij]

Bij het onderzoek ter terechtzitting is komen vast te staan, dat de benadeelde partij [benadeelde partij] rechtstreeks schade heeft geleden ten gevolge van het ten laste van verdachte onder 1. bewezen verklaarde feit.

De hoogte van die schade is, gelet op de inhoud van het “voegingsformulier benadeelde partij in het strafproces” en gelet op hetgeen tijdens het onderzoek ter terechtzitting naar voren is gekomen, genoegzaam komen vast te staan tot een bedrag van € 210,00, vermeerderd met de kosten die -tot op heden- worden begroot op nihil.

De vordering van de benadeelde partij, die in die vordering ontvankelijk is, is in dier voege toewijsbaar.

Het restant van de vordering van de benadeelde partij [benadeelde partij] heeft naar het oordeel van de rechtbank geen betrekking op het ten laste gelegde feit. De rechtbank zal derhalve bepalen dat de benadeelde partij in die vordering voor dat deel niet ontvankelijk is en dat de vordering voor dat deel slechts bij de burgerlijke rechter kan worden aangebracht.

De rechtbank zal voorts aan de verdachte op de voet van artikel 36f van het Wetboek van Strafrecht de verplichting opleggen tot betaling aan de Staat van bovengenoemde geldsom van € 210,00 ten behoeve van het slachtoffer [benadeelde partij].

Benadeelde partij [benadeelde partij]

Bij het onderzoek ter terechtzitting is komen vast te staan, dat de benadeelde partij [benadeelde partij] rechtstreeks schade heeft geleden ten gevolge van het ten laste van verdachte onder 4. bewezen verklaarde feit.

De hoogte van die schade is, gelet op de inhoud van het “voegingsformulier benadeelde partij in het strafproces” en gelet op hetgeen tijdens het onderzoek ter terechtzitting naar voren is gekomen, genoegzaam komen vast te staan tot een bedrag van € 855,50, vermeerderd met de kosten die -tot op heden- worden begroot op nihil.

De vordering van de benadeelde partij, die in die vordering ontvankelijk is, is in dier voege toewijsbaar.

De rechtbank zal voorts aan de verdachte op de voet van artikel 36f van het Wetboek van Strafrecht de verplichting opleggen tot betaling aan de Staat van bovengenoemde geldsom van € 855,50 ten behoeve van het slachtoffer [benadeelde partij].

BESLISSING

Ten aanzien van de tenlastelegging

Het onder 2. primair en 6. ten laste gelegde is niet bewezen en de verdachte wordt daarvan vrijgesproken.

Het onder 1. primair, 2. subsidiair, 3., 4. en 5. ten laste gelegde is bewezen zoals hiervoor aangegeven en levert de strafbare feiten op, zoals hiervoor vermeld. De verdachte is deswege strafbaar.

Het onder 1. primair, 2. subsidiair, 3., 4. en 5. meer of anders ten laste gelegde is niet bewezen en de verdachte wordt daarvan vrijgesproken.

De rechtbank veroordeelt de verdachte tot een gevangenisstraf voor de duur van 30 maanden.

De tijd, door de verdachte vóór de tenuitvoerlegging van deze uitspraak in verzekering en voorlopige hechtenis doorgebracht, zal bij de tenuitvoerlegging van de opgelegde gevangenisstraf in mindering worden gebracht.

Van de gevangenisstraf zal een gedeelte, groot 6 maanden, niet worden tenuitvoergelegd, tenzij de rechter later anders mocht gelasten op grond van het feit dat de verdachte zich voor het einde van een proeftijd van twee jaar aan een strafbaar feit heeft schuldig gemaakt.

Ten aanzien van de vordering van de benadeelde partij [benadeelde partij]

De rechtbank veroordeelt de verdachte tot betaling aan de benadeelde partij [benadeelde partij], gevestigd te [adres], van een bedrag van € 210,00 (zegge: tweehonderdtien euro) vermeerderd met de wettelijke rente sinds de dag waarop het thans onder 1. bewezen verklaarde feit jegens de benadeelde partij werd gepleegd, te weten 9 mei 2007, tot die van de voldoening.

De verdachte wordt voorts veroordeeld in de kosten, door de benadeelde partij gemaakt, tot op heden begroot op nihil, en ten behoeve van de tenuitvoerlegging nog te maken.

De rechtbank legt op aan verdachte de verplichting tot betaling aan de Staat van een bedrag, groot € 210,00, ten behoeve van het slachtoffer [benadeelde partij], bij gebreke van betaling en verhaal te vervangen door 4 dagen hechtenis.

De rechtbank bepaalt dat, indien verdachte heeft voldaan aan zijn verplichting tot betaling aan de Staat daarmee zijn verplichting tot betaling aan de benadeelde partij inzoverre komt te vervallen en andersom dat, indien verdachte heeft voldaan aan zijn verplichting tot betaling aan de benadeelde partij daarmee zijn verplichting tot betaling aan de Staat inzoverre komt te vervallen.

De rechtbank bepaalt dat de benadeelde partij [benadeelde partij] voor wat het meer gevorderde betreft in zijn vordering niet ontvankelijk is en dat hij zijn vordering voor dat deel slechts bij de burgerlijke rechter kan aanbrengen.

Ten aanzien van de vordering van de benadeelde partij [benadeelde partij]

De rechtbank veroordeelt de verdachte tot betaling aan de benadeelde partij [benadeelde partij], wonende te [adres], van een bedrag van € 855,50 (zegge: achthonderdvijfenvijftig euro en vijftig cent) vermeerderd met de wettelijke rente sinds de dag waarop het thans onder 4. bewezen verklaarde feit jegens de benadeelde partij werd gepleegd, te weten 9 augustus 2006, tot die van de voldoening.

De verdachte wordt voorts veroordeeld in de kosten, door de benadeelde partij gemaakt, tot op heden begroot op nihil, en ten behoeve van de tenuitvoerlegging nog te maken.

De rechtbank legt op aan verdachte de verplichting tot betaling aan de Staat van een bedrag, groot € 855,50, ten behoeve van het slachtoffer [benadeelde partij], bij gebreke van betaling en verhaal te vervangen door 17 dagen hechtenis.

De rechtbank bepaalt dat, indien verdachte heeft voldaan aan zijn verplichting tot betaling aan de Staat daarmee zijn verplichting tot betaling aan de benadeelde partij inzoverre komt te vervallen en andersom dat, indien verdachte heeft voldaan aan zijn verplichting tot betaling aan de benadeelde partij daarmee zijn verplichting tot betaling aan de Staat inzoverre komt te vervallen.

Aldus gewezen door mr. C.A.M. Heeregrave, voorzitter, mrs. G.A. Versteeg en F.H. Schormans, rechters, in tegenwoordigheid van mr. C.C. van Druten als griffier en uitgesproken ter openbare terechtzitting van 30 augustus 2007.