Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBZLY:2007:BB2830

Instantie
Rechtbank Zwolle-Lelystad
Datum uitspraak
04-09-2007
Datum publicatie
04-09-2007
Zaaknummer
620057-07
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Inhoudsindicatie

De rechtbank Zwolle-Lelystad heeft een groep jongeren met extreem-rechtse sympathieën veroordeeld tot -onder meer- onvoorwaardelijke gevangenisstraffen.

Alle elf jongeren werden vrijgesproken van de hen tenlastegelegde brandstichting van het voormalige Formidogebouw in Almere. Zij zijn wel veroordeeld wegens bedreiging met zware mishandeling van krakers, die zich dat gebouw bevonden op 20 februari 2007.

Vijf van de verdachten werden eveneens veroordeeld voor twee pogingen tot brandstichting (bij een Islamitische school en bij een synagoge in Almere), voor vernieling en beschadiging van een Islamitische supermarkt in Almere en voor brandstichting in een kraakpand in Amsterdam.

De twee minderjarigen die deel uitmaakten van de groep kregen werkstraffen van 200 uur en voorwaardelijke jeugddetentie opgelegd.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl

Uitspraak

RECHTBANK ZWOLLE - LELYSTAD

Sector Strafrecht - Meervoudige Strafkamer

Parketnummer: 07/620057-07

Vonnis in de zaak van:

het openbaar ministerie

tegen

[verdachte]

Het onderzoek ter terechtzitting heeft plaatsgevonden op 31 mei 2007, op 14 juni 2007 en op 21 en 22 augustus 2007. De verdachte is verschenen, bijgestaan door mr. J.G.M. Dassen, advocaat te Utrecht.

De officier van justitie, mr. H.H.J. Harmeijer, heeft ter terechtzitting van 22 augustus 2007 gevorderd de veroordeling van verdachte terzake het onder 1, 2, 3 primair, 4 primair, 5 en 6 tenlastegelegde tot een gevangenisstraf voor de duur van 30 maanden, met aftrek van voorarrest, waarvan 6 maanden elektronisch toezicht, inclusief het volgen van de COVA training.

TENLASTELEGGING

De verdachte is ten laste gelegd dat:

(volgt tenlastelegging, zoals ter terechtzitting van 21 augustus 2007 overeenkomstig het bepaalde in artikel 314a van het Wetboek van Strafvordering nader is omschreven).

BEWIJS

Ten aanzien van feit 2.

De rechtbank acht de tenlastegelegde brandstichting in het voormalige Formidogebouw te Almere onvoldoende wettig en overtuigend bewezen omdat het wettig bewijs om te komen tot causaliteit tussen enerzijds het ontstaan van de fatale brand en anderzijds de door [medeverdachte] (naar eigen zeggen) ondernomen brandstichtingspoging in het gebouw (of enige andere handeling van verdachte of de groep waartoe hij behoorde, gericht op brandstichting) ontbreekt.

Zo blijkt uit de inhoud van het rapport van de technische recherche van 27 februari 2007, op 18 juli 2007 tegenover de rechter-commissaris nog eens bevestigd door een tweetal verbalisanten, dat geen sporen van brandversnellende middelen zijn aangetroffen en dat geen materialen zijn aangetroffen en veilig gesteld (zoals restanten van flessen) die wijzen op het gebruik van een zogeheten molotovcocktail.

Deze conclusie, in het licht bezien van het gegeven dat in het gebouw voorafgaande aan de brand ander open vuur aanwezig was (onder andere in de vorm van waxinelichtjes), maakt dat ook de overtuiging bij de rechtbank ontbreekt en de verdachte van het onder 2

tenlastegelegde dient te worden vrijgesproken.

Ten aanzien van feit 5.

In de tenlastelegging wordt onder meer uitgegaan van de voltooiing van de brandstichting, terwijl uit de stukken in het dossier is gebleken dat er slechts sprake is geweest van een poging, zodat de verdachte voor dat deel van de tenlastelegging dient te worden vrijgesproken.

Ten aanzien van feit 1.

Namens de verdediging is naar voren gebracht dat weliswaar sprake is geweest van een dreigende sfeer tijdens de inval in het Formidogebouw door de dadergroep, doch dat van een strafrechtelijk relevante bedreiging geen sprake is geweest.

De rechtbank overweegt dienaangaande dat, gelet op de omstandigheden en feiten die aan de orde zijn geweest tijdens de inval, waarvan met name het als grote groep, bewapend met stokken en andere slagwapens, gekleed met bivakmutsen, schreeuwend binnenvallen van het pand, en mede gelet op hetgeen de krakers tegenover politie en rechter-commissaris hebben verklaard, het niet anders is geweest dan dat er sprake was van een bedreiging als bedoeld in artikel 285 van het Wetboek van Strafrecht.

De rechtbank acht wettig en overtuigend bewezen hetgeen de verdachte onder 1, 3 primair, 4 primair 5 en 6 ten laste is gelegd, met dien verstande dat:

(volgt bewezenverklaring; zie aangehechte kopie dagvaarding)

Van het onder 1, 3 primair, 4 primair, 5 en 6 meer of anders tenlastegelegde zal de verdachte worden vrijgesproken, aangezien de rechtbank dat niet wettig en overtuigend bewezen acht.

STRAFBAARHEID

Het bewezene levert op:

feit 1:

medeplegen van bedreiging met zware mishandeling,

strafbaar gesteld bij artikel 285 juncto artikel 47 van het Wetboek van Strafrecht.

feit 3 primair en 4 primair telkens:

medeplegen van poging tot opzettelijk brandstichten, terwijl daarvan gemeen gevaar voor goederen te duchten is,

strafbaar gesteld bij artikel 157, junctis artikel 45 en artikel 47 van het Wetboek van Strafrecht.

feit 5:

medeplegen van opzettelijk en wederrechtelijk enig goed dat aan een ander toebehoort vernielen en beschadigen,

strafbaar gesteld bij artikel 350 juncto artikel 47 van het Wetboek van Strafrecht.

feit 6:

medeplegen van opzettelijk brandstichten, terwijl daarvan gemeen gevaar voor goederen te duchten is

en

medeplegen van opzettelijk brandstichten, terwijl daarvan levensgevaar of gevaar voor zwaar lichamelijk letstel voor een ander te duchten is,

strafbaar gesteld bij artikel 157 juncto artikel 47 van het Wetboek van Strafrecht.

en

medeplegen van opzettelijk en wederrechtelijk enig goed dat aan een ander toebehoort vernielen en beschadigen,

strafbaar gesteld bij artikel 350 juncto artikel 47 van het Wetboek van Strafrecht.

De verdachte is deswege strafbaar, nu geen feiten of omstandigheden gebleken zijn die die strafbaarheid zouden opheffen of uitsluiten.

OPLEGGING VAN STRAF OF MAATREGEL

Gelet op de aard en de ernst van het bewezen en strafbaar verklaarde, op de omstandigheden waaronder verdachte zich daaraan heeft schuldig gemaakt en op de persoon van verdachte, zoals van een en ander uit het onderzoek ter terechtzitting is gebleken, acht de rechtbank de na te noemen beslissing passend.

Bij de bepaling van de op te leggen straf heeft de rechtbank ernstig rekening gehouden met de gevoelens van maatschappelijke onrust die de ernstige geweldsdelicten gepleegd door verdachte, tezamen met een viertal anderen, teweeg hebben gebracht.

De rechtbank weegt daarbij mee dat acties van extremistische aard, van welke zijde dan ook, in het huidige tijdsgewricht tot verdere radicalisering kunnen bijdragen en dat meent dat daartegen resoluut moet worden opgetreden.

Bij haar beslissing heeft de rechtbank eveneens rekening gehouden met:

een de verdachte betreffend uittreksel justitiële documentatie d.d. 3 mei 2007, waaruit blijkt dat de verdachte niet eerder met justitie in aanraking is geweest;

een de verdachte betreffend voorlichtingsrapport d.d. 14 augustus 2007 uitgebracht door Reclassering Nederland.

De oplegging van straf of maatregel is, behalve op de reeds aangehaalde wettelijke voorschriften, gegrond op de artikelen 10, 14a, 14b, 14c, 14d, 27, 56 en 57 van het Wetboek van Strafrecht.

BESLISSING

Het onder 2 tenlastegelegde is niet bewezen en de verdachte wordt daarvan vrijgesproken.

Het onder 1, 3 primair, 4 primair, 5 en 6 tenlastegelegde is bewezen zoals hiervoor aangegeven en levert de strafbare feiten op, zoals hiervoor vermeld. De verdachte is deswege strafbaar.

Het onder 1, 3 primair, 4 primair, 5 en 6 meer of anders ten laste gelegde is niet bewezen en de verdachte wordt daarvan vrijgesproken.

De rechtbank veroordeelt de verdachte tot een gevangenisstraf voor de duur van

24 maanden.

Van de gevangenisstraf zal een gedeelte groot 8 maanden niet worden tenuitvoergelegd, tenzij de rechter later anders mocht gelasten op grond dat de verdachte zich voor het einde van een proeftijd van 2 jaar aan een strafbaar feit heeft schuldig gemaakt, of gedurende die proeftijd de hierna te melden bijzondere voorwaarde niet heeft nageleefd.

Als bijzondere voorwaarde wordt gesteld dat de verdachte zich gedurende de proeftijd zal gedragen naar de voorschriften en aanwijzingen, te geven door Reclassering Nederland, ook indien dit inhoudt het volgen van een Cognitieve Vaardigheidstraining (COVA), zulks zolang deze instelling dat gedurende de proeftijd nodig oordeelt, met opdracht aan die instelling als bedoeld in artikel 14d van het Wetboek van Strafrecht.

De tijd, door de verdachte vóór de tenuitvoerlegging van deze uitspraak in verzekering en voorlopige hechtenis doorgebracht, zal bij de tenuitvoerlegging van de opgelegde gevangenisstraf in mindering worden gebracht.

Aldus gewezen door mr. G.H. Meijer, voorzitter, mrs. G.P. Nieuwenhuis en H.P.H.I. Cleerdin, rechters, in tegenwoordigheid van mr. M.C.R. Verstraeten, griffier en uitgesproken ter openbare terechtzitting van 4 september 2007.