Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBZLY:2007:BB2616

Instantie
Rechtbank Zwolle-Lelystad
Datum uitspraak
30-08-2007
Datum publicatie
30-08-2007
Zaaknummer
807267-06
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Inhoudsindicatie

Promis-vonnis; voorbedachte raad; moord

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl

Uitspraak

RECHTBANK ZWOLLE - LELYSTAD

Sector Strafrecht - Meervoudige Strafkamer

Parketnr. : 07.607267-06

Uitspraak: 30 augustus 2007

Vonnis in de zaak van:

het openbaar ministerie

tegen

[***]

Het onderzoek ter terechtzitting heeft plaatsgevonden op 16 augustus 2007. De verdachte is verschenen, bijgestaan door S.M. Milani, advocaat te Lelystad.

De officier van justitie, mr. H.J.J. Harmeijer, heeft ter terechtzitting gevorderd de veroordeling van verdachte terzake moord tot een gevangenisstraf van 12 jaar, met aftrek van het voorarrest. Voorts heeft de officier van justitie gevorderd dat de vordering van de benadeelde partij [***] wordt toegewezen met oplegging van de schadevergoedingsmaatregel.

TENLASTELEGGING

De verdachte is ten laste gelegd dat:

hij op of omstreeks 15 juni 2006 in de gemeente Almere opzettelijk en met voorbedachten rade, in elk geval opzettelijk, [***] van het leven heeft beroofd, immers heeft verdachte met dat opzet en na kalm beraad en rustig overleg, in elk geval opzettelijk, met een mes, althans met een scherp snijdend en/of puntig voorwerp, de hals en/of de keel van die [***]

doorgesneden, tengevolge waarvan voornoemde [***] is overleden;

art 289 Wetboek van Strafrecht.

BEWIJS

De rechtbank acht het primair ten laste gelegde (moord) wettig en overtuigend bewezen, met dien verstande dat:

hij op 15 juni 2006 in de gemeente Almere opzettelijk en met voorbedachten rade [***] van het leven heeft beroofd, immers heeft verdachte met dat opzet en na kalm beraad en rustig overleg, met een mes, de hals van die [***] doorgesneden, tengevolge waarvan voornoemde [***] is overleden.

Van het meer of anders ten laste gelegde zal de verdachte worden vrijgesproken, aangezien de rechtbank dat niet wettig en overtuigend bewezen acht.

Deze bewezenverklaring steunt op het volgende bewijs.

Op 15 juni 2006 omstreeks 21.00 uur is in één van de kamers van de woning aan de [***] het levenloze lichaam van een vrouw aangetroffen. Deze vrouw is [***].

De conclusie van de arts en patholoog H.A. Tromp bij sectie op het stoffelijk overschot van [***] luidt als volgt:

Bij [***] is de dood ingetreden door bloedverlies en weefselschade ten gevolge van de inwerking van uitwendig mechanisch klievend en/of snijdend geweld op de hals.

De Technische Recherche geeft, naar aanleiding van het sporenonderzoek, onder meer de volgende bevindingen weer:

Wij zagen dat het slachtoffer op haar rug in een deken lag. Wij zagen dat de hals van het slachtoffer geheel doorkliefd was.(…) Middels het meten van de postmortale tijdsverandering werd het tijdstip van overlijden van het slachtoffer zo nauwkeurig mogelijk vastgesteld. (…) Het is waarschijnlijk dat het slachtoffer op donderdag 15 juni 2006 omstreeks 19.00 uur is overleden. (…) Bij onderzoek aan de tussendeur van de slaapkamer van het slachtoffer zagen wij dat de nachtschoot van het slot naar buiten stak. Wij zagen dat er geen sleutel van deze deur in het slot stak. Wij zagen dat de sluitplaat in het kozijn van de slaapkamer beschadigd was. Wij zagen dat de schroeven van de sluitplaat afgebroken waren en dat de sluitplaat los in het kozijn lag. Vermoedelijk werd deze afgesloten slaapkamerdeur met geweld geopend waarbij de sluitplaat beschadigd geraakte.

De ex-man van het slachtoffer, getuige [***], heeft, onder meer, het volgende verklaard.

Op 15 juni 2006 omstreeks 18.30 uur had hij zijn ex-vrouw – het slachtoffer- telefonisch gesproken. Zij vertelde hem dat de huisbaas haar van 15.00 tot 18.00 uur had opgesloten in haar kamer en haar telefoon had afgepakt. Omstreeks 18.00 uur had hij haar weer uit de kamer gelaten en haar telefoon teruggegeven.

Hij is vanaf zijn werk lopend naar de [***] gelopen. Onder het lopen heeft hij zijn ex-vrouw 3 à 4 keer geprobeerd te bellen. De eerste keer dat hij belde was om 20.50 uur. Ze nam niet op.

De toegang van de woning is beneden. De woning is op de eerste verdieping, je moet eerst met de trap naar boven. Hij belde bij de deur aan en zag dat de huisbaas de deur opende. De huisbaas zei iets tegen hem, maar hij verstond het niet. Hij is toen naar boven gelopen en de huisbaas liep achter hem aan. Op de slaapkamer van zijn ex-vrouw zag hij een pakket ingepakt in een soort sprei. De sprei was dichtgeknoopt. Hij maakte de sprei open en herkende de kleding van zijn ex-vrouw. Hij is toen meteen de slaapkamer uitgelopen en naar buiten gegaan. De huisbaas was in de woonkamer en zei allemaal dingen tegen hem en hield een aktetas in zijn handen. Hij heeft vervolgens zijn werk gebeld en gezegd dat zijn vrouw vermoord was. Toen zijn collega met nog twee anderen arriveerden zijn zij op zoek gegaan naar de huisbaas. De huisbaas was er niet meer en moet via een raam aan de andere kant van de woning zijn gevlucht, omdat hij hem niet via de voorkant heeft zien weggaan.

De verdachte heeft bij de politie op 22 juni 2006, onder meer, zakelijk weergegeven, het volgende verklaard:

Ik woon aan de [***] te Almere. Er is nog iemand die in de woning woont. Die persoon huurt de slaapkamer.

Ik zal vertellen wat er gebeurd is op donderdag 15 juni 2006. De vrouw die ik heb omgebracht is doodgemaakt, door mij in haar eigen kamer. Haar kamer was dicht. Ik had geklopt en ze deed niet open.

Ik had een mes in mijn hand. Ik heb de vrouw aan de voorzijde van haar hals gesneden.

Op 7 juli 2006 verklaarde verdachte, onder meer, zakelijk weergegeven, het volgende:

Die dag wilde ik met die vrouw praten. Zij zei:”ga weg, jij stinkt”. (…) Ik heb haar telefoon en haar sleutel afgepakt. Later heb ik deze weer aan haar terug gegeven. Ik ben toen teruggegaan naar mijn eigen kamer. En opeens had ik een mes bij mij gestopt. Ik ben toen naar haar deur gelopen. Ik stond bij de deur van de vrouw en heb toen de deur hard ingeschopt en de deur ging open. Ik heb haar gepakt. Ik heb haar gesneden.

Toen heb ik schoongemaakt.

De Chinese man komt dan binnen, maakt de deur open van de slaapkamer en ziet dan de vrouw. Ik ben in mijn eigen kamer. Toen heb ik de deur van het balkon opengemaakt en weer dichtgemaakt en ben ik weggegaan.

U vraagt mij wat ik verder met het schoonmaken van mijn huis gedaan heb. Ik heb de vrouw op een deken gelegd. Ik heb dat met mijn handen dichtgemaakt.

Met betrekking tot het verweer van de verdediging dat een ander het ten laste gelegde heeft begaan

Door de raadsvrouw is ter terechtzitting betoogd dat op grond van de voorhanden zijnde bewijsmiddelen ook geconcludeerd zou kunnen worden dat de ex-man van het slachtoffer – de heer [benadeelde parti[***]- haar om het leven heeft gebracht. Met name gelet op het feit dat verdachte even vaak bekend als ontkend heeft dat hij het ten laste gelegde heeft begaan.

De rechtbank overweegt hieromtrent het volgende.

Naar het oordeel van de rechtbank is, op grond van de door de rechtbank vorengenoemde bewijsmiddelen, wettig en overtuigend bewezen dat verdachte het ten laste gelegde heeft begaan.

De rechtbank acht geenszins aannemelijk geworden dat voornoemde [benadeelde parti[***] het slachtoffer om het leven heeft gebracht en overweegt daartoe het volgende.

De collega van [benadeelde parti[***] – [***] – heeft op 15 juni 2006 bij de politie verklaard dat hij die dag tot 20.30 uur samen met [benadeelde parti[***] in de keuken van het restaurant [***] aan het [***] te Almere heeft gewerkt. Om 20.55 uur belde [benadeelde parti[***] huilend op met de mededeling dat zijn vrouw dood was. Vervolgens is hij met twee medewerkers van buurrestaurant [***] naar [benadeelde parti[***] toegegaan.

Volgens de Technische Recherche is het waarschijnlijk dat het slachtoffer op donderdag 15 juni 2006 omstreeks 19.00 uur is overleden.

Gelet op het tijdstip waarop [benadeelde parti[***] het restaurant lopend heeft verlaten, het tijdstip waarop [benadeelde parti[***] met Wong belt dat zijn vrouw dood is en het tijdstip van overlijden volgens de technische recherche, kan het niet zo zijn dat [benadeelde parti[***] de dader is geweest.

Met betrekking tot de voorbedachte rade

De raadsvrouw van verdachte heeft ter terechtzitting aangevoerd dat – indien de rechtbank tot een bewezenverklaring komt - er geen sprake was van voorbedachte raad, aangezien verdachte in een psychisch zieke toestand verkeerde en in een opwelling heeft gehandeld.

De rechtbank overweegt hieromtrent het volgende.

Verdachte heeft het latere slachtoffer eerst opgesloten in haar kamer en haar telefoon afgepakt. Verdachte heeft verklaard dat hij daarna een mes bij zich heeft gestoken, naar de deur van de kamer van het slachtoffer is gelopen, de deur heeft ingetrapt, het slachtoffer bij haar haar heeft gepakt en in haar hals heeft gesneden. Uit deze gedragingen van verdachte leidt de rechtbank af dat het doden van het slachtoffer niet het gevolg is geweest van een ogenblikkelijke heftige gemoedsbeweging, maar van een genomen besluit om dit te doen. Hij heeft – tussen het pakken van het mes en het snijden van het slachtoffer- de tijd gehad om zich te beraden op zijn voorgenomen besluit om haar te doden.

Aldus is er naar het oordeel van de rechtbank sprake van voorbedachte raad bij verdachte.

De rechtbank verwerpt het verweer van de raadsvrouw dat verdachte in een psychisch zieke toestand verkeerde waardoor er geen sprake kan zijn geweest van een voorgenomen besluit en een kalm beraad en rustig overleg over dat besluit. De deskundigen van het Pieter Baan Centrum (PBC) die onderzoek hebben gedaan naar de psychische gesteldheid van de verdachte, concluderen dat bij verdachte de aanwezigheid van een psychiatrische stoornis niet kan worden aangetoond. Derhalve is het verweer van de raadsvrouw, naar het oordeel van de rechtbank, feitelijk niet aannemelijk geworden.

STRAFBAARHEID

Het bewezene levert op:

moord

strafbaar gesteld bij artikel 289 van het Wetboek van Strafrecht.

Zoals hierboven vermeld is door het PBC onderzoek gedaan naar de persoon van de verdachte. De deskundigen van het PBC concluderen dat bij verdachte geen gebrekkige ontwikkeling van de geestvermogens en/of ziekelijke stoornis aangetoond kan worden. Zij adviseren de rechtbank om verdachte als volledig toerekeningsvatbaar te beschouwen.

De rechtbank neemt deze conclusie en het daaruit voortvloeiende advies op de in de rapportage daarvoor bijeengebrachte gronden over en maakt het oordeel van de deskundigen tot het hare.

De verdachte is deswege strafbaar, nu geen feiten of omstandigheden gebleken zijn die die strafbaarheid zouden opheffen of uitsluiten.

OPLEGGING VAN STRAF OF MAATREGEL

De rechtbank heeft de op te leggen straf bepaald op grond van de aard en ernst van het feit, de omstandigheden waaronder dit feit is begaan en de persoon van verdachte. Daarbij heeft de rechtbank in het bijzonder het navolgende in aanmerking genomen.

Verdachte heeft zich schuldig gemaakt aan moord. Hij heeft het leven van mevrouw [***], die als onderhuurster in zijn woning verbleef, op gruwelijke wijze beëindigd door met een mes haar keel door te snijden.

Na de moord is verdachte op koelbloedige wijze bezig geweest met het uitwissen van de sporen van zijn daad.

Het gedrag van verdachte getuigt van disrespect voor het leven van een ander.

Deze daad is – zoals bij de overwegingen van de rechtbank omtrent de strafbaarheid reeds weergegeven - verdachte ten volle aan te rekenen.

Moord behoort tot de meest ernstige delicten die onze rechtsorde kent; het recht op leven tot de sterkste rechten waarvoor diezelfde rechtsorde opkomt. Dat rechtvaardigt een langdurige gevangenisstraf, zowel uit het oogpunt van vergelding als uit generaal preventief oogpunt.

De rechtbank is van oordeel dat de verdachte voor zijn daad niet anders gestraft kan worden dan met een langdurige gevangenisstraf. De rechtbank heeft bij de bepaling van de duur van de gevangenisstraf aansluiting gezocht bij de eis van officier van justitie. De rechtbank ziet geen aanleiding daarvan af te wijken.

De oplegging van de straf is, behalve op de reeds aangehaalde wettelijke voorschriften, gegrond op de artikelen 10 en 27 van het Wetboek van Strafrecht.

Benadeelde partij

Bij het onderzoek ter terechtzitting is komen vast te staan, dat de benadeelde partij [***] rechtstreeks schade heeft geleden ten gevolge van het ten laste van verdachte bewezen verklaarde feit, aangezien hij de kosten van de crematie en van het overbrengen van de as van zijn ex-vrouw naar het geboorteland China heeft gedragen.

De hoogte van die schade is, gelet op het voegingsformulier en de daarbij gevoegde bijlagen, genoegzaam komen vast te staan tot een bedrag van € 6152,--, vermeerderd met de kosten van tenuitvoerlegging die -tot op heden- worden begroot op nihil.

De vordering van de benadeelde partij, die in die vordering ontvankelijk is, is in dier voege toewijsbaar.

De rechtbank zal voorts terzake van het ten laste van verdachte bewezen verklaarde feit aan de verdachte op de voet van artikel 36f van het Wetboek van Strafrecht de verplichting opleggen tot betaling aan de Staat van bovengenoemde geldsom van € 6152,-- ten behoeve van [***].

BESLISSING

Het ten laste gelegde is bewezen zoals hiervoor aangegeven en levert het strafbare feit op, zoals hiervoor vermeld. De verdachte is deswege strafbaar.

Het meer of anders ten laste gelegde is niet bewezen en de verdachte wordt daarvan vrijgesproken.

De rechtbank veroordeelt de verdachte tot een gevangenisstraf voor de duur van 12 jaren.

De tijd, door de verdachte vóór de tenuitvoerlegging van deze uitspraak in verzekering en voorlopige hechtenis doorgebracht, zal bij de tenuitvoerlegging van de opgelegde gevangenisstraf in mindering worden gebracht.

De rechtbank veroordeelt de verdachte tot betaling aan de benadeelde partij [***], wonende te [***], van een bedrag van € 6152,-- (zegge: zesduizend honderdtweeënvijftig euro).

De verdachte wordt voorts veroordeeld in de kosten, door de benadeelde partij gemaakt, tot op heden begroot op nihil, en ten behoeve van de tenuitvoerlegging nog te maken.

De rechtbank legt op aan verdachte de verplichting tot betaling aan de Staat van een bedrag, groot € 6152,--, ten behoeve van het slachtoffer [***], bij gebreke van betaling en verhaal te vervangen door 60 dagen hechtenis.

De rechtbank bepaalt dat, indien verdachte heeft voldaan aan zijn verplichting tot betaling aan de Staat daarmee zijn verplichting tot betaling aan de benadeelde partij inzoverre komt te vervallen en andersom dat, indien verdachte heeft voldaan aan zijn verplichting tot betaling aan de benadeelde partij daarmee zijn verplichting tot betaling aan de Staat inzoverre komt te vervallen.

Aldus gewezen door mr. G.P. Nieuwenhuis, voorzitter, mrs. M.C.P. de Ridder en

G.E.A. Neppelenbroek, rechters, in tegenwoordigheid van mr. M. Nijhuis als griffier en uitgesproken ter openbare terechtzitting van 30 augustus 2007.