Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBZLY:2007:BB2102

Instantie
Rechtbank Zwolle-Lelystad
Datum uitspraak
07-08-2007
Datum publicatie
22-08-2007
Zaaknummer
07.607011-07
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Inhoudsindicatie

Vrijspraak van moord, veroordeling wegens doodslag. Het slachtoffer is tijdens een schermutseling met een mes neergestoken. Opzet in de vorm van voorwaardelijk opzet. Verwerping van de beroepen op noodweer, noodweerexces en putatief noodweer.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl

Uitspraak

RECHTBANK ZWOLLE – LELYSTAD

Sector Strafrecht – Meervoudige Strafkamer

Parketnummer : 07.607011-07

Uitspraak : 7 augustus 2007

Vonnis in de zaak van:

het openbaar ministerie

tegen

***,

geboren op *** te ***,

wonende te ***,

gedetineerd in ***.

Het onderzoek ter terechtzitting heeft plaatsgevonden op 5 april 2007, 28 juni 2007 en 24 juli 2007. De verdachte is telkens verschenen en is bij laatstgenoemde behandeling bijgestaan door mr. L. de Leon, advocaat te Utrecht.

De officier van justitie, mr. H.H.J. Harmeijer, heeft ter terechtzitting van 24 juli 2007 gevorderd:

- de veroordeling van verdachte ter zake doodslag tot een gevangenisstraf voor de duur van 8 jaren, met aftrek overeenkomstig artikel 27 van het Wetboek van Strafrecht;

- toewijzing van de vordering van de benadeelde partij *** tot het gevorderde bedrag van € 3.433,81, alsmede oplegging van de maatregel tot schadevergoeding ten behoeve van *** tot voornoemd bedrag.

TENLASTELEGGING

De verdachte is ten laste gelegd dat:

(volgt tenlastelegging)

BEWIJS

Voor wat betreft de door verdachte afgelegde verklaringen heeft de rechtbank met name voor het bewijs gebezigd hetgeen verdachte op 4 januari 2007 en op 5 januari 2007 ten overstaan van de politie heeft verklaard, zijnde de eerste twee (inhoudelijke) verklaringen van verdachte na haar aanhouding, welke verklaringen – anders dan de verklaringen na 7 augustus 2007 – ook sporen met de vastgestelde feiten en feitelijkheden. De raadsman heeft weliswaar gesteld dat verdachte bij deze twee verhoren onder druk zou zijn gezet, doch naar het oordeel van de rechtbank is niet gebleken of aannemelijk geworden dat sprake zou zijn geweest van toepassing van een ontoelaatbare verhoormethode, dan wel dat bij deze verhoren anderszins sprake zou zijn geweest van enige onregelmatigheid op grond waarvan deze verklaringen niet tot het bewijs zouden kunnen bijdragen.

Bij de beoordeling van deze zaak gaat de rechtbank uit van de navolgende feitelijke gang van zaken.

Verdachte was samen met haar dochter *** , een andere dochter en een kleindochter in de woning van *** te Almere toen op de voordeur werd geklopt. Verdachte is naar beneden gegaan, heeft de deur geopend en werd direct overrompeld door *** , zijnde de ex-vriendin van *** en het slachtoffer in deze zaak, en een voor verdachte onbekende man, waarbij *** trachtte binnen te komen en waarbij werd geduwd en gescholden. Verdachte heeft kans gezien de deur te sluiten, waarna zij naar boven is gegaan en haar dochter de politie heeft laten waarschuwen. Boven gekomen heeft zij het keukenraam geopend en hoorde zij *** roepen dat zij alleen haar spullen kwam halen, waarmee verdachte en haar dochter *** konden instemmen. Er werd daarna echter zodanig tegen de deur gebonkt en getrapt, dat verdachte in de veronderstelling verkeerde dat *** en de onbekende man de deur hadden ingetrapt en binnen waren gekomen. Omdat verdachte bang was dat haar kinderen of kleinkind iets zou overkomen, heeft zij een mes gepakt teneinde hen tegen *** en de voor haar onbekende man te beschermen. Met het mes in haar hand is zij de trap afgelopen en heeft zij geconstateerd dat de hal beneden leeg was. Om de spullen aan *** te kunnen afgeven, heeft zij vervolgens de deur geopend, waarbij zij het mes in haar rechterhand heeft gehouden om daarmee *** bang te maken en haar ervan te weerhouden binnen te komen. Na het openen van de deur heeft wederom een schermutseling plaatsgevonden, waarbij *** met het mes dodelijk is getroffen.

Gelet op de hiervoor geschetste feitelijke gang van zaken is van kalm beraad en rustig overleg geen sprake geweest, zodat de rechtbank niet bewezen acht dat verdachte het haar verweten feit met voorbedachten rade heeft gepleegd. De rechtbank zal verdachte derhalve vrijspreken van de ten laste gelegde moord.

De rechtbank acht wél wettig en overtuigend bewezen de ten laste gelegde doodslag, met dien verstande dat:

zij op 4 januari 2007 in de gemeente Almere opzettelijk *** van het leven heeft beroofd, immers heeft verdachte met dat opzet die *** met een mes in de buikstreek gestoken, tengevolge waarvan voornoemde *** is overleden.

Ter zake de opzet van verdachte om *** van het leven te beroven, overweegt de rechtbank het volgende. Gelet op de hiervoor omschreven omstandigheden en met name het feit dat verdachte bewust een mes ter hand heeft genomen, vervolgens naar beneden is gegaan en voor de tweede maal de deur heeft geopend, wetende dat *** ook bij het eerste treffen trachtte binnen te komen en een schermutseling is ontstaan, staat naar het oordeel van de rechtbank vast dat verdachte op dat moment willens en wetens de aanmerkelijke kans heeft aanvaard dat *** door verdachte met het mes zou worden geraakt en zou komen te overlijden. In die zin kan naar het oordeel van de rechtbank opzet bewezen worden verklaard in de vorm van voorwaardelijk opzet.

Op grond van de bevindingen van de deskundige dr. ***, arts en patholoog bij het Nederlands Forensisch Instituut te Den Haag, is naar het oordeel van de rechtbank vast komen te staan dat met het mes is gestoken. De door de deskundige *** tijdens de reconstructie geschetste theoretische mogelijkheid dat *** in het mes is gesprongen acht de rechtbank niet aannemelijk, aangezien ze dan van een zekere hoogte, bijvoorbeeld van een

trapje, moet zijn gesprongen. Maar zelfs dan moet verdachte, om een wond als in het lichaam van *** aangetroffen te veroorzaken, met haar steekarm zodanige weerstand hebben geboden dat van steken sprake is.

Van het meer of anders ten laste gelegde zal de verdachte worden vrijgesproken, aangezien de rechtbank dat niet wettig en overtuigend bewezen acht.

STRAFBAARHEID

Het bewezene levert op:

Doodslag, strafbaar gesteld bij artikel 287 van het Wetboek van Strafrecht.

De raadsman heeft verzocht verdachte te ontslaan van alle rechtsvervolging op grond van noodweer, subsidiair noodweerexces. De raadsman heeft daartoe aangevoerd dat het voor verdachte noodzakelijk was zich te verdedigen tegen de ogenblikkelijke en wederrechtelijke aanval van haar lijf of van dat van haar dochters of kleinkind, althans dat de verdediging van verdachte was terug te voeren op de hevige gemoedsbeweging welke was ontstaan door deze aanval van *** en de dreiging die daaruit sprak. Meer subsidiair heeft de raadsman een beroep gedaan op afwezigheid van alle schuld in de vorm van putatief noodweer. Daartoe is aangevoerd dat verdachte inmiddels bekend was geworden met de reputatie van *** en wist dat zij eerder anderen met een mes had bedreigd, in combinatie met de bedreigende situatie in de hal.

De rechtbank is van oordeel dat nu verdachte – zoals hiervoor reeds is overwogen – zélf de confrontatie met *** is aangegaan en zich aldus in deze situatie heeft begeven, niet gesteld kan worden dat verdachte zich noodzakelijk heeft moeten verdedigen tegen een ogenblikkelijke wederrechtelijke aanranding van haar lijf of van dat van haar dochters of kleinkind. Nu de noodzaak tot verdediging heeft ontbroken en er derhalve geen sprake is geweest van een noodweer situatie, kan evenmin sprake zijn geweest van overschrijding van de grenzen van een noodzakelijke verdediging als gevolg van een hevige gemoedsbeweging aan de zijde van verdachte (noodweerexces). Onder voornoemde omstandigheden kan evenmin worden gesteld dat verdachte ten onrechte heeft gemeend zich te moeten verdedigen en dat haar in deze geen enkel redelijk verwijt te maken valt.

Gelet op het hiervoor overwogene dienen de beroepen op noodweer, noodweerexces, althans putatief noodweer te worden verworpen.

Het feit en de verdachte zijn strafbaar, nu ook overigens geen feiten of omstan¬dig¬heden gebleken zijn die die strafbaarheid zouden opheffen of uitsluiten.

OPLEGGING VAN STRAF OF MAATREGEL

Gelet op de aard en de ernst van het bewezen en strafbaar verklaarde, op de omstandigheden waaronder verdachte zich daaraan heeft schuldig gemaakt en op de persoon van verdachte, zoals van een en ander uit het onderzoek ter terechtzitting is gebleken, acht de rechtbank de na te noemen beslissing passend.

De rechtbank is in dit geval van oordeel dat een geheel onvoorwaardelijke vrijheidsstraf van na te melden duur noodzakelijk is, omdat aard en ernst van het bewezen en strafbaar verklaarde door een lichtere strafrechtelijke afdoening van de zaak miskend zouden worden. Bijzondere omstandigheden die tot een ander oordeel zouden moeten voeren, acht de rechtbank niet aanwezig.

Bij haar beslissing heeft de rechtbank rekening gehouden met:

- een de verdachte betreffend uittreksel justitiële documentatie d.d. 3 juli 2007;

- een voorlichtingsrapport d.d. 13 april 2007, uitgebracht door *** , reclasseringswerker van Reclassering Nederland, Unit Zwolle.

De oplegging van straf of maatregel is, behalve op de reeds aangehaalde wettelijke voorschriften, gegrond op de artikelen 10, 27 en 36f van het Wetboek van Strafrecht.

Benadeelde partij

Voor aanvang van de terechtzitting heeft *** zich als benadeelde partij in dit geding gevoegd en een vordering ingediend tot vergoeding van schade ten gevolge van het aan verdachte ten laste gelegde feit. De hoogte van die schade wordt door de benadeelde partij begroot op een bedrag van € 3.433,81.

Bij het onderzoek ter terechtzitting is komen vast te staan dat de benadeelde partij *** rechtstreeks schade heeft geleden ten gevolge van het bewezen verklaarde feit. De hoogte van die schade is genoegzaam komen vast te staan tot een bedrag van € 3.433,81, vermeerderd met de kosten die – tot op heden – worden begroot op nihil.

De vordering van de benadeelde partij, die in die vordering ontvankelijk is, is in dier voege toewijsbaar.

De rechtbank zal voorts aan de verdachte op de voet van artikel 36f van het Wetboek van Strafrecht de verplichting opleggen tot betaling aan de Staat van een geldsom van € 3.433,81 ten behoeve van *** voornoemd.

BESLISSING

Het ten laste gelegde is bewezen zoals hiervoor aangegeven en levert het strafbare feit op, zoals hiervoor vermeld. De verdachte is deswege strafbaar.

Het meer of anders ten laste gelegde is niet bewezen en de verdachte wordt daarvan vrijgesproken.

De rechtbank veroordeelt de verdachte tot een gevangenisstraf voor de duur van 6 jaren.

De tijd, door de verdachte vóór de tenuitvoerlegging van deze uitspraak in verzekering en voorlopige hechtenis doorgebracht, zal bij de tenuitvoerlegging van de opgelegde gevangenisstraf in mindering worden gebracht.

De rechtbank veroordeelt de verdachte tot betaling aan de benadeelde partij ***, van een bedrag van € 3.433,81 (zegge: drieduizend vierhonderddrieëndertig euro en eenentachtig cent), met veroordeling tevens van verdachte in de kosten door de benadeelde partij gemaakt, tot op heden begroot op nihil, en ten behoeve van de tenuitvoerlegging nog te maken.

De rechtbank legt op aan verdachte de verplichting tot betaling aan de Staat van een bedrag groot € 3.433,81 ten behoeve van *** voornoemd, bij gebreke van betaling en verhaal te vervangen door 68 dagen hechtenis.

De rechtbank bepaalt dat, indien verdachte heeft voldaan aan de verplichting tot betaling aan de Staat, daarmee haar verplichting tot betaling aan de benadeelde partij *** in zoverre komt te vervallen en andersom dat, indien verdachte heeft voldaan aan haar verplichting tot betaling aan de benadeelde partij *** , daarmee haar verplichting tot betaling aan de Staat in zoverre komt te vervallen.

Aldus gewezen door mr. H.Th. Pos, voorzitter, mrs. S.E. Bins-van Waegeningh en H.J. Buijsman, rechters, in tegenwoordigheid van mr. F.R. Horst, griffier, en uitgesproken ter openbare terechtzitting van 7 augustus 2007.