Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBZLY:2007:BB0205

Instantie
Rechtbank Zwolle-Lelystad
Datum uitspraak
18-07-2007
Datum publicatie
24-07-2007
Zaaknummer
Awb 07/162 AWBZ
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Socialezekerheidsrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - enkelvoudig
Inhoudsindicatie

Verweerder heeft een indicatie gegeven voor Huishoudelijke Verzorging, klasse 3 (4 - 6,9 uur) met een geldigheidsduur van 3 februari 2005 tot 3 mei 2005 in de vorm van een persoongebonden budget.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl

Uitspraak

RECHTBANK ZWOLLE-LELYSTAD

Sector Bestuursrecht, Enkelvoudige Kamer

Registratienummer: Awb 07/162 AWBZ

Uitspraak

in het geding tussen:

[eiseres],

wonende te [woonplaats], eiseres,

gemachtigde: M.J.M. Gorter-Hogenbirk, sociaal raadsvrouw ANGO te Amersfoort,

en

het bestuur van de Stichting Centrum Indicatiestelling Zorg,

regio Zwolle, verweerder.

1. Procesverloop

Bij besluit van 3 februari 2005 heeft verweerder een indicatie gegeven voor Huishoudelijke Verzorging, klasse 3 (4 - 6,9 uur) met een geldigheidsduur van 3 februari 2005 tot 3 mei 2005 in de vorm van een persoongebonden budget.

Tegen dit besluit is op 3 maart 2005 een bezwaarschrift ingediend.

Bij besluit van 20 maart 2006 is dit bezwaarschrift ongegrond verklaard.

Tegen dit besluit is op 27 april 2006 beroep ingesteld. Dit beroep is geregistreerd onder procedurenummer Awb 06/1017 AWBZ.

De rechtbank heeft dit beroep bij uitspraak van 8 december 2006 gegrond verklaard en heeft verweerder opgedragen een nieuw besluit op het bezwaarschrift te nemen.

Bij besluit van 14 december 2006 is het bezwaarschrift opnieuw ongegrond verklaard.

Tegen dit besluit is op 16 januari 2007 beroep ingesteld. Dit beroep is geregistreerd onder procedurenummer AWB 07/162 AWBZ en thans aan de orde.

Verweerder heeft op 4 mei 2007 een verweerschrift ingediend.

Het beroep is op 5 juli 2007 ter zitting behandeld.

Eiseres is in persoon verschenen, bijgestaan door haar gemachtigde, voornoemd.

Verweerder heeft zich doen vertegenwoordigen door mr. P.I. Algoe en M. Ebbens. Tevens is aanwezig B. Bosch, arts.

2. Overwegingen

In haar uitspraak van 8 december 2006 heeft de rechtbank onder meer vastgesteld dat zowel het primaire besluit als de beslissing op bezwaar namens verweerder zijn ondertekend door J.S.C.G.N.M. Verhagen, directeur van de regio Zwolle. De rechtbank heeft in haar uitspraak overwogen dat weliswaar conform het bepaalde in het op 20 december 2004 door verweerder vastgestelde Mandaatbesluit Indicatiestelling is, doch dat dit in strijd moet worden geacht met artikel 10:3, derde lid van de Algemene wet bestuursrecht (Awb). In dit artikel is bepaald dat mandaat tot het beslissen op een bezwaarschrift niet wordt verleend aan degene, die het besluit waartegen het bezwaar zich richt, krachtens mandaat heeft genomen.

De rechtbank stelt vast dat het nieuwe besluit op bezwaar opnieuw is ondertekend door voornoemde directeur. De Mandaat- en afdoeningsregeling indicatiestelling van 23 maart 2006 waarbij het Mandaatbesluit Indicatiestelling is ingetrokken, bepaalt dat de bevoegdheid om op een bezwaarschrift te beslissen niet toekomt aan degene, die betrokken is geweest bij de eerste aanvraag of die ondergeschikt is aan een van diegenen, die betrokken is geweest bij de eerste aanvraag. Vastgesteld moet dan ook worden dat de directeur van de regio Zwolle niet bevoegd was op het bezwaarschrift te beslissen en dat het bestreden besluit van 14 december 2006 derhalve (opnieuw) dient te worden vernietigd.

Aangezien verweerder in beroep heeft laten weten het bestreden besluit voor zijn rekening te nemen, zal de rechtbank nagaan of dat besluit inhoudelijk wel stand houdt en of gelet daarop de rechtsgevolgen van het vernietigde besluit met toepassing van artikel 8:72, derde lid, van de Awb in stand gelaten kunnen worden.

Het beroep heeft betrekking op het feit dat eiseres nog slechts (bij wijze van overgangsperiode) gedurende 3 maanden een indicatie heeft gekregen voor huishoudelijke hulp (waarna zij niet meer voor die indicatie in aanmerking komt).

De rechtbank gaat bij de beoordeling uit van de volgende feiten en omstandigheden.

Eiseres, geboren op [...] 1962, woont samen met haar echtgenoot op een landelijk gelegen boerderij met (hobby)dieren. Ten gevolge van MS is eiseres niet in staat tot het verrichten van zwaar huishoudelijk werk. De echtgenoot van eiseres heeft een fulltime baan in Apeldoorn. In verband met de beperkingen van eiseres is in het verleden een persoonsgebonden budget voor huishoudelijke verzorging toegekend voor, laatstelijk, 4 uur per week. Deze indicatie was geldig tot 25 februari 2005. In de eerste helft van 2004 is de echtgenoot van eiseres drie maanden arbeidsongeschikt geweest vanwege (vermeende) hartklachten, vermoeidheid en hoge bloeddruk. Sinds juni 2004 is de echtgenoot van eiseres weer volledig aan het werk. Op 2 december 2004 heeft eiseres een (vervolg)indicatie aangevraagd. Hierna heeft besluitvorming plaatsgevonden als weergegeven in rubriek 1 van deze uitspraak.

De rechtbank overweegt als volgt.

Verweerder heeft het primaire besluit gebaseerd op het beleid, sedert oktober 2003 neergelegd in het “Werkdocument Gebruikelijke Zorg” (verder te noemen: het Werkdocument). In het bestreden besluit is vermeld het sedert april 2005 vigerende “Protocol Gebruikelijke Zorg”, (verder te noemen: het Protocol).

Beide beleidsstukken komen inhoudelijk op hetzelfde neer, zoals ook is bevestigd door de vertegenwoordigers van verweerder tijdens de behandeling ter zitting van 9 november 2006 van de zaak met procedurenummer Awb 06/1017 AWBZ.

Ingevolge het Werkdocument is de leefeenheid van een zorgvrager primair verantwoordelijk voor het functioneren van het huishouden. Indien de leefeenheid van de zorgdrager bestaat uit volwassen, gezonde huisgenoten, betekent dit dat verweerder er vanuit gaat dat alle huishoudelijke taken van de zorgvragen worden overgenomen door die huisgenoten. In individuele gevallen kan van dit uitgangspunt worden afgeweken indien gezondheidsproblemen en psychische of fysieke (dreigende) overbelasting aan de orde zijn bij degene van wie verwacht wordt dat hij de taken overneemt.

Uit het Werkdocument blijkt onder andere dat de woonsituatie, respectievelijk afgelegen wonen relevant is voor het vaststellen van de draaglast en dat in het kader van te onderzoeken overbelasting nervositeit, vermoeidheid, hoge bloeddruk en gespannen spieren in de schoudergordel en rug signalen van overbelasting zijn.

Ook in het Protocol (pag 24) is vermeld dat een van de redenen om in de individuele situatie af te wijken van de algemene regels is, dat degene van wie wordt verwacht dat hij taken overneemt, reeds overbelast dreigt te raken. Het gaat dan over het (on)evenwicht tussen draagkracht en draaglast.

Een van de factoren die van invloed zijn op de draaglast wordt gevormd door de woonsituatie.

In het Protocol is voorts onder andere vermeld dat de huisgenoot/partner altijd persoonlijk moet worden gehoord en voorts dat, ook bij gebruikelijke zorg altijd moet worden beoordeeld of alsnog een overbelasting dreigt door de combinatie van werk en zorg.

In haar uitspraak van 8 december 2006 heeft de rechtbank geoordeeld dat onvoldoende is onderzocht of en gemotiveerd dat bij de echtgenoot van eiseres geen sprake is van dreigende overbelasting. Daarbij heeft de rechtbank overwogen dat de echtgenoot van eiseres niet is gehoord, dat de woonsituatie van eiseres niet goed is onderzocht en dat niet is onderzocht of de tijdsbesteding in verband met werk de echtgenoot van eiseres niet in de weg staat aan het verrichten van huishoudelijke taken. De rechtbank heeft het besluit van 20 maart 2006 wegens strijd met artikel 3:2 en 7:12 van de Algemene wet bestuursrecht vernietigd en verweerder opgedragen een nieuw besluit op het bezwaar te nemen met inachtneming van de uitspraak.

Verweerder heeft berust in deze uitspraak en derhalve ook in de redengevende overwegingen.

Desondanks heeft verweerder zich beperkt tot alleen het laten verrichten van een onderzoek naar de belastbaarheid van de echtgenoot van eiseres, zonder daarin te betrekken de concrete woonsituatie van eiseres en haar echtgenoot, waarover later meer.

Op 5 december 2006 is rapport uitgebracht door CIZ-arts B. Bosch. Deze arts heeft de echtgenoot van eiseres, de heer [echtgenoot], gehoord en heeft telefonisch overleg gepleegd met de huisarts en fysiotherapeut/manueel therapeut van de echtgenoot van eiseres, de heer G. Reinders. De CIZ-arts Bosch heeft geconcludeerd dat bij de heer [echtgenoot] sprake is van chronische stress, zowel professioneel als microsociaal, onbehandelde hypertensie en recente rugpijn ten gevolge van standsafwijking wervelkolom en surmenage. De eenmalige behandeling door de manuele therapeut en eigen oefeningen kunnen niet effectief genoemd worden voor zijn klachten. Hij is gezien zijn klachten onderbehandeld en niet uitbehandeld. Hij wordt niet zozeer op zijn werk als wel in zijn complexe huis- en woonomgeving aanzienlijk meer belast. De indruk is dat redelijkerwijs de gebruikelijke zorg wel uitvoerbaar zou moeten zijn, indien hij met zijn vrouw in een eengezinswoning zou wonen.

Met het vorenstaande is naar het oordeel van de rechtbank alsnog voldaan aan het vereiste dat de partner gehoord dient te worden ten einde te bezien of geen overbelasting dreigt.

Eiseres woont met haar man evenwel niet in een eengezinswoning, doch in een vrij afgelegen boerderij, alwaar men een aantal dieren houdt. De vraag is welke consequenties dit moet hebben bij de beoordeling van het bestreden besluit.

Voorts staat vast dat de heer [echtgenoot] een baan heeft in een omvang van 40 uur per week en dat hij daarnaast 10 uur per week kwijt is aan reistijd.

Zoals hiervoor overwogen, heeft verweerder, ondanks het feit dat verweerder in de uitspraak van de rechtbank heeft berust, gemeend geen onderzoek naar de woonsituatie te hoeven verrichten. Naar het oordeel van verweerder is sprake van een inadequate woonsituatie, nu deze woonsituatie veel extra werk oplevert voor de echtgenoot van eiseres.

Deze extra werkzaamheden zijn niet onder verantwoordelijkheid van de AWBZ te verhalen. Ter zitting is gesteld dat in het geheel niet terzake doende is waar eiseres en haar man wonen. Dat betreft hun eigen keuze.

Ondanks hetgeen in de uitspraak van de rechtbank is overwogen inzake een noodzakelijk onderzoek naar de woonsituatie, heeft verweerder zich dan ook niet afgevraagd welke werkzaamheden in welke omvang te maken hebben met het houden van dieren, respectievelijk de gekozen leefwijze en welke werkzaamheden puur te maken hebben met het feit dat men afgelegen woont, aan een zandweg en mogelijkerwijs in een huis dat door zijn aard meer werk meebrengt.

De rechtbank stelt voorop verweerder te kunnen volgen in zijn visie, zoals neergelegd in Werkdocument en Protocol, dat iedere volwassen burger wordt verondersteld naast een volledige baan of opleiding een huishouden te kunnen voeren.

De rechtbank stelt echter vast, dat verweerder wel degelijk is gehouden om zich een oordeel te vormen omtrent de vraag of de echtgenoot van eiseres dreigt overbelast te worden door de combinatie van zijn werk, inclusief reistijd -waarvan eiseres door gemachtigde niet weersproken, heeft gesteld dat de echtgenoot redelijkerwijs niet van baan kan veranderen- en het door hem te verrichten huishoudelijke werk en dus of er reden bestaat om tot een uitzondering op de hoofdregel te komen en dat daarbij de woonsituatie een van de relevante aspecten vormt.

Verweerders standpunt dat met de feitelijke woonsituatie geen rekening hoeft te worden gehouden omdat die situatie het gevolg is van een eigen keuze, is in rechte niet houdbaar. Ingevolge verweerders eigen, hiervoor genoemd, beleid, heeft verweerder rekening te houden met de woonsituatie. Dat is de feitelijke woonsituatie en niet de fictieve woonsituatie. De wijze waarop verweerder het eigen beleid leest, maakt dat de zinsnede omtrent het belang van de woonsituatie bij het bepalen van dreigende overbelasting, een dode letter zou zijn.

Ook in het bepaalde in het door verweerder genoemde artikel 2, derde lid van het Besluit zorgaanspraken AWBZ (BZA), vermag de rechtbank niet te lezen dat bij de beoordeling van een dreigende overbelasting zou moeten worden uitgegaan van een fictieve woonsituatie omdat die doelmatiger zou zijn.

Uit het zich onder de gedingstukken bevindende overzicht van de huiselijke werkzaamheden van de heer [echtgenoot] blijkt dat hij –anders dan wanneer men in bijvoorbeeld een eengezinswoning zou wonen- veel tijd kwijt is aan de verzorging van de boerderijdieren en de twee honden alsmede aan de consequenties van de gekozen leefwijze. Ook in de verklaring d.d. 3 maart 2005 van de hulp, mw. [...], wordt onder meer gerept van schoonmaakwerk dat verband houdt met het feit dat er dieren worden gehouden.

De vraag is evenwel of die tijd mee in aanmerking genomen moet worden bij de vaststelling van een dreigende overbelasting in het kader van de toepassing van de AWBZ.

Gelet op de beschikbare medische rapportages is de rechtbank, evenals verweerder, van mening dat de omvang van de betaalde arbeid die de heer [echtgenoot] verricht, inclusief de reistijd, niet van dien aard is dat dit reeds in de weg staat aan het verrichten van de gebruikelijke huishoudelijke werkzaamheden. Dat de CIZ-arts, gelet op de reactie van de heer Reinders d.d. 6 juni 2007, kennelijk ten onrechte heeft gemeend dat de heer [echtgenoot] slechts eenmalig en derhalve onvoldoende, is behandeld, doet daar niet aan af. In elk geval heeft eiseres geen medische verklaring ingezonden, waaruit blijkt dat haar echtgenoot niet het gebruikelijke huishoudelijke werk zou kunnen verrichten, indien men niet in de afgelegen hobbyboerderij zou wonen.

Ingevolge de toelichting bij het Werkdocument/Protocol worden onder huishoudelijke taken gerekend:

- niet-uitstelbare taken, zoals maaltijd verzorgen, de kinderen aan- en uitkleden, in bad doen en naar bed brengen, afwassen en opruimen;

- wel-uitstelbare taken, zoals boodschappen doen, wasverzorging, zwaar huishoudelijk werk: stofzuigen, sanitair, keuken, bedden verschonen.

De werkzaamheden die de heer [echtgenoot] verricht ter verzorging van de bij de woning aanwezige dieren moeten naar het oordeel van de rechtbank worden aangemerkt als hobbymatige activiteiten. Het beoefenen van vrijetijdsbesteding is evenwel geen reden om een indicatie te geven voor gebruikelijke huishoudelijke taken.

Door eiseres is weliswaar gesteld dat het wonen in juist deze omgeving en met de dieren voor haar ziektebeeld gunstig is -waarmee zij in feite een beroep doet op een medische indicatie voor deze leefwijze- doch eiseres heeft geen medische stukken ingezonden, waaruit blijkt dat op medisch objectiveerbare gronden eiseres is aangewezen op het wonen op de boerderij met dieren.

De rechtbank merkt in dit verband op dat de huishoudelijke taken zonodig voor dienen te gaan op de vrijetijdsbesteding.

Van belang is voorts dat ingevolge het werkdocument (en ook het protocol) bij de indicatie geen onderscheid wordt gemaakt naar sekse, religie, cultuur, vrije tijdsbesteding of wijze van inkomensverwerving van de leefeenheid. In het Protocol is hieraan toegevoegd dat een ieder gelijke aanspraken op AWBZ-zorg maakt.

De rechtbank is van oordeel dat ook de tijd die het kost om de gekozen leefwijze te volgen (vegetarisch eten, eigen brood bakken, verder weg gelegen winkels bezoeken etc.), buiten beschouwing moet worden gelaten, nu, hoe begrijpelijk ook dat eiseres alles doet waarvan zij het gevoel heeft dat het haar goed doet, ook hieromtrent geen medische onderbouwing is ingezonden, waaruit de noodzaak hiervoor blijkt.

De rechtbank is dan ook van oordeel dat, voor zover er (extra) tijd gemoeid is met bovenstaande activiteiten, deze niet mee kunnen tellen voor de beoordeling of de echtgenoot van eiseres overbelast dreigt te worden.

Echter, het laat zich indenken dat ook het pure feit dat men in een landelijk buitengebied woont in een boerderij en aan een zandweg, op zichzelf ook meer werk teweeg brengt dan wanneer men in een eengezinswoning woont in een woonkern.

Dit deel van mogelijk extra werk is wel relevant voor de vraag in hoeverre de echtgenoot overbelast dreigt te worden.

Verweerder heeft dan ook ten onrechte nagelaten eerst een onderzoek te verrichten naar aard en omvang van deze werkzaamheden. Pas daarna had aan de CIZ-arts de vraag voorgelegd dienen te worden in hoeverre de echtgenoot al dan niet overbelast zou dreigen te raken door deze extra werkzaamheden.

Nu verweerder dat heeft nagelaten, moet geconcludeerd worden dat verweerder wederom in strijd is gekomen met het bepaalde in artikelen 3:2 en 7:12, eerste lid van de Awb. De rechtbank zal het beroep van eiseres gegrond verklaren, het bestreden besluit vernietigen en verweerder opdragen een nieuw besluit op het bezwaar te nemen met inachtneming van hetgeen in deze uitspraak is overwogen.

De rechtbank acht voldoende termen aanwezig om verweerder met toepassing van artikel 8:75 van de Awb te veroordelen in de kosten die eiseres in verband met het instellen van beroep redelijkerwijs heeft moeten maken. Het bedrag van de te vergoeden kosten moet naar het oordeel van de rechtbank met inachtneming van de wegingsfactor gemiddeld voor het gewicht van de onderhavige beroepszaak worden bepaald op € 644,-- (1 punt voor het beroepschrift - 1 punt voor het verschijnen ter zitting x € 322,-- x wegingsfactor 1). Voorts bestaat aanleiding te bepalen dat het door eiseres betaalde griffierecht ad € 38,-- wordt vergoed.

3. Beslissing

De rechtbank:

- verklaart het beroep gegrond en vernietigt het bestreden besluit;

- draagt verweerder op een nieuw besluit op het bezwaarschrift te nemen met inachtneming van hetgeen in deze uitspraak is overwogen;

- veroordeelt verweerder in de kosten die eiseres in verband met de behandeling van het beroep heeft moeten maken tot op heden begroot op € 644,--, te betalen door het CIZ aan eiseres;

- gelast dat het CIZ aan eiseres het door haar betaalde griffierecht ad € 38,-- vergoedt.

Deze uitspraak is gedaan door mr. M.I. Lammertsma-van der Heij en in het openbaar uitgesproken in tegenwoordigheid van W. Veldman als griffier, op 18 juli 2007

Afschrift verzonden op:

Rechtsmiddel

Tegen deze uitspraak staat voor een belanghebbende en het bestuursorgaan hoger beroep open. Dit dient te worden ingesteld binnen zes weken na de datum van verzending van deze uitspraak door een beroepschrift en een kopie van deze uitspraak te zenden aan de Centrale Raad van Beroep, Postbus 16002, 3500 DA Utrecht.