Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBZLY:2007:BA9863

Instantie
Rechtbank Zwolle-Lelystad
Datum uitspraak
22-02-2007
Datum publicatie
18-07-2007
Zaaknummer
128761 / KG ZA 07-35
Rechtsgebieden
Civiel recht
Bijzondere kenmerken
Kort geding
Inhoudsindicatie

Opzegging bedrijfspolis in verband met hennepkwekerij. Risicoverzwaring.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

vonnis

RECHTBANK ZWOLLE-LELYSTAD

Sector civiel recht

zaaknummer / rolnummer: 128761 / KG ZA 07-35

Vonnis in kort geding van 22 februari 2007

in de zaak van

de besloten vennootschap met beperkte aansprakelijkheid

[eiseres].,

gevestigd te Tilburg,

eiseres,

procureur mr. H.R. Quint,

advocaat mr. R.B. Milo te Tilburg,

tegen

de naamloze vennootschap

ABN AMRO SCHADEVERZEKERING N.V.,

gevestigd te Zwolle,

gedaagde,

procureur mr. M.F.H.M. van Haastert,

Partijen zullen hierna [eiseres] en ABN Amro Schadeverzekering genoemd worden.

1. De procedure

1.1. Het verloop van de procedure blijkt uit:

- de dagvaarding

- de mondelinge behandeling

- de pleitnota van [eiseres]

- de akte tot rectificatie namens eisende partij tevens akte tot vermeerdering van eis

- de pleitnota van ABN Amro Schadeverzekering.

1.2. Ten slotte is vonnis bepaald.

2. De feiten

2.1. Tussen partijen is op 14 mei 1998 een verzekeringsovereenkomst, aangeduid als bedrijfspolis, gesloten. De verzekeringsovereenkomst heeft betrekking op:

- een aantal gebouwen van [eiseres], waaronder het pand aan de [adres] te [plaats] (verder “het pand”);

- de inventaris van deze gebouwen;

- aansprakelijkheid van [eiseres] jegens derden;

- een auto.

De polisvoorwaarden luiden, voor zover van belang, als volgt:

“2.9.1

De verzekering eindigt door een schriftelijke opzegging door de verzekeraar:

[…]

b. binnen één maand nadat een gebeurtenis die voor verzekeraar tot een uitkeringsverplichting kan leiden, door verzekerde aan verzekeraar is gemeld of nadat de verzekeraar een uitkering krachtens de verzekering heeft gedaan dan wel heeft afgewezen.

De verzekering eindigt op de in de opzeggingsbrief genoemde datum, zij het niet eerder dan twee maanden na de datum van dagtekening van de opzeggingsbrief, behoudens in het geval dat de opzegging verband houdt met de opzet van een verzekerde om de verzekeraar te misleiden.

[…]

e. Na een risicowijziging waarvoor een meldingsplicht bestaat met inachtneming van een opzegtermijn van een maand.

[…]

2.12.4 Indien de aard en/of activiteit van het bedrijf, het beroep van de verzekeringnemer of het gebruik van het omschreven gebouw wijziging ondergaat, is verzekeringnemer verplicht zo spoedig mogelijk verzekeraar van deze wijziging in kennis te stellen, waarna de premie en/of voorwaarden opnieuw zullen worden vastgesteld. Bedoelde mededeling dient in ieder geval binnen twee maanden te worden gedaan.

2.12.5 Verzekeraar heeft de vrijheid binnen twee maanden na ontvangst van de kennisgeving van de risicowijziging verzekeringnemer te berichten de verzekering niet of niet op dezelfde voorwaarden te willen voortzetten.

2.12.6 Is de wijziging niet binnen twee maanden gemeld, dan geldt in geval van schade het volgende:

Indien de verzekeraar aantoont dat hij de verzekering

- tegen een hogere premie zou hebben voortgezet, dan heeft de verzekeraar het recht de schade te vergoeden in dezelfde verhouding als de voor het optreden van de risicowijziging geldende premie staat tot de nieuw te noteren premie;

- tegen gewijzigde voorwaarden zou hebben voortgezet, dan heeft de verzekeraar het recht de schade te vergoeden met inachtneming van deze gewijzigde voorwaarden;

- niet zou hebben voortgezet, dan vervalt alle recht op schadevergoeding.”

2.2. [eiseres] heeft het pand in 2002 in verhuurde staat in eigendom gekocht van de heer [A]. In 2005 was het pand verhuurd aan de heer [B]. Op 21 december 2005 is er een brand geweest in het pand (verder: de eerste brand), waarschijnlijk ontstaan door de aanwezigheid van een hennepkwekerij. Noch van de brand noch van de hennepkwekerij heeft [eiseres] melding gemaakt aan ABN Amro Schadeverzekering. Na dit voorval heeft [eiseres] het huurcontract met [B] beëindigd. Essent heeft haar overeenkomst tot levering van energie ten behoeve van het pand met [eiseres] beëindigd. [eiseres], noch haar (middellijk) directeur [C] is als verdachte aangemerkt. In februari 2006 heeft [eiseres] het pand verhuurd aan de heer [D]. Het contract tot levering van energie is op naam van [D] komen te staan.

2.3. Ten tijde van de eerste brand was de achterzijde van het pand geheel dichtgemetseld en voorzien van isolatiemateriaal en een metalen plaat van ongeveer 8 mm dik, over de gehele lengte en breedte. De kweekruimte en de naastgelegen ruimte waar zich de elektrische installatie bevond, was uitsluitend bereikbaar via een aan het zicht onttrokken onderdoorgang, waarvan de toegang was voorzien van een metalen luik dat met een hangslot kon worden afgesloten. Volgens [C] bestond deze constructie (verder te noemen: de constructie) reeds toen hij het pand in eigendom verwierf. Volgens [A] bestond de constructie nog niet op het moment dat hij het pand aan [eiseres] verkocht.

2.4. Op 4 juli 2006 is er opnieuw brand geweest in het pand (verder te noemen: de tweede brand). De meest waarschijnlijke oorzaak van deze brand is wederom de aanwezigheid van een hennepkwekerij. [D] heeft verklaard dat hij op eigen initiatief de hennepkwekerij heeft aangelegd. [C] (Onroerende Zaken) is niet als verdachte aangemerkt. [eiseres] heeft ABN Amro Schadeverzekering verzocht de door de brand veroorzaakte schade te vergoeden.

2.5. Bij brief van 29 december 2006 heeft ABN Amro Schadeverzekering met onmiddellijke ingang de bedrijfspolis opgezegd. Daarbij heeft ABN Amro Schadeverzekering voorts meegedeeld dat van de opzegging melding zal worden gedaan in het "Systeem Vertrouwelijke Mededelingen en Malusregistratie van het verbond van Verzekeraars".

3. Het geschil

3.1. De (vermeerderde) vordering van [eiseres] strekt ertoe dat de voorzieningenrechter bij vonnis, uitvoerbaar bij voorraad:

1a. ABN Amro Schadeverzekering zal gebieden over te gaan tot intrekking van de eenzijdige beëindiging van de tussen partijen bestaande bedrijfspolis, zoals neergelegd in het schrijven van ABN Amro Schadeverzekering van 29 december 2006 en ABN Amro Schadeverzekering zal gelasten binnen 24 uur na dit vonnis, althans na de betekening daarvan, [eiseres] schriftelijk omtrent die intrekking te berichten, zulks op verbeurte van een dwangsom van EUR 10.000,00 voor iedere dag of gedeelte daarvan dat ABN Amro Schadeverzekering nalaat aan dit vonnis te voldoen;

1b. subsidiair, ABN Amro Schadeverzekering zal veroordelen tot nakoming van de met [eiseres] gesloten bedrijfspolis totdat deze op rechtsgeldige wijze zal zijn geëindigd, alsmede (ter voorkoming van een onduidelijke situatie) ABN Amro Schadeverzekering zal gebieden om binnen 24 uur na dit vonnis, althans na betekening daarvan, aan [eiseres] schriftelijk te bevestigen dat de met haar gesloten bedrijfspolis ook na 29 december 2006 van kracht is gebleven, zulks onder verbeurte van een dwangsom van EUR 10.000,00 voor iedere dag of gedeelte daarvan dat ABN Amro Schadeverzekering nalaat aan dit vonnis te voldoen;

2a. ABN Amro Schadeverzekering zal verbieden tot het doen opnemen in het Systeem Vertrouwelijke Mededelingen en Malusregistratie van het Verbond van Verzekeraars, van de onderhavige opzegging zomede de persoonsgegevens van [eiseres] zulks op verbeurte van een dwangsom van EUR 50.000,00 althans een door de voorzieningenrechter vast te stellen bedrag;

2b. subsidiair, voor zover zou komen vast te staan dat bedoelde opname in genoemd systeem reeds heeft plaatsgehad, zal gebieden de op de onderhavig opzegging betrekking hebbende registratie in voornoemd systeem, in te trekken, althans ongedaan te maken, zulks binnen 24 uur na dit vonnis op verbeurte van een dwangsom van EUR 10.000,00 per dag of een gedeelte daarvan dat ABN Amro Schadeverzekering nalaat aan dit vonnis te voldoen,

3. ABN Amro Schadeverzekering zal verbieden aan derden mededeling te doen omtrent de redenen van eerdergenoemde eenzijdige beëindiging van de bedrijfspolis, zulks op verbeurte van een dwangsom van EUR 10.000,00 per overtreding;

4. ABN Amro Schadeverzekering zal veroordelen tot betaling van een voorschot op de in een bodemprocedure te vorderen vergoeding uit hoofde van de bedrijfspolis, ter hoogte van een bedrag van EUR 43.168,00.

5. ABN Amro Schadeverzekering zal veroordelen in de kosten van dit geding.

3.2. ABN Amro Schadeverzekering voert verweer. Op de stellingen van partijen wordt hierna, voor zover van belang, nader ingegaan.

4. De beoordeling

4.1. In de dagvaarding is als eisende partij [familienaam] Vastgoed B.V. vermeld. Bij akte tot rectificatie is echter meegedeeld dat deze naam abusievelijk is vermeld, het dient [eiseres] te zijn. ABN Amro Schadeverzekering heeft meegedeeld geen bezwaar tegen de wijziging van de naam van eiseres te hebben, zodat in dit vonnis de eisende partij [eiseres] zal worden genoemd.

4.2. Van een spoedeisend belang van [eiseres] bij haar vorderingen is in voldoende mate gebleken.

4.3. De kernvraag in dit geding is of een bodemrechter, indien daarom verzocht, zal oordelen dat ABN Amro Schadeverzekering de bedrijfspolis heeft mogen opzeggen. ABN Amro Schadeverzekering stelt zich daarbij op het standpunt dat zij tot opzegging gerechtigd was op grond van artikel 2.9.1 sub b en sub e van de bedrijfspolis, en voorts op grond van artikel 6:265 BW. [eiseres] stelt zich op het standpunt dat van gronden voor opzegging van de bedrijfspolis niet is gebleken. [eiseres] stelt niet op de hoogte te zijn geweest van de (aanleg van de) eerste hennepkwekerij, en volgens haar was er geen reden ABN Amro Schadeverzekering daarvan op de hoogte te stellen omdat er geen of nauwelijks schade was en - aangezien de hennepkwekerij door de politie is ontmanteld - van risicoverzwaring geen sprake was. Van de tweede hennepkwekerij stelt [eiseres] evenmin op de hoogte te zijn geweest.

4.4. ABN Amro Schadeverzekering heeft gemotiveerd en met stukken onderbouwd uiteengezet dat de constructie nog niet bestond op het moment dat de heer [A] het pand aan [eiseres] verkocht. [A] heeft voor zover van belang het navolgende verklaard:

"Ik ben destijds bij de verkoop ook met de heer [C] door de werkplaats gelopen. In de werkplaats was op dat moment een enkelvoudige wand aanwezig met twee dubbele metalen/stalen deuren. De ruimte daarachter was deels betegeld en bestemd voor onder andere het spuiten van auto's Er moest destijds dus ook een auto deze ruimte in kunnen rijden.

Ik ben nog in het bezit van de bouwtekeningen van de gemeente waarop je kunt zien hoe de situatie en dus de indeling daarvoor was.

Ik heb de werkplaats en de garageboxen met deze indeling verkocht aan de heer [C]. De veranderingen in de werkplaats, zoals u die mij nu laat zien, moeten dus na de verkoop zijn aangebracht".

Aan de verklaring zijn de genoemde bouwtekeningen gehecht. Op de bouwtekeningen blijkt niet van de constructie.

[C] heeft ter zitting verklaard dat de constructie reeds bestond ten tijde van de aankoop door [eiseres].

De voorzieningenrechter ziet evenwel aanleiding om aan de verklaring van de heer [A] meer waarde toe te kennen dan aan de verklaring van [C], nu de verklaring van [A] gedetailleerder is - met name op het punt van de noodzaak dat in de ruimte een auto moest kunnen worden geplaatst- en deze is voorzien van een schriftelijk stuk (de bouwtekening) dat de juistheid van de verklaring lijkt te bevestigen.

4.5. [eiseres] is ten tijde van de eerste brand op de hoogte geraakt van de blijkbaar na de koop door [eiseres] vervaardigde constructie. Mede gelet op de omstandigheid dat de constructie blijkbaar bijzonder geschikt is voor de aanleg van een hennepkwekerij is de voorzieningenrechter voorshands van oordeel dat waarschijnlijk moet worden geacht dat de bodemrechter desverzocht de constructie zal aanmerken als een risicoverzwarende wijziging van het pand. [eiseres] heeft, hoewel daartoe verplicht, echter nagelaten de wijziging te melden dan wel de constructie direct nadat zij daarvan op de hoogte raakte ongedaan te maken.

4.6. Daar komt nog het volgende bij. Vaste rechtspraak is dat een verzekeringnemer ook verplicht is een risicoverzwaring te melden indien deze risicoverzwaring buiten toedoen of medeweten van de verzekeringnemer tot stand is gekomen (HR 1 mei 1998, NJ 1998, 604). Het is op zich juist dat het verhoogde brandgevaar door ontmanteling van de aanvankelijk aangetroffen hennepkwekerij kort na de eerste brand is verdwenen. [eiseres] had echter na de eerste brand op zijn minst moeten begrijpen dat het pand geschikt is voor de aanleg van een hennepkwekerij en had er dus op toe moeten zien dat er niet opnieuw een hennepkwekerij zou worden gevestigd. Dat [eiseres], zoals zij stelt, niet op de hoogte was van de herhaalde aanleg van een hennepkwekerij is, indien van de juistheid daarvan wordt uitgegaan, daarom een omstandigheid die in haar risicosfeer is komen te liggen. Juist gelet op de voorgeschiedenis kon zij er niet zonder meer van uitgaan dat er niet (opnieuw) een hennepkwekerij zou worden aangelegd en had zij een verscherpte verplichting om jegens ABN Amro Schadeverzekering melding te maken van risicoverzwarende omstandigheden. [eiseres] had derhalve als verzekeringnemer de verplichting om de aanleg van de bij de tweede brand aangetroffen hennepkwekerij te melden. Dat geldt temeer nu [eiseres] na de eerste brand een nieuwe huurovereenkomst met een nieuwe huurder is aangegaan en dus eenvoudig een wijze van toezicht had kunnen bedingen die haar zekerheid kon verschaffen met betrekking tot de wijze van gebruik van het pand door de nieuwe huurder en die gelet op de geschetste omstandigheden voor de hand liggende preventie had opgeleverd.

4.7. Het vorengaande brengt mee dat het er voorshands voor moet worden gehouden dat de bodemrechter de opzegging op grond van artikel 2.9.1 sub e in stand zal laten. Voldoende aannemelijk is dat ABN Amro Schadeverzekering, indien zij kennis had gehad van deze risicoverhogende omstandigheden, de bedrijfspolis zou hebben opgezegd, overeenkomstig het bepaalde in artikel 2.12.5 van de bedrijfspolis.

Het niet in acht nemen van de volgens de polisvoorwaarden voorgeschreven opzeggingstermijn van een maand is in dit verband niet (meer) van belang. Immers, aangenomen moet worden dat een bodemrechter desverzocht de termijn zal converteren in een termijn gerekend vanaf een maand na de opzeggingsbrief van 29 december 2006. De alsdan geldende termijn van een maand is reeds verstreken.

4.8. Uit het voorgaande volgt dat de vorderingen onder 1a en 1b, moeten worden afgewezen.

Voorts volgt uit het voorgaande dat voorshands moet worden aangenomen dat opneming in het Systeem Vertrouwelijke Mededelingen en Malusregistratie niet ten onrechte is geschied, zodat eveneens de vordering onder 2a en 2b niet worden toegewezen.

Van een deugdelijke grondslag om tot toewijzing van de vordering onder 3. te kunnen komen is niet gebleken. [eiseres] heeft niet gesteld, en de stukken geven voor een dergelijke conclusie evenmin aanleiding, dat ABN Amro Schadeverzekering anders dan door middel van opneming in voornoemd registratiesysteem dan wel op grond van een wettelijke verplichting, zal overgaan tot mededeling van de reden van opzegging aan derden.

Artikel 2.12.6 (derde gedachtestreepje) van de bedrijfspolis staat, in samenhang met het voorgaande, aan toewijzing van het voorschot - zoals gevorderd onder 4.- in de weg.

4.9. [eiseres] zal als de in het ongelijk gestelde partij in de proceskosten worden veroordeeld. De kosten aan de zijde van Abn Amro Schadeverzekering worden begroot op:

- vast recht EUR 251,00

- overige kosten 0,00

- salaris procureur 904,00

Totaal EUR 1.155,00

5. De beslissing

De voorzieningenrechter

5.1. wijst de vorderingen af,

5.2. veroordeelt [eiseres] in de proceskosten, aan de zijde van Abn Amro Schadeverzekering tot op heden begroot op EUR 1.155,00,

5.3. verklaart dit vonnis wat betreft de kostenveroordeling uitvoerbaar bij voorraad.

Dit vonnis is gewezen door mr. Th.A. Ariëns en in het openbaar uitgesproken op 22 februari 2007.