Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBZLY:2007:BA9846

Instantie
Rechtbank Zwolle-Lelystad
Datum uitspraak
18-07-2007
Datum publicatie
18-07-2007
Zaaknummer
360726
Rechtsgebieden
Civiel recht
Bijzondere kenmerken
Kort geding
Inhoudsindicatie

kantonzaak. Arbeidsrecht en huurrecht; kort geding. Gereformeerde Kerk behoeft geen traktement te betalen nadat, na doorlopen interne procedure, predikant is afgezet door kerkenraad. Tegenvordering tot ontruiming pastorie afgewezen; huurovereenkomst is niet opgezegd.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Prg. 2007, 110
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK ZWOLLE – LELYSTAD

sector kanton – locatie Zwolle

zaaknr.: 360726 VV 07-32

datum : 18 juli 2007

Vonnis in het kort geding van:

ds. [A],

wonende te [woonplaats],

eiser in conventie, verweerder in voorwaardelijke reconventie,

gemachtigde mr. A. Klaassen, advocaat, postbus 1400, 3900 BK Veenendaal,

tegen

het rechtspersoonlijkheid bezittende kerkgenootschap

GEREFORMEERDE KERK KAMPEN-NOORD,

gevestigd te Kampen,

gedaagde in conventie, eiseres in voorwaardelijke reconventie,

gemachtigde mr. P.J. den Boef, advocaat, postbus 74, 3930 EB Woudenberg.

De procedure

De kantonrechter heeft kennisgenomen van:

- het exploot d.d. 26 juni 2007, ten verzoeke van ds. [A] uitgebracht en houdende een vordering tot het treffen van een voorziening bij voorraad in een zaak betreffende de arbeidsovereenkomst en een huurovereenkomst tussen partijen;

- de brief d.d. 2 juli 2007 van de gemachtigde van de Gereformeerde Kerk Kampen-Noord – hierna ook te noemen: de Kerk –, houdende toezending van producties en de aankondiging van een vordering in reconventie.

De mondelinge behandeling heeft plaatsgevonden op 4 juli 2007. Verschenen zijn:

- ds. [A] en mr. Klaassen voornoemd;

- [C], scriba van de kerkenraad van de Kerk, bijgestaan door mr. Den Boef voornoemd.

De Kerk heeft ter zitting een voorwaardelijke vordering in reconventie ingesteld.

Partijen hebben hun standpunten over en weer toegelicht, zulks mede aan de hand van op schrift gestelde pleitaantekeningen.

De kantonrechter heeft tevens kennisgenomen van de stukken betreffende het op 15 september 2006 door ds. [A] tegen onder meer de Kerk aanhangig gemaakte en in juni 2007 ingetrokken kort geding, zaaknr. 330806 VV 06-66.

Het geschil en de beoordeling

In conventie en in voorwaardelijke reconventie

1.

Korte weergave van de geschillen en de verweren

1.1.

De vordering van ds. [A] in conventie strekt ertoe:

i. dat de Kerk aan ds. [A] zal betalen het overeengekomen traktement vanaf 21 oktober 2006 (voor 2006 ad € 4.101,59 bruto excl. 8 % vakantiegeld per maand), vermeerderd met emolumenten en vergoedingen, voor zover van toepassing te vermeerderen met de wettelijke verhoging en vermeerderd met de wettelijke rente over het opeisbare bedrag vanaf 1 november 2006, onder afdracht van de aan de betreffende instanties verschuldigde premies en heffingen, en deze betaling te blijven verrichten tot op het moment dat de overeenkomst op rechtsgeldige wijze is beëindigd;

ii. dat de Kerk op straffe van een dwangsom van € 100.000,-- wordt geboden zich te onthouden van enige ontruimingshandeling terzake van de aan ds. [A] verhuurde woning totdat deze huurovereenkomst op rechtsgeldige wijze zal zijn beëindigd, subsidiair dat de Generale Synode in 2008 zich inhoudelijk heeft uitgesproken over de merites van het besluit tot afzetting.

Ds. [A] heeft de hierna omschreven vordering in voorwaardelijke renconventie bestreden.

1.2.

De Kerk heeft in voorwaardelijke reconventie gevorderd dat ds. [A] wordt veroordeeld om uiterlijk op 1 september 2007 en na betekening van het in deze te wijzen vonnis, de woning aan het [adres] te [woonplaats], te ontruimen, op straffe van een dwangsom van € 2.500,-- per dag(deel) dat ds. [A] hieraan niet voldoet.

De Kerk heeft de vordering van ds. [A] in conventie bestreden. Primair is het standpunt ingenomen dat ds. [A] in zijn vordering niet-ontvankelijkheid dient te worden verklaard, subsidiair dat deze vordering dient te worden afgewezen.

2.

Samenvatting van het oordeel van de kantonrechter

De kantonrechter acht ds. [A] wel ontvankelijk in zijn vordering en komt tot de slotsom dat deze vordering dient te worden afgewezen op het punt van de doorbetaling van het traktement, doch toewijsbaar is voor zover wordt opgekomen tegen de gevorderde ontruiming van de pastorie.

De vordering in reconventie is ingesteld onder de voorwaarde dat ds. [A] in zijn vordering niet niet-ontvankelijk wordt verklaard. Deze voorwaarde wordt vervuld, zodat de kantonrechter zich ook over de vordering van de Kerk dient uit te spreken. De kantonrechter acht deze vordering niet toewijsbaar.

De beoordeling van de vorderingen door de kantonrechter berust op de hierna vermelde overwegingen.

3.

Vaststaande feiten

De kantonrechter kan uitgaan van de volgende feiten:

(i) De betrekking tussen partijen is aangevangen op [datum], met het beroep van de destijds nog niet gesplitste Gereformeerde Kerk (vrijgemaakt) te Kampen op ds. [A] als predikant en het aannemen van dit beroep door ds. [A]. Vanaf 1999 is de gemeente Kampen gesplitst in Kampen-Noord en Kampen-Zuid en is ds. [A] verbonden aan de Gereformeerde Kerk Kampen-Noord.

(ii) In 2002 zijn problemen ontstaan in de onderlinge samenwerking tussen de kerkenraad van Kampen-Noord en ds. [A]. Daarbij kwam een meerderheid van de kerkenraad tegenover ds. [A] en negen andere kerkenraadsleden te staan, nadat de kerkenraad had besloten dat geen ambtsdrager van Kampen-Noord meer zou voorgaan in een kerkdienst van de gemeente. (De meerderheid van) de kerkenraad heeft de Classis Kampen van de Gereformeerde Kerken om tussenkomst verzocht. De Classis heeft op 6 februari 2004 in verband hiermee besloten tot benoeming van een aantal personen met gezag en zeggenschap, om de goede voortgang te dienen van het plaatselijk kerkelijk leven in Kampen-Noord. De tien kerkenraadsleden (incl. ds. [A]) die tegen het besluit van de kerkenraad hadden geappelleerd, hebben op 11 februari 2004 schriftelijk aan de Classis bericht dat ook zij als minderheid het besluit van de Classis aanvaardden voor de behartiging van de hoogstnoodzakelijke kerkenraadszaken. De Classis heeft vervolgens een drietal personen benoemd (Commissie van Drie).

(iii) Op 23 september 2004 heeft de Classis op voorstel van de Commissie van Drie, uitgesproken dat alle leden van de kerkenraad, inclusief de predikant, dienden terug te treden vanwege onvermogen, verstoorde verhoudingen, desintegratie in de gemeente en het ontbreken van andere mogelijkheden. De kerkenraad heeft hierover vergaderd op 24 en 27 september 2004. Ds. [A] en negen kerkenraadsleden (de tien die ook bij de Classis bezwaar hadden gemaakt) hebben zich voor beide vergaderingen afwezig gemeld voor onderling beraad. Tussentijdse verzoeken om toch op de kerkenraadsvergadering(en) aanwezig te zijn wezen zij af. Op de kerkenraadsvergadering van 27 september 2004, waar elf kerkenraadsleden aanwezig waren, werd in navolging van het classisbesluit besloten dat alle kerkenraadsleden, inclusief de predikant zouden terugtreden.

(iv) Ds. [A] en zijn negen medestanders in de kerkenraad hebben tegen het op 27 september 2004 genomen besluit bezwaar ingediend bij de Classis. Ook lichtten negen van deze tien kerkenraadsleden de gemeente in over hun standpunt. Zij nodigden de gemeenteleden uit vanaf 3 oktober 2004 de door hen te beleggen kerkdiensten in het gebouw van de scholengemeenschap Ichthus bij te wonen. Nadien hebben deze tien – voormalige – kerkenraadsleden zich als ‘aangebleven kerkenraad van de Gereformeerde Kerk te Kampen-Noord’ (hierna genoemd: kerkenraad Ichthus) in appel tot de Particuliere Synode gewend tegen het besluit van de classis d.d. 23 september 2004 om terug te treden als kerkenraadslid.

(v) In of omstreeks november 2004 is een nieuwe kerkenraad voor Kampen-Noord aangetreden. Na uitspraak van de Particuliere Synode in appel over het terugtreden van de kerkenraadsleden, heeft onder meer de kerkenraad Ichthus appel ingesteld bij de Generale Synode.

(vi) Op 1 oktober 2005 heeft de Generale Synode de uitspraak van de Classis dat alle toenmalige kerkenraadsleden van Kampen-Noord dienen terug te treden, bevestigd, doch uitsluitend als oordeel, niet als maatregel. De synode heeft voorts uitgesproken dat de aanvaarding van dat oordeel door de (meerderheid van de) kerkenraad op 24 en 27 september 2004, tot effectuering van dat oordeel heeft geleid.

(vii) (Onder meer) ds. [A] heeft herziening gevraagd van deze beslissing.

(viii) Op 29 maart 2006 heeft de nieuwe kerkenraad van Kampen-Noord ds. [A] geschorst. Op 20 oktober 2006 heeft de raad hem, met instemming van de classis en deputaten van de Particuliere Synode, afgezet als predikant.

(ix) Bij brief van 15 februari 2007 heeft de nieuwe kerkenraad van Kampen-Noord aan ds. [A] meegedeeld, dat hij met ingang van 15 augustus 2007 de pastorie moet hebben ontruimd.

(x) De Commissie van Beroep voor predikantszaken heeft op 18 mei 2007 uitspraak gedaan over door de Gereformeerde Kerk Kampen-Noord en ds. [A] aanhangig gemaakte vorderingen, waarbij – voor zover nu van belang – is beslist:

a. De Kerk is niet gehouden tot doorbetaling van het traktement van ds. [A] ná 20 oktober 2006.

b. Toewijzing van het verzoek tot ontruiming door ds. [A] van de pastorie [adres] te [woonplaats], echter met dien verstande dat de uiterlijke datum van ontruiming niet ligt op 15 augustus 2007 maar op 1 september 2007.

(xi) Ingevolge de ‘Regeling van de Commissie van Beroep in predikantszaken’ geldt het volgende bij beroep bij de generale synode:

a. Een belanghebbende kan tegen een uitspraak van de commissie binnen zes weken beroep indienen bij de generale synode.

b. Het beroep schorst niet de werking van de uitspraak van de commissie.

c. Wanneer de generale synode van oordeel is dat de uitspraak van de commissie in strijd is met Schrift en belijdenis dan wel apert onjuist moet worden geacht, wordt het beroep gegrond verklaard. De generale synode kan:

i. de uitspraak van de commissie vernietigen onder regeling – zo nodig – van de rechtsgevolgen van de vernietiging, of

ii. verklaren voor recht dat de uitspraak van de commissie onjuist is.

d. De rechtsgevolgen van de uitspraak van de commissie kunnen door of krachtens een verklaring als bedoeld (onder c-ii.) niet worden aangetast.

e. De generale synode verklaart het beroep niet-ontvankelijk indien de gronden voor het indienen van een beroep ontbreken.

f. In de overige gevallen verklaart de generale synode het beroep ongegrond.

4.

Ontvankelijkheid van ds. [A] in zijn vordering / bevoegdheid kantonrechter

4.1.

Standpunt ds. [A]:

Tegen de zojuist genoemde uitspraak van de Commissie van Beroep is ds. [A] in appel gegaan bij de Generale Synode. Het appel heeft evenwel geen schorsende werking. In appel wordt uitsluitend op ‘strijd met Schrift of belijdenis’ of ‘aperte onjuistheid’ getoetst. De rechtsgevolgen van de uitspraak van de Commissie van Beroep kunnen niet worden aangetast. De mogelijkheid van appel biedt derhalve niet meer dan de mogelijkheid van een marginale toetsing. Voor ds. [A] staat derhalve geen met afdoende waarborgen omklede rechtsgang open.

Ds. [A] en zijn gezin zijn voor hun levensonderhoud volledig afhankelijk van het traktement. De tussenliggende periode is door ds. [A] overbrugd met leningen van derden die de Ichthus-geleding van de Gereformeerde Kerk te Kampen zijn toegedaan, doch dit vormt geen structurele inkomensvoorziening. Met betrekking tot de woonbescherming geldt eveneens dat sprake is van een spoedeisend belang nu de ontruiming op geen enkele andere wijze kan worden tegengegaan dan middels de onderhavige procedure.

4.2.

Standpunt van de Kerk

Ingevolge overeenkomst met de Gereformeerde Kerk Kampen-Noord heeft ds. [A] zich verplicht tot het volgen van de interne, kerkelijke beroepsgangen. Hij heeft zich ook onvoorwaardelijk gebonden aan het Statuut van de GKV. Dat Statuut en de daaruit voortvloeiende Regeling commissie van Beroep in predikantszaken vormen de primaire basis van waaruit de door genoemde Commissie van Beroep over en weer ingestelde vorderingen dienen te worden beoordeeld. Artikel 2, lid 2, Burgerlijk Wetboek bepaalt dat de kerk wordt geregeerd door haar eigen statuut, voor zover dit niet in strijd is met de wet.

Zowel het primaat van als de binding aan het kerkelijk statuut zijn hiermee gegeven.

In de bodemprocedure bij de Commissie van Beroep zijn de wederzijds ingestelde vorderingen in volle omvang beoordeeld. Hoger beroep tegen de beslissing van de Commissie van Beroep, schorst niet de werking van de uitspraak. Deze beslissing is een voor partijen bindende uitspraak. Bij de Commissie van Beroep heeft een eerlijk proces plaatsgevonden.

Voor zover ds. [A] beroep heeft ingesteld bij de Generale Synode, blijft de behandeling daarvan niet onredelijk lang uit als de Generale Synode – naar het zich laat aanzien – in het voorjaar van 2008 bijeen zal komen.

Ds. [A] kan zich eerst op de burgerlijke rechter beroepen nadat hij de interne kerkelijke rechtsgang heeft doorlopen. Doet hij dat niet, dan dient hij door de burgerlijke rechter niet-ontvankelijk te worden verklaard.

4.3.

Oordeel van de kantonrechter

Ds. [A] komt op tegen een beslissing in een bodemgeschil dat is gevoerd op basis van een kerkelijke regeling. Tot het volgen van deze kerkelijke weg heeft ds. [A] zich verplicht door bij het aannemen van het op hem als predikant uitgebrachte beroep van de Gereformeerde Kerk Kampen, zich te onderwerpen aan de Kerkorde van de Gereformeerde Kerken in Nederland. Ingevolge deze Kerkorde is bij besluit van de Generale Synode in 2005 de ‘regeling van de Commissie van Beroep in predikantszaken’ vastgesteld. Deze commissie is bevoegd bindende uitspraken te doen in onder meer arbeidsgeschillen tussen predikanten en kerkenraden. De hiervoor onder 3.-xi. omschreven beroepsmogelijkheid maakt deel uit van deze regeling.

Uit de standpunten van partijen moet worden opgemaakt dat geen regeling is getroffen voor het geval een uitspraak van de Commissie van Beroep klaarblijkelijk op een misslag berust en in afwachting van de behandeling van het beroep op de Generale Synode de uitspraak dreigt te worden geëffectueerd. Te meer nu deze behandeling pas in 2008 is te verwachten, ontbreekt op dit punt een kerkelijke rechtsgang met voldoende waarborgen, vergelijkbaar met de rechtsgang in het burgerlijke kort geding.

Er is overigens geen grond om op de door ds. [A] gestelde beperkingen van de beoordeling in beroep vooruit te lopen, omdat de onder 3.-xi. omschreven beroepsgronden in beginsel toereikend zijn. Daarbij neemt de kantonrechter in aanmerking dat – blijkens (onder meer) besluiten 4 en 5 van voormelde uitspraak d.d. 1 oktober 2005 – de Generale Synode (ook) toeziet op eventuele tekortkomingen op het punt van onafhankelijke, onpartijdige en ook overigens aan de (burgerrechtelijke) eisen voldoende (kerkelijke) rechtspraak.

De vorderingen zijn voldoende spoedeisend om een beslissing in kort geding te rechtvaardigen.

Ds. [A] is mitsdien ontvankelijk in zijn vordering.

Onmiskenbaar brengt vervolgens de aard van de vorderingen mee dat de kantonrechter als burgerlijke rechter tot kennisneming daarvan bevoegd is.

5.

Traktement na afzetting

5.1.

Standpunt ds. [A]

Naar burgerlijk recht is de verbintenis van de kerk met ds. [A] aan te merken als een arbeidsovereenkomst. De beëindiging van deze verbintenis dient dan ook aan de daarvoor aangelegde maatstaven te voldoen. In feite valt de afzetting te beschouwen als een vorm van eenzijdige opzegging. Gelet op het niet in acht nemen van enige opzegtermijn, is hoe dan ook sprake van onrechtmatige opzegging. Ds. [A] verkiest evenwel de opzegging te vernietigen, nu deze is gegrond op niet-legitieme en feitelijk onjuiste gronden.

De gronden die tot afzetting hebben geleid, gaan namelijk uit van de misvatting dat de huidige kerkenraad van de Kerk op wettige wijze, te weten op grond van een meerderheidsbesluit zoals door het Reglement van de kerkeraad van de Gereformeerde Kerk te Kampen (1978) is vereist, is tot stand gekomen.

De onjuiste aanname dat het besluit van de kerkenraad op 27 september 2004 met een legitieme meerderheid is genomen, is voor de Generale Synode in 2005 cruciaal geweest voor de legitimatie van een groot deel van het handelen van de kerkenraad.

Ds. [A] kan thans echter onomstotelijk aantonen dat de huidige kerkenraad niet in kerkrechtelijke zin als wettige kerkenraad valt te beschouwen. Daarmee ontvallen alle gronden die zijn aangevoerd om de afzetting te rechtvaardigen. De kerkenraad bestond op 24 en 27 september 2004 uit 24 personen, incl. ds. [A]. Twee daarvan waren op non-actief gesteld, maar zij behoorden formeel nog tot de kerkenraad. Op de bewuste vergadering van 27 september waren elf personen aanwezig, zo blijkt uit alle stukken. Deze vergadering kon op dat moment in het geheel geen besluit nemen. Genoemd reglement schrijft namelijk voor dat een vergadering niet kan doorgaan ‘indien niet op zijn minst de volstrekte meerderheid der leden aanwezig is’.

De Commissie van Beroep voor Predikantszaken heeft in eerste instantie ook erkend dat ‘voor zover sprake zou zijn van een besluit genomen door de 11 aanwezigen, ds. [A] moet worden toegegeven dat het besluit rechtsgeldigheid ontbeert’. Deze lijn is door de Commissie van Beroep echter niet doorgetrokken. Zij redeneert dat het hier eigenlijk niet gaat om een kerkenraadsbesluit, maar om een besluit van de – door de Classis gemandateerde – Commissie van Drie gaat. Deze redenering is evenzeer onjuist, omdat de Commissie van Drie allesbehalve bevoegd was tot een besluit van deze aard en strekking. Overigens zou ook de Classis niet bevoegd zijn tot een dergelijke maatregel, nu de Generale Synode als hoogste kerkelijke vergadering in 2005 heeft uitgesproken dat de Classis hooguit had mogen vinden dat aftreden verstandig zou zijn, maar dit nimmer had mogen beslissen.

Ds. [A] staat slechts de mogelijkheid open deze kwestie voor te leggen aan de Generale Synode, die eerst in 2008 zal plaatsvinden. Pogingen om een vervroegde GS bijeen te roepen, zijn mislukt.

Ds. [A] verzoekt de kantonrechter als voorlopig oordeel uit te spreken dat sprake is van een nietig ontslag en dat de Kerk gehouden is tot doorbetaling van het loon vanaf 21 oktober 2006.

5.2.

Standpunt van de Kerk

Ds. [A] voert op (nagenoeg) dezelfde gronden als voor de Commissie van Beroep bepleit, aan dat de Kerk niet bevoegd was het afzettingsbesluit te nemen. De Commissie van Beroep heeft in redelijkheid kunnen oordelen, dat de Commissie van Drie was getreden in de bevoegdheid van de tot 27 september 2004 zittende kerkenraad en op 27 september 2004 het besluit tot terugtreding van alle leden van de kerkenraad heeft genomen en heeft kunnen nemen. Het wordt gestaafd door processtukken, waaronder wettig genomen kerkelijke besluiten.

Ook is door de Commissie van Beroep in redelijkheid kunnen worden geoordeeld dat na terugtreding van de kerkenraadsleden met hulp van de Commissie van Drie, een nieuwe kerkenraad is benoemd en bevestigd, die de taken van de vorige kerkenraad heeft overgenomen. En – zo vervolgt de commissie van Drie – het was deze nieuwe kerkenraad die uiteindelijk het afzettingsbesluit heeft genomen.

De Generale Synode zal in appel of revisie waarschijnlijk tot hetzelfde oordeel komen en het Generale Synode-besluit van 1 oktober 2005 op dat punt corrigeren, maar voor het overige (de gevolgen) in stand laten.

Het door ds. [A] ingediende revisieverzoek heeft dan ook geen enkele kans van slagen. Een noviteit wordt door hem niet aangevoerd.

5.3.

Oordeel van de kantonrechter

5.3.1.

Een groot deel van het geschil is terug te voeren op het bezwaar van ds. [A] tegen de onder 3.-vi. vermelde uitspraak van de Generale Synode. Dit bezwaar richt zich tegen de vaststelling van de Generale Synode, dat op 27 september 2004 de kerkenraad in meerderheid heeft aanvaard het oordeel van de Classis dat de kerkenraad als geheel moest terugtreden. De Generale Synode is de hoogste kerkelijke appelinstantie. Haar uitspraak heeft dus kracht van gewijsde.

5.3.2.

Ds. [A] heeft zich niet uitgelaten over de criteria waaraan zijn onder 3.-vii. bedoelde herzieningsverzoek tegen het door de Generale Synode genomen besluit zal worden getoetst. De Kerk heeft er op gewezen dat door ds. [A] geen noviteit wordt aangevoerd. Daarmee lijkt te worden verwezen naar een regeling, vergelijkbaar met het burgerlijk (proces)recht. Aan de beginselen van het burgerlijk (proces)recht refereert ook de Generale Synode in haar uitspraak.

In het burgerlijk (proces)recht levert het enkele gegeven dat een feit ten onrechte is vastgesteld, geen grond op voor herziening – in de terminologie van het wetboek van burgerlijke rechtsvordering: herroeping – van uitspraken die in kracht van gewijsde zijn gegaan. Daarvoor moet in het burgerlijke proces sprake zijn geweest van bedrog of valsheid in het geding, dan wel het achterhouden van stukken van beslissende aard tot na de uitspraak door toedoen van de wederpartij. Naar het voorlopig oordeel van de kantonrechter is van een of ander niet gebleken.

5.3.3.

In ieder geval is het naar het voorlopig oordeel van de kantonrechter redelijkerwijs niet te verwachten, dat de Generale Synode zal – kunnen – tenietdoen (al) hetgeen – de (nieuwe) kerkenraad van – de Gereformeerde Kerk Kampen-Noord ingevolge de uitspraak van de synode heeft ondernomen. Dit dringt zich in het bijzonder op nu in het (de) thans voor herziening voorgedragen besluit(en) van de Generale Synode het ging om voor de bestuurbaarheid en de consistentie van de Gereformeerde Kerk Kampen-Noord zeer wezenlijke beslissingen. De Generale Synode heeft vastgesteld, dat er sprake was van een onwerkbare verhouding in de kerkenraad. Ook heeft zij benadrukt het belang van ‘herstel van het recht van de gehele gemeente van Kampen-Noord op goede leiding door een voor zijn taak berekende kerkenraad die het vertrouwen van de gemeente heeft’ (grond 4 voor besluit 10).

In het licht hiervan heeft de nieuwe kerkenraad, nadat hij in correspondentie vanaf 8 november 2005 er door of namens ds. [A] op was gewezen dat was verzocht om revisie van het besluit van de Generale Synode (vergelijk producties 21-22 van de zijde van de Kerk in de procedure onder zaaknr. 330806 VV 06-66), redelijkerwijs niet kunnen wachten op het verstrijken van de gangbare periode van drie jaren tussen de opeenvolgende synodes èn de beslissing op de gevraagde herziening, alvorens verandering na te streven. In een andere benadering zou de – nieuwe – kerkenraad aan het besluit van de Generale Synode de na een behoorlijke geschilbeslechting in opeenvolgende instanties, met de uitspraak in hoogste instantie beoogde ordening hebben ontzegd.

Deze werkzaamheden van de nieuwe kerkenraad zijn, voor zoveel van belang, afgesloten met het gewraakte besluit tot afzetting van ds. [A] als predikant. In de visie van ds. [A] zou ook deze beslissing als ‘fruits of a poisened tree’ moeten delen in het lot van een nadere beslissing van de Generale Synode over de nietigheid van het kerkenraadsbesluit van 27 september 2004. Zoals gezegd houdt de kantonrechter een dergelijke uitkomst niet voor (zeer) waarschijnlijk. De afweging waartoe de – nieuwe – kerkenraad met betrekking tot de afzetting van ds. [A] is gekomen, is en kan niet aan het oordeel van de kantonrechter worden onderworpen. Dit kerkelijke besluit is nog wel onderworpen aan kerkelijk beroep.

5.3.4.

Wel kan worden vastgesteld, dat voor de Generale Synode in haar besluit d.d. 1 oktober 2005 niet bepalend is (geweest) de door ds. [A] gewraakte redenering van de Commissie van Beroep, dat niet de aanwezige kerkenraadsleden het besluit van 27 september 2004 hebben genomen, maar de Commissie van Drie. Aan ds. [A] moet ook worden toegegeven dat de Generale Synode (nog) geen aanwijzing heeft gegeven dat door of via de Commissie van Drie de terugtreding van de kerkenraad is kunnen worden geëffectueerd.

Overigens heeft de Commissie van Beroep op pagina 9 in onderdeel 42. van haar uitspraak, (ten overvloede) wel het feitelijk uiteenvallen van de kerkenraad in een minderheids- en een meerderheidsdeel benoemd. De Commissie van Beroep heeft aangenomen dat ook dan de nieuwe kerkenraad bevoegd was met betrekking tot maatregelen jegens ds. [A] als predikant.

5.3.5.

Aan het door ds. [A] nog gehanteerde argument met betrekking tot de gevolgen van het mislukken van een mediationtraject in de periode tussen het onder 3.ii. bedoelde classisbesluit en het oordeel van de classis d.d. 24 september 2004, kan de kantonrechter voorbijgaan. Dit punt is namelijk ook benoemd in het besluit d.d. 1 oktober 2005 van de Generale Synode – vergelijk de opsomming der gebeurtenissen onder Voorgeschiedenis en Procesverloop, elfde en twaalfde aandachtstreep –, zonder dat daaraan in dat besluit de nu door ds. [A] omschreven gevolgen zijn verbonden.

5.3.6.

Gezien een en ander is voormelde redenering van de Commissie van Beroep betwistbaar in het licht van het besluit d.d. 1 oktober 2005 van de Generale Synode als hoogste kerkelijke appelinstantie. Echter kan naar het voorlopig oordeel van de kantonrechter niet worden gezegd dat de Commissie van Beroep klaarblijkelijk als gevolg van een misslag aan ds. [A] het recht op doorbetaling van het traktement na diens afzetting op 20 oktober 2006 heeft ontzegd.

6.

Ontruiming pastorie

6.1.

Standpunt ds. [A]

Het verweer van ds. [A] tegen de gevorderde ontruiming is tweeërlei:

(1) het besluit tot afzetting is niet op wettige wijze tot stand gekomen, zodat de rechtsbetrekking allesbehalve is geëindigd en daarmee een grond voor ontruiming van de pastorie ontbreekt

(2) aan ds. [A] komt huurbescherming toe, tenzij sprake zou zijn van een ‘eigenlijke’ dienstwoning, wat echter niet het geval is.

Het eerste verweer vloeit voort uit datgene wat ds. [A] reeds met betrekking tot zijn afzetting heeft aangevoerd. Wat het tweede verweer betreft geldt primair dat een verkeerde toets is aangelegd door een huurovereenkomst te verlangen. Subsidiair geldt dat er wel degelijk sprake is van een juridisch als huurovereenkomst te kwalificeren verbintenis. Het traktement van ds. [A] is namelijk gebaseerd op ‘vrij wonen’ en zou dus hoger zijn indien niet de beschikking zou bestaan over een woning.

6.2.

Standpunt van de Kerk

Nu voldoende aannemelijk is dat het afzettingsbesluit wettig is genomen, dient het eerste verweer van ds. [A] te worden gepasseerd.

Ook het beroep op huurbescherming gaat niet op. Het oordeel van de Commissie van Beroep is namelijk niet onredelijk. Zeker niet waar ds. [A] zelf de oorzaak van zijn afzetting is geweest.

De ambtelijke arbeid van ds. [A] bracht mee dat hij een pastorie diende te betrekken. Die pastorie dient hij te verlaten, zodra zijn verbintenis met de kerkelijke gemeente wordt verbroken. Huurbescherming is niet aan de orde. Toepassing van civiel recht is bovendien wezensvreemd aan hoe men binnen de Kerk over dit soort situaties denkt. Hier past de burgerlijke rechter, gezien de beginselen van scheiding van kerk en staat en de vrijheid van godsdienst, terughoudendheid om de regels van het civiel recht van toepassing te verklaren.

Tussen de Kerk en ds. [A] is geen huurovereenkomst gesloten. Dit is ook niet gebruikelijk binnen de kerk. Ds. [A] betaalt geen huur. Dit laatste is een wat ongelukkig gekozen term in de bijlage bij de beroepsbrief, waaraan echter geen wezenlijke betekenis mag worden toegekend. De Kerk heeft met betrekking tot de pastorie nimmer een tegenprestatie van ds. [A] verwacht. Het betrekken van de pastorie heeft geen enkele invloed op de hoogte van zijn traktement. Ten onrechte wordt dit laatste wèl gesuggereerd.

In de materiële regeling voor predikanten (opgesteld door het Steunpunt Kerkelijke Beheerszaken waar ook de Gereformeerde Kerken deel van uitmaken) wordt een pastorie opgevat als een eigenlijke dienstwoning. Enige vorm van huurbescherming is daar niet uit af te leiden.

De Kerk weerspreekt ook dat het ds. [A] heeft vrijgestaan om de pastorie niet te aanvaarden. De pastorie is destijds voor hem en zijn gezin verbouwd en uitgebreid. Ook zijn voorganger heeft de pastorie aangewezen gekregen en heeft erin gewoond. Het gebruik van de pastorie diende ter nakoming van een verplichting jegens de Kerk. Het is geen secundaire arbeidsvoorwaarde geweest.

De pastorie is ds. [A] voor gebruik aangewezen met het oog op de aard van de uit zijn werkzaamheden voortvloeiende verplichtingen zoals catechisatieonderwijs en vergaderingen. Bewoning van de pastorie was dan ook bevorderlijk voor het op de juiste wijze kunnen uitoefenen van de functie van predikant.

De Kerk deelt niet het oordeel van de Commissie van Beroep dat de pastorie geen dienstwoning is in de strikte zin des woords. Er is wèl sprake van een eigenlijke dienstwoning. Aan ds. [A] is een alleszins redelijke termijn gegund om de woning te verlaten.

De Kerk heeft de pastorie dringend nodig, omdat zij druk doende is met beroepingswerk. Er is al gesproken met een kandidaat-predikant, die vermoedelijk binnen enkele weken zal worden beroepen. Dan zal in de beroepsbrief ook moeten worden gemeld dat er een pastorie beschikbaar is. Zonder pastorie komt er in Kampen-Noord geen predikant. Zelf een pastorie kopen is voor de Kerk financieel gezien onhaalbaar. Huren zou een optie kunnen zijn, maar er is in Kampen geen huurwoning beschikbaar die als pastorie voor de kerkelijke gemeente Kampen-Noord zou kunnen dienen. Bezien in onderling verband en samenhang heeft de Kerk dan ook spoedeisend belang bij de in voorwaardelijke reconventie gevorderde ontruiming. Met deze vordering wenst de Kerk een executoriale titel te krijgen om ds. [A] – als hij per 1 september 2007 niet vrijwillig tot ontruiming overgaat – desnoods middels een deurwaarder te dwingen te pastorie te ontruimen. Op basis van de beslissing van de Commissie van Beroep kan dat niet.

6.3.

Oordeel van de kantonrechter

6.3.1.

Voor de beoordeling van het eerste verweer van ds. [A] tegen de gevorderde ontruiming, verwijst de kantonrechter naar zijn overwegingen betreffende ‘traktement na afzetting’.

6.3.2.

De Commissie van Beroep heeft in haar uitspraak overwogen – zakelijk weergegeven – :

(1) erkend wordt dat géén sprake is van een dienstwoning, omdat ze niet geheel aan de aan een dienstwoning te stellen criteria voldoet

(2) dit brengt evenwel niet mee dat ontruiming niet mag worden gevorderd, want ds. [A] komt geen huurbescherming toe vanwege het ontbreken van een huurovereenkomst.

De argumenten van de Commissie van Beroep ten betoge dat geen sprake is van een huurovereenkomst zijn de volgende:

In de beroepsbrief wordt (slechts) melding gemaakt van een ter beschikking stellen van een ambtswoning, derhalve van een gebruiksrecht om niet. Voor noch na de afzetting van ds. [A] heeft de Kerk van hem huurpenningen of een vergoeding voor het gebruik van de woning gevorderd. De stelling van ds. [A] dat zijn traktement was afgestemd op vrij wonen, dat wil zeggen dat de huurpenningen op zijn traktement werden ingehouden, vindt geen steun in de beroepsbrief, terwijl hij geen feiten of omstandigheden onderbouwd heeft aangevoerd waaruit een afspraak of overeenkomst in de door hem bedoelde zin kan worden afgeleid.

6.3.3.

Hoewel de Kerk heeft verdedigd dat de pastorie moet worden gezien als een eigenlijke dienstwoning, is naar het voorlopig oordeel van de kantonrechter niet kunnen blijken dat de andersluidende opvatting van de Commissie van Beroep klaarblijkelijk op een misslag berust. Dit laat onverlet dat zou kunnen worden geoordeeld dat de pastorie, hoewel op grote afstand van het kerkgebouw van Kampen-Noord gelegen, zodanig specifiek is aangepast voor het uitoefenen van het ambt van predikant, dat bewoning van de pastorie (zeer) bevorderlijk is voor het op juiste wijze uitoefenen van dit ambt. De Commissie van Beroep heeft echter in het bodemgeschil tussen partijen anders geoordeeld en dat oordeel dient de kantonrechter te respecteren, nu het oordeel niet klaarblijkelijk op een misslag berust.

6.3.4.

Naar het voorlopig oordeel van de kantonrechter heeft ds. [A] in de lijn van door hem aangehaalde jurisprudentie van de burgerlijke rechter, echter op goede grond verdedigd dat in het geval er geen sprake is van een dienstwoning, aan de gebruiker van de oneigenlijke dienstwoning huurbescherming toekomt. Het gebruiksrecht van een woning krachtens een arbeidsovereenkomst brengt volgens de Hoge Raad in het algemeen mede, dat tussen partijen een gemengde overeenkomst aanwezig is. Deze overeenkomst heeft naast het karakter van arbeidsovereenkomst het karakter van huurovereenkomst. Dit is ook het geval indien het verstrekte woongenot niet in een geldbedrag is uitgedrukt, omdat voor het bestaan van een huurovereenkomst niet is vereist dat de huursom bestaat in een geldsom. (Vergelijk W.C.L. van der Grinten, Arbeidsovereenkomstenrecht, 2005, p. 89.)

De Kerk heeft weliswaar verdedigd dat toepassing van civiel recht wezensvreemd is aan deze kwestie en dat ontruiming van een pastorie voortvloeit uit artikel 10 van de Kerkorde, maar dit argument acht de kantonrechter vooralsnog niet zodanig overtuigend dat – evident – zou moeten worden geconcludeerd tot afwijking van het verwoorde algemene uitgangspunt, dat tussen partijen mede een huurovereenkomst bestaat.

De Commissie van Beroep heeft mitsdien klaarblijkelijk miskend dat ingevolge het burgerlijk recht de (gemengde) overeenkomst tussen partijen meebrengt dat tussen partijen (ook) een huurovereenkomst bestaat. Naar het voorlopig oordeel van de kantonrechter zal deze huurovereenkomst door de Kerk moeten worden opgezegd, tenzij de beëindiging alsnog geschiedt met wederzijds goedvinden. Het grote belang van de Kerk bij ontruiming van de pastorie in verband met – te verwachten respons van – beroep op een nieuwe predikant, maakt dit niet anders.

6.3.5.

Ds. [A] heeft in conventie mitsdien op goede grond gevorderd dat de Kerk dient te worden geboden zich te onthouden van enige ontruimingshandeling terzake van de pastorie totdat de huurovereenkomst met betrekking tot de pastorie op rechtsgeldige wijze zal zijn geëindigd.

De kantonrechter vindt geen grond om dit gebod te versterken met de door ds. [A] gevorderde dwangsom, aangezien de Kerk ter zitting heeft toegezegd dat zij de op dit punt door de kantonrechter te geven uitspraak zal respecteren, uiteraard onverlet beroep tegen dit vonnis en (andere) beoordeling in het beroep tegen de uitspraak van de Commissie van Beroep.

6.3.6.

De voorwaarde waaronder de vordering in reconventie is ingesteld, is vervuld. Gezien het vorenstaande is het evenwel duidelijk dat er geen grond is om ds. [A] (thans) te dwingen de pastorie te ontruimen, zodat de vordering in reconventie dient te worden afgewezen.

7.

Proceskosten

Nu in conventie elk der partijen op enig punt in het ongelijk is gesteld, kunnen de kosten van het geding in conventie worden gecompenseerd als na te melden.

In reconventie dient de Kerk als de in het ongelijk gestelde partij te worden verwezen in de proceskosten.

De beslissing in kort geding

De kantonrechter:

in conventie

- gebiedt de Kerk zich te onthouden van enige ontruimingshandeling terzake van de aan ds. [A] verhuurde woning [adres], [woonplaats], totdat de huurovereenkomst met betrekking tot deze woning op rechtsgeldige wijze zal zijn beëindigd;

- verklaart dit vonnis in zoverre uitvoerbaar bij voorraad;

- wijst het door ds. [A] in conventie meer of anders gevorderde af;

- compenseert de kosten van het geding in conventie aldus, dat iedere partij de eigen kosten draagt;

in reconventie

- wijst het door de Kerk gevorderde af;

- veroordeelt de Kerk in de kosten van het geding in reconventie, tot op heden aan de zijde van ds. [A] begroot op nihil.

Aldus gewezen door mr. J.F. de Vries, kantonrechter, en uitgesproken in de openbare terechtzitting van 18 juli 2007 in tegenwoordigheid van de griffier.