Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBZLY:2007:BA9776

Instantie
Rechtbank Zwolle-Lelystad
Datum uitspraak
22-02-2007
Datum publicatie
18-07-2007
Zaaknummer
128696 / KG ZA 07-27
Rechtsgebieden
Civiel recht
Bijzondere kenmerken
Kort geding
Inhoudsindicatie

Distributieovereenkomst. Profiteren van andermans wanprestatie.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

vonnis

RECHTBANK ZWOLLE-LELYSTAD

Sector civiel recht

zaaknummer / rolnummer: 128696 / KG ZA 07-27

Vonnis in kort geding van 22 februari 2007

in de zaak van

de besloten vennootschap met beperkte aansprakelijkheid

[eiseres A],

gevestigd te [plaats],

eiseres in conventie,

verweerster in reconventie,

procureur mr. R.K.E. Buysrogge,

advocaat mr. T.L.G.M. Heebing te Arnhem,

tegen

de besloten vennootschap met beperkte aansprakelijkheid

[gedaagde B],

gevestigd te [plaats],

gedaagde in conventie,

eiseres in reconventie,

procureur mr. C. Borstlap

advocaat mr. H. Oosterhuis te Zwolle.

Partijen zullen hierna [eiseres A] en [gedaagde B] genoemd worden.

1. De procedure

1.1. Het verloop van de procedure blijkt uit:

- de dagvaarding

- de eis in reconventie

- de mondelinge behandeling

- de pleitnota van [eiseres A]

- de pleitnota van [gedaagde B].

1.2. Ten slotte is vonnis bepaald.

2. De feiten

2.1. Zowel [eiseres A] als [gedaagde B] zijn al tientallen jaren importeur/leverancier van elektrotechnische materialen.

2.2. [eiseres A] is op 10 mei 2000 een exclusieve distributieovereenkomst aangegaan met de fabrikant [fabrikant] Gmbh & Co KG (verder te noemen: [fabrikant]), gevestigd te [plaats]. [fabrikant] is fabrikant van elektrotechnische materialen. De distributieovereenkomst luidt, voor zover van belang:

"§ 11 Vertragsdauer

1. Das Vertragsverhältnis beginnt am 1. januar 2001. Es kann beiderseits nur schriftlich mit einer Frist von 6 Monaten - jeweils zum Schluß eines Kalenderhalbjahres - von den Vertragsparteien gekündigt werden. Erstmals ist eine Kündigung des Vertrages zum 31. Dezember 2002 möglich. Für die Kündigung maßgebend ist nicht der Zugang sondern das Postaufgabedatum des Kündigungsschreibens bzw. das Absendedatum eines Telefaxschreibens.

2. Das Recht jeder Vertragspartei zur fristlosen (außerordentlichen) Kündigung aus wichtigem Grund bleibt unberührt. Als wichtiger Grund für eine fristlose Kündigung durch dem Hersteller gilt auch, wenn die Vertriebsfirma die Unternehmensinteressen des Herstellers im Vertragsgebiet vernachlässigt. Der Hersteller wird die Vertriebsfirma jedoch vorher informieren, falls aus diesem Grund eine Kündigung beabsichtigt ist. Ansonsten ist wichtiger Grund jeder wesentliche Verstoß gegen Vertragspflichten, Insolvenz, oder eine wesentliche Änderung der geschäftlichen Verhältnisse oder Inhaberschaft der anderen Partei.

[...]

§ 14 Schlußbestimmungen

1. Falls es über den Abschluß oder die Durchführung dieses Vertrages sowie ihn ergänzender Vereinbarungen oder über Einzelgeschäfte zu Meinungsverschiedenheiten zwischen den Vertragspartnern kommen sollte, so werden sie zunächst bestrebt sein, eine gütliche Einigung herbeizuführen.

2. Ist dies nicht zu erreichen, so gilt als Gerichtsstand der Firmensitz des Herstellers als vereinbart. [...]

3. Als Erfüllungsort für alle Verbindlichkeiten in Ausführung dieses Vertrages under der Einzelgeschäfte gilt [postcode en plaats] als vereinbart.

4. Dieser Vertrag und alle Einzelgeschäfte in dessen Ausführung unterliegen ausschießlich der Geltung deutschen Rechts. [...]"

2.3. Bij brief van 22 september 2006 heeft [fabrikant] [eiseres A], voor zover van belang, het navolgende bericht:

"Aufgrund der drastischen Änderung Ihrer Personalstruktur sehen wir für RITTO keine Möglichkeit mehr, den Markt konform unserer gemeinsamen Planung erfolgreich zu bearbeiten. Ein Spiegelbild dieser Entwicklung ist die gemeinsam met Ihnen verabschiedete Umsatzplanung für das aktuelle Geschäftsjahr 2006.

Konform unseres Vertraghändlersvertrages vom 10.05.00 machen wir von der Möglichkeit des außerordentlichen Kündigung aus wichtigem Grund Gebrauch und lösen damit das Vertragsverhältnis auf.

Wir beziehen uns dabei auf § 8 Geschäftausstattung und im Besonderen auf den Abs. 2. Die Vertriebsfirma soll deshalb insbesondere:

b) eine genügende Anzahl von qualifizierten Mitarbeitern zur Verfügung haben, um den Absatz zu fördern und abzuwickeln,

c) einen Kundenservice unterhalten."

2.4. [eiseres A] heeft zich bij ongedateerd schrijven jegens [fabrikant] op het standpunt gesteld dat geen "wichtiger Grund" voor onmiddellijke opzegging bestaat en dat dus [fabrikant] haar verplichtingen uit de distributieovereenkomst dient na te komen tot 30 juni 2007, overeenkomstig de opzeggingstermijn genoemd in het eerste lid van artikel 11 van die overeenkomst. Uit de correspondentie die zich vervolgens tussen [eiseres A] en [fabrikant] heeft ontwikkeld, valt af te leiden dat [fabrikant] haar standpunt dat wel van een "wichtiger Grund" sprake is, handhaaft, en dat zij - in tegenstelling tot eerdere berichten - tot 31 december 2006 aan [eiseres A] zal blijven uitleveren.

2.5. [eiseres A] is voornemens in Duitsland een bodemprocedure aanhangig te maken jegens [fabrikant]. In deze procedure zal [eiseres A] schadevergoeding vorderen wegens de in haar visie onregelmatige opzegging.

2.6. De tussen [fabrikant] en [gedaagde B] gevoerde onderhandelingen hebben geleid tot een exclusieve distributieovereenkomst tussen hen met ingang van 1 januari 2007. [gedaagde B] heeft op haar website en in brieven naar klanten melding gemaakt van het importeurschap van [fabrikant]-artikelen met ingang van voornoemde datum.

3. Het geschil in conventie

3.1. De vordering van [eiseres A] strekt ertoe dat de voorzieningenrechter bij vonnis, uitvoerbaar bij voorraad:

1. [gedaagde B] met onmiddellijke ingang zal gebieden de contractproducten van [fabrikant] aan te bieden en/of te verkopen in het contractgebied te Nederland;

2. [gedaagde B] zal gebieden om met onmiddellijke ingang de gegevens [fabrikant] betreffende te verwijderen van haar internetsite met dien verstande dat [gedaagde B] een rectificatie dient te plaatsen met de volgende tekst: "ten onrechte was voor kort op onze internetsite te lezen dat [fabrikant] vanaf januari 2007 bij [gedaagde B] verkrijgbaar zou zijn en dat [gedaagde B] per 1 januari 2007 het Duitse fabricaat [fabrikant] vertegenwoordigt. Tot 30 juni 2007 zal [fabrikant] worden vertegenwoordigd door haar huidige vertegenwoordiger [eiseres A] B.V. te [plaats].";

3. [gedaagde B] zal gebieden om aan [eiseres A] bij wege van voorschot op de door haar geleden en nog te lijden schade binnen drie dagen na betekening van dit vonnis zal voldoen een bedrag van EUR 35.000,00, althans een door de voorzieningenrechter vast te stellen bedrag;

4. [gedaagde B] zal gebieden, ter nadere bepaling van de schade, binnen drie dagen na betekening van dit vonnis, te verstrekken een gedetailleerd overzicht van de reeds geleverde zaken inclusief de daarvoor geldende prijscondities en aangenomen opdrachten uit het aan [eiseres A] toebehorende contractgebied;

5. [gedaagde B] zal veroordelen in de kosten van dit geding, te voldoen binnen 14 dagen na dit vonnis, en, indien voldoening van deze kosten niet binnen gemelde termijn plaatsvindt, vermeerderd met

- de wettelijke rente over de kosten van dit geding, te rekenen vanaf 14 dagen na dit vonnis tot aan de dag der voldoening, en

- nakosten ten bedrage van EUR 131,00, dan wel, indien betekening van dit vonnis plaatsvindt, EUR 199,00;

6. [gedaagde B] zal veroordelen tot betaling van direct opeisbare dwangsommen van EUR 10.000,- per dag of gedeelte daarvan dat [gedaagde B] nalatig blijft om na het vonnis, althans de betekening daarvan te voldoen aan de vorderingen genoemd onder 1. tot en met 5.

3.2. [gedaagde B] voert verweer. Op de stellingen van partijen wordt hierna, voor zover van belang, nader ingegaan.

4. Het geschil in reconventie

4.1. De vordering van [gedaagde B] strekt ertoe dat de voorzieningenrechter bij vonnis, uitvoerbaar bij voorraad:

1. [eiseres A] zal gebieden om binnen twee dagen na betekening van dit vonnis alle verwijzingen naar het merk [fabrikant] van haar website [websitenaam] en andere websites waar [eiseres A] direct of indirect zeggenschap over de inhoud daarvan heeft, te verwijderen en verwijderd te houden, op straffe van een dwangsom van EUR 5.000,00 per dag, dan wel een gedeelte daarvan dat [eiseres A] hiermee in gebreke blijft;

2. [eiseres A] zal verbieden (potentiële) afnemers van het merk [fabrikant] op enigerlei wijze te benaderen met andersluidende berichten aangaande het merk [fabrikant] dan dat zij per 1 januari 2007 niet langer als importeur en leverancier van deze materialen optreedt, op straffe van een dwangsom van EUR 5.000,00 per overtreding;

3. dan wel een voorziening te treffen als de voorzieningenrechter in goede justitie zal vermenen te behoren.

4.2. [eiseres A] voert verweer. Op de stellingen van partijen wordt hierna, voor zover van belang, nader ingegaan.

5. De beoordeling in conventie

5.1. Van een spoedeisend belang van [eiseres A] bij haar vorderingen is in voldoende mate gebleken.

5.2. Kernvraag van het geschil is of [gedaagde B], door het aanvaarden en uitvoering geven aan het importeurschap van [fabrikant] met ingang van 1 januari 2007 onrechtmatig handelt jegens [eiseres A]. Aan de vorderingen heeft [eiseres A] ten grondslag gelegd dat [gedaagde B] op dusdanige wijze van het beweerdelijk toerekenbaar tekort schieten van [fabrikant] jegens [eiseres A] profiteert, dat dit dient te worden aangemerkt als een onrechtmatige daad van [gedaagde B] jegens [eiseres A].

5.3. Vaste jurisprudentie (onder meer HR 12 januari 1962, NJ 1962, 246; HR 17 mei 1985, NJ 1986, 760 en laatstelijk HR 26 januari 2007, NJ 2007, 78) is dat het profiteren van andermans wanprestatie pas onrechtmatig is indien aan twee cumulatieve vereisten is voldaan:

a. de aangesproken partij weet of behoort te weten dat zijn wederpartij, kort gezegd, wanprestatie pleegt jegens een derde;

b. er is sprake van bijkomende omstandigheden.

5.4. Uit de door [eiseres A] in het geding gebrachte correspondentie valt af te leiden dat zich tussen [eiseres A] en [fabrikant] een debat heeft ontwikkeld over de vraag of sprake is van een "wichtiger Grund" in de zin van artikel 11 tweede lid van de distributieovereenkomst. Daarbij stelt [fabrikant] zich, blijkens haar brieven van 11 oktober 2006 en 1 december 2006, op het standpunt dat het sterk gereduceerde aantal werknemers van [eiseres A], geen "operative Marktbearbeitung" meer toelaat, en voorts dat de omzet in vergelijking met voorgaande jaren sterk is teruggelopen en niet meer dan 1/3 van de gezamenlijk vastgelegde doelstelling behaald. [fabrikant] heeft erop gewezen dat haar ter ore is gekomen dat [eiseres A] op 13 juli 2006 het CWI heeft verzocht zes werknemers te ontslaan, terwijl [eiseres A] in een overleg dat daags daarvoor, op 12 juli 2006 tussen haar en [fabrikant] plaatsvond, in het geheel geen melding heeft gemaakt van haar voornemen tot ontslag van deze zes werknemers. In haar brief van 15 december 2006 deelt [eiseres A] aan [fabrikant] mee dat zij van het CWI nog geen toestemming heeft verkregen, en voorts dat zij niet langer voornemens is werknemers te ontslaan, omdat twee werknemers zelf ontslag hebben genomen en [eiseres A] voor een andere fabrikant de exclusieve vertegenwoordiger is geworden, zodat voor de werknemers van [eiseres A] voldoende werk voorhanden is. De stellingname van [eiseres A] gaat er, in ieder geval op het eerste gezicht, aan voorbij dat deze werknemers dus niet meer voor [fabrikant] actief kunnen zijn en het argument van [fabrikant] dat de markt niet meer op zinvolle wijze kan worden bewerkt omdat daarvoor te weinig personeel is, dus niet op effectieve wijze is bestreden.

Dat de Duitse rechter, desverzocht, zal vaststellen dat [fabrikant] naar Duits recht tekort is geschoten in haar verplichtingen, is gelet op het voorgaande geenszins een vaststaand gegeven. Naar het voorshandse oordeel van de voorzieningenrechter kan thans dan ook (nog) niet met voldoende mate van zekerheid worden vastgesteld dat [fabrikant] in de nakoming van haar verplichtingen uit de distributieovereenkomst jegens [eiseres A] is tekortgeschoten. Aan het a-vereiste als bedoeld in rechtsoverweging ?5.3 is (nog) niet voldaan.

5.5. [eiseres A] heeft als bijzondere omstandigheden genoemd:

- het door [gedaagde B] gebruik maken van klantgegevens van [eiseres A];

- het door [gedaagde B] plaatsen van - van [eiseres A] afkomstige - .pdf-bestanden met informatie/handleidingen over [fabrikant]-artikelen ("de downloads").

5.6. Door [gedaagde B] is - onweersproken door [eiseres A] - gesteld dat zowel [gedaagde B] als [eiseres A], gelet op hun jarenlange expertise en de omvang van de Nederlandse markt, van een vrijwel identiek en door henzelf opgebouwd klantenbestand gebruik maken. Het is dus heel wel mogelijk dat [gedaagde B], op grond van haar eigen klantenbestand, klanten van [eiseres A] benadert. Dat [gedaagde B] (op oneigenlijke wijze) klantgegevens van [eiseres A] heeft verkregen, is gesteld noch gebleken.

Eerst ter zitting heeft [eiseres A] gesteld dat [gedaagde B] haar downloads op de website van [gedaagde B] heeft geplaatst. [gedaagde B] heeft dan ook - in het kader van dit kort geding - niet meer binnen haar onderneming kunnen verifiëren wat de exacte gang van zaken ter zake deze downloads is geweest, en heeft zich dus niet op adequate wijze kunnen verdedigen tegen deze aantijging van [eiseres A].

Dat [gedaagde B] deze gegevens op onregelmatige wijze heeft verkregen, en niet bijvoorbeeld van [fabrikant] zelf, is niet aannemelijk geworden, nog daargelaten dat evenmin gesteld of gebleken is dat [eiseres A] auteursrechthebbende van deze downloads is.

Geconcludeerd dient te worden dat hetgeen door [eiseres A] naar voren is gebracht niet leidt tot de conclusie dat aan het b-vereiste is voldaan.

5.7. Nu niet aan de vereisten is voldaan, is onrechtmatig handelen van [gedaagde B] jegens [eiseres A] (vooralsnog) niet aannemelijk is geworden. Dat brengt mee dat de vorderingen van [eiseres A] dienen te worden afgewezen.

5.8. [eiseres A] zal als de in het ongelijk gestelde partij in de proceskosten worden veroordeeld. De kosten aan de zijde van [gedaagde B] worden begroot op:

- vast recht EUR 251,00

- overige kosten 0,00

- salaris procureur 1.158,00

Totaal EUR 1.409,00

6. De beoordeling in reconventie

6.1. Van een spoedeisend belang van [gedaagde B] bij haar vorderingen is in voldoende mate gebleken.

6.2. Aan de vorderingen heeft [gedaagde B] ten grondslag gelegd dat [eiseres A] jegens [gedaagde B] onzorgvuldig en dus onrechtmatig handelt door, ondanks het feit dat [eiseres A] geen importeur meer is, en dit ook niet meer zal worden, [eiseres A] zich als zodanig profileert op haar website en ook klanten van [gedaagde B] benadert met mededelingen over (haar (beweerdelijke) contractuele relatie met) [fabrikant].

6.3. Ook indien ervan wordt uitgegaan dat met ingang van 1 januari 2007 de distributieovereenkomst tussen [eiseres A] en [fabrikant] is geëindigd en sindsdien [gedaagde B] als exclusieve importeur voor [fabrikant] in Nederland optreedt, dan brengt die wijziging in de contractuele verhoudingen nog niet mee dat [eiseres A] niet langer [fabrikant]-artikelen mag verkopen. Van (overige) gronden waaruit een dergelijk verkoopverbod zou moeten worden afgeleid is niet gebleken. Het moet er dus vooralsnog voor worden gehouden dat [eiseres A] gerechtigd is om [fabrikant]-artikelen te verkopen (daargelaten de omstandigheid dat zij deze artikelen, gelet op de stellingname van [fabrikant], niet langer bij [fabrikant] zelf zal kunnen inkopen). Bij die stand van zaken is het niet onrechtmatig indien zij op haar website verwijst naar [fabrikant] of haar artikelen. Een gebod om zich te onthouden van alle verwijzingen naar het merk [fabrikant] op (aan) haar (gelieerde) website(s) ligt dus niet in de rede.

6.4. Om dezelfde redenen valt niet in te zien op welk grond [eiseres A] (potentiële) afnemers aangaande [fabrikant] enkel nog zou mogen benaderen met de mededeling dat zij per 1 januari 2007 niet langer als importeur en leverancier van deze materialen optreedt.

6.5. Niet uitgesloten kan worden geacht dat specifieke onjuiste mededelingen door [eiseres A] aan derden met de strekking dat zij ook na 1 januari 2007 nog steeds exclusieve importeur is voor [fabrikant] jegens [gedaagde B] onder omstandigheden onrechtmatig zijn.

Uit de door [gedaagde B] in het geding gebrachte stukken valt echter niet af te leiden dat [eiseres A] dergelijke mededelingen heeft gedaan. Voorts zijn de vorderingen van [gedaagde B] op een dergelijk onrechtmatig handelen in onvoldoende mate toegespitst.

6.6. De vorderingen onder 1. en 2. zullen derhalve worden afgewezen. De vordering onder 3. is dermate ongespecificeerd dat zij evenmin kan worden toegewezen.

6.7. [gedaagde B] zal als de in het ongelijk gestelde partij in de proceskosten worden veroordeeld. De kosten aan de zijde van [eiseres A] worden begroot op:

- salaris procureur EUR 452,00

- overige kosten 0,00

Totaal EUR 452,00

7. De beslissing

De voorzieningenrechter

in conventie

7.1. wijst de vorderingen af,

7.2. veroordeelt [eiseres A] in de proceskosten, aan de zijde van [gedaagde B] tot op heden begroot op EUR 1.409,00,

in reconventie

7.3. wijst de vorderingen af,

7.4. veroordeelt [gedaagde B] in de proceskosten, aan de zijde van [eiseres A] tot op heden begroot op EUR 452,00.

Dit vonnis is gewezen door mr. E.B.E.M. Rikaart-Gerard en in het openbaar uitgesproken op 22 februari 2007.