Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBZLY:2007:BA9718

Instantie
Rechtbank Zwolle-Lelystad
Datum uitspraak
17-01-2007
Datum publicatie
18-07-2007
Zaaknummer
119198 / HA ZA 06-449
Rechtsgebieden
Civiel recht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - enkelvoudig
Inhoudsindicatie

- Opstalrecht

- Verkoop van opstalrecht

- Tenietgaan opstalrecht door vermenging

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

vonnis

RECHTBANK ZWOLLE-LELYSTAD

Sector civiel recht

zaaknummer / rolnummer: 119198 / HA ZA 06-449

Vonnis van 17 januari 2007

in de zaak van

[eiser],

wonende te [plaats],

eiser,

procureur mr. drs. Th.H. Meeuwis,

tegen

[gedaagde],

wonende te [plaats],

gedaagde,

procureur mr. K.G.I.M. Schröder.

Partijen zullen hierna [eiser] en [gedaagde] genoemd worden.

1. De procedure

1.1. Het verloop van de procedure blijkt uit:

- het tussenvonnis van 7 juni 2006

- het proces-verbaal van comparitie van 1 september 2006

- het herstel proces-verbaal van comparitie van 1 september 2006

1.2. Ten slotte is vonnis bepaald.

2. De feiten

2.1. [eiser] en zijn (toenmalige) echtgenote hebben op 18 september 2002 van Kurstjens Onroerend Goed B.V. een recht van opstal verkregen, inhoudende de bevoegdheid voor de opstaller om drie wasboxen met toebehoren, staande en gelegen aan de [adres] te [plaats], in eigendom te hebben op genoemd perceel. Kurstjens Onroerend Goed B.V. was destijds eigenaar van dit perceel. [eiser] exploiteerde op genoemd perceel een bedrijf onder de naam “[bedrijfsnaam]”, welk bedrijf zich bezig hield met het reinigen van auto’s.

2.2. Ten tijde van het verkrijgen van het recht van opstal huurde [eiser] van Kurstjens Onroerend Goed B.V. het perceel aan de [adres] te [plaats], waar de drie wasboxen zich bevinden. Blijkens facturen van 18 april 2003 en 26 mei 2003 betaalde [eiser], handelend onder de naam “[bedrijfsnaam]”, aan Kurstjens Onroerend Goed B.V. een bedrag van EUR 529,24 per maand aan huur exclusief btw.

2.3. Blijkens een notariële akte van levering d.d. 23 juni 2003 hebben [eiser] en zijn (toenmalige) echtgenote het onder 2.1. genoemde opstalrecht -eindigende op 20 augustus 2026- aan Kurstjens Onroerend Goed B.V. verkocht en geleverd. De koopprijs bedroeg

EUR 41.974,-- en is, blijkens die akte, door Kurstjens Onroerend Goed B.V. aan [eiser] voldaan.

2.4. Blijkens een notariële akte van levering d.d. 24 juni 2003 heeft Kurstjens Onroerend Goed B.V. aan [gedaagde] geleverd “een perceel industrieterrein met opstallen, staande en gelegen te [postcode] [plaats], [adres], kadastraal bekend gemeente [plaats], sectie A nummer [kadastrale aanduiding 1], groot vijfentwintig are en vijfenzeventig centiare alsmede sectie A nummer [kadastrale aanduiding 2], groot vierennegentig centiare”. De koopprijs bedroeg

EUR 276.000,--.

2.5. Vanaf het tijdstip dat het onder 2.4. genoemde perceel is geleverd aan [gedaagde] huurt [eiser] van [gedaagde] het perceel aan de [adres] te [plaats] waar de drie wasboxen zich bevinden. Blijkens door [gedaagde] aan “[bedrijfsnaam]” op 1 september 2003 verzonden facturen bedroeg de huurprijs EUR 855,-- per maand exclusief btw.

3. Het geschil

3.1. [eiser] vordert, voor zover hier van belang, primair voor recht te verklaren dat hij eigenaar is van de wasinstallatie inclusief machines, hekwerk en afvoerput, staande en gelegen in en om het bedrijfspand aan de [adres] te [plaats]. Daartoe stelt [eiser] het volgende.

De (terug-)verkoop door [eiser] aan Kurstjens Onroerend Goed B.V. op 23 juni 2003 van het opstalrecht met betrekking tot de wasboxen met toebehoren hield verband met het feit dat Kurstjens Onroerend Goed B.V. het perceel aan de [adres] te [plaats] wilde verkopen aan [gedaagde]. [gedaagde] wilde echter niet gebonden zijn aan een opstalrecht voor de duur van 25 jaar. Volgens de notaris zou alles wat in september 2002 was gebeurd worden teruggedraaid en [eiser] zou eigenaar blijven van de wasboxen met toebehoren. Het is nooit de bedoeling geweest dat de eigendom van de wasboxen naar [gedaagde] zou gaan. De wasboxen zijn roerende zaken, waarop geen opstalrecht gevestigd hoefde te worden. Dat [eiser] eigenaar is van de wasboxen met toebehoren wordt bevestigd in een schrijven d.d. 12 augustus 2004 van de heer [A] namens Kurstjens Onroerend Goed B.V.

3.2. [gedaagde] voert verweer. Op de stellingen van partijen wordt hierna, voor zover van belang, nader ingegaan.

4. De beoordeling

4.1. Het gaat in dit geding in de eerste plaats om de vraag of [eiser] eigenaar is van de wasboxen met toebehoren aan de [adres] te [plaats].

4.2. Niet in geschil is dat [eiser] met betrekking tot de wasboxen met toebehoren aan de [adres] te [plaats] op 18 september 2002 van Kurstjens Onroerend Goed B.V., destijds eigenaar van dit perceel, een opstalrecht heeft verkregen. Een dergelijk recht wordt gevestigd teneinde te bewerkstelligen dat de eigendom van een gebouw of werk dat duur-zaam met de grond is verenigd aan een ander kan toebehoren dan de eigenaar van de grond.

4.3. [eiser] heeft ter comparitie naar voren gebracht dat het vestigen van een opstalrecht onnodig is geweest, aangezien de wasboxen met toebehoren roerende zaken zijn. Nog daargelaten dat niet geheel duidelijk is welk rechtsgevolg [eiser] aan deze stelling verbonden wil zien moet worden geoordeeld dat, nu [eiser] onvoldoende gemotiveerd heeft weersproken dat de wasboxen met toebehoren - zoals [gedaagde] in punt 9 van de conclusie van antwoord gemotiveerd heeft betoogd - duurzaam met de grond (bij het perceel aan de [adres] te [plaats]) zijn verenigd, aan deze stelling van [eiser] voorbij gegaan dient te worden.

4.4. Vast staat dat [eiser] tegen een koopprijs van EUR 41.974,-- het opstalrecht met betrekking tot de wasboxen met toebehoren heeft verkocht en op 23 juni 2003 heeft geleverd aan Kurstjens Onroerend Goed B.V. Nu Kurstjens Onroerend Goed B.V. ten tijde van de levering eigenaar was van het perceel waarop die opstallen zich bevonden, is dit opstalrecht door vermenging teniet gegaan. Nu voorts vast staat dat Kurstjens Onroerend Goed B.V. het perceel aan de [adres] te [plaats] met opstallen, waaronder begrepen de wasboxen met toebehoren, heeft verkocht en op 24 juni 2003 heeft geleverd aan [gedaagde], moet worden geconcludeerd dat [gedaagde] de eigendom heeft verkregen van de wasboxen met toebehoren. Dit strookt met het feit dat vanaf het tijdstip dat [gedaagde] eigenaar is van het perceel aan de [adres] te [plaats] hij een hogere huur bij [eiser] in rekening heeft gebracht. Dit hield verband met de omstandigheid, zo heeft [gedaagde] onweersproken ter comparitie gesteld, dat hij de eigendom had verkregen van de wasboxen, die toen in gebruik waren bij [eiser].

4.5. Het betoog van [eiser] dat het nimmer zijn bedoeling is geweest dat [gedaagde] de eigendom zou verkrijgen van de wasboxen maakt hetgeen in rechtsoverweging 4.4. is overwogen niet anders. [gedaagde] heeft de eigendom niet van [eiser] maar van Kurstjens Onroerend Goed B.V. verkregen. Overigens lijkt [eiser] uit het oog te verliezen dat hij weliswaar de eigendom van de wasboxen is verloren, maar dat hij dat zelf heeft bewerkstelligd door de verkoop van zijn opstalrecht tegen een door hem ontvangen koopprijs van EUR 41.974,--.

4.6. Verwijzing naar een brief d.d. 12 augustus 2004 van Simons namens Kurstjens Onroerend Goed B.V., waarin Simons stelt dat [eiser] eigenaar van de wasboxen is, kan [eiser] evenmin baten. Nog daargelaten dat die brief niet kan afdoen aan hetgeen hiervoor in rechtsoverweging 4.4. is overwogen heeft Simons bij brief van 18 april 2006 aan [gedaagde] medegedeeld dat de bewering in zijn brief van 12 augustus 2004 onjuist is.

4.7. De eindconclusie is dat de door [eiser] gevorderde verklaring voor recht niet toewijsbaar is. Dat geldt ook voor hetgeen subsidiair en meer subsidiair door [eiser] is gevorderd. Die vorderingen liggen immers in het verlengde van de gevraagde verklaring voor recht dat [eiser] eigenaar is van de wasboxen met toebehoren.

4.8. [eiser] zal als de in het ongelijk gestelde partij in de proceskosten worden veroordeeld. De kosten aan de zijde van [gedaagde] worden begroot op:

- explootkosten EUR 0,00

- vast recht 296,00

- getuigenkosten 0,00

- deskundigen 0,00

- overige kosten 0,00

- salaris procureur 904,00 (2,0 punten × tarief EUR 452,00)

Totaal EUR 1.200,00

5. De beslissing

De rechtbank:

5.1. wijst de vorderingen af;

5.2. veroordeelt [eiser] in de proceskosten, aan de zijde van [gedaagde] tot op heden begroot op EUR 1.200,00;

Dit vonnis is gewezen door mr. G.P. Loman en in het openbaar uitgesproken op 17 januari 2007.