Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBZLY:2007:BA9673

Instantie
Rechtbank Zwolle-Lelystad
Datum uitspraak
23-05-2007
Datum publicatie
16-07-2007
Zaaknummer
127245 / HA ZA 06-1479
Rechtsgebieden
Civiel recht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - enkelvoudig
Inhoudsindicatie

De vordering tot heffing van de erfdienstbaarheid op de grond van “geen redelijke belang meer” of “onvoorziene omstandigheden” (in casu gewijzigd gebruik van erfdienstbaarheid) wordt afgewezen.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

vonnis

RECHTBANK ZWOLLE-LELYSTAD

Sector civiel recht

zaaknummer / rolnummer: 127245 / HA ZA 06-1479

Vonnis van 23 mei 2007

in de zaak van

1. [eiser sub a],

en

2. [eiser sub b],

beiden wonende te [plaats],

eisers,

procureur mr. M.F.H.M. van Haastert,

advocaat mr. N.E. Koelemaij te Assen,

tegen

1. [gedaagde sub a],

en

2. [gedaagde sub b],

beiden wonende te [plaats],

gedaagden,

procureur mr. R.K.E. Buysrogge.

Partijen zullen hierna [eisers c.s.]. en [gedaagden c.s.] genoemd worden.

1. De procedure

1.1. Het verloop van de procedure blijkt uit:

- het tussenvonnis van 17 januari 2007

- het proces-verbaal van comparitie van 3 april 2007.

1.2. Ten slotte is vonnis bepaald.

2. De feiten

2.1. [eisers c.s.]. zijn eigenaar van een drietal schuren met erf en gronden, gelegen aan de [adres] te [plaats]. Hun eigendom grenst aan het perceel met woning ([adres] [nummer]) dat op 29 juli 2005 door [gedaagden c.s.] in eigendom is verworven. [gedaagden c.s.] oefenen een klusbedrijf uit, ten behoeve waarvan zij op hun perceel, achter de woning, een nieuwe schuur hebben gebouwd voor de opslag van materialen.

Op het perceel van [eisers c.s.]. rust ten behoeve van het perceel van [gedaagden c.s.] een erfdienstbaarheid, inhoudende een recht van weg om vanaf laatstgenoemd perceel via de bestaande wegen op eerstgenoemd perceel te gaan naar de openbare weg, de [adres], en omgekeerd. Deze uitweg loopt tussen twee aan [eisers c.s.]. toebehorende schuren door. De eerste (schuur A op de door [eisers c.s.]. ingebrachte situatieschets) wordt door [eisers c.s.]. gebruikt voor de opslag van - onder andere – hooi, en de tweede (schuur B) voor de stalling van fokmerries.

[gedaagden c.s.] hebben vanaf de [adres] een eigen inrit naar hun terrein; die wordt gebruikt als in- en uitrit voor de vrachtwagens van leveranciers, die niet verder komen dan het voorterrein, en als inrit voor de twee bedrijfsbusjes van [gedaagden c.s.], die zo langs de woning de schuur met materialen kunnen bereiken. Na in- of uitladen gebruiken die busjes de route tussen de schuren A en B als uitrit. Dat gebeurt enkele malen per dag.

3. Het geschil

3.1. [eisers c.s.]. vorderen opheffing van de erfdienstbaarheid.

3.2. [gedaagden c.s.] voeren verweer. Op de stellingen van partijen wordt hierna, voor zover van belang, nader ingegaan.

4. De beoordeling

4.1. [eisers c.s.]. baseren hun vordering op de stelling dat [gedaagden c.s.], nu zij ook op andere wijze dan over de grond van [eisers c.s.]. hun schuur kunnen bereiken, geen redelijk belang meer hebben bij de uitoefening van de erfdienstbaarheid en tevens op de stelling dat de komst van [gedaagden c.s.] met hun klusbedrijf een onvoorziene omstandigheid vormt, van dien aard, dat naar maatstaven van redelijkheid en billijkheid van [eisers c.s.]. niet de instandhouding van de erfdienstbaarheid kan worden gevergd.

4.2. Naar [eisers c.s.]. terecht hebben gesteld grenst hun perceel juist op het punt waar ingevolge de erfdienstbaarheid de uitweg is voorzien, niet aan de eigendom van

[gedaagden c.s.] maar aan dat van een derde, de oorspronkelijke eigenaar van de percelen van [eisers c.s.]. zowel als van [gedaagden c.s.]. Het is de rechtbank niet duidelijk welke conclusie [eisers c.s.]. aan die stelling verbonden wensen te zien. Als bedoeld is te concluderen dat [gedaagden c.s.] geen recht van uitweg hebben over het perceel van [eisers c.s.]., dan wel van dat recht geen gebruik kunnen maken, dan hebben laatstgenoemden geen belang bij hun vordering. Overigens hebben [gedaagden c.s.] onweersproken gesteld dat zij het recht van gebruik hebben gekregen van de strook grond die de percelen van partijen op die plaats van elkaar scheidt. Zij zijn derhalve in de positie dat zij gebruik kunnen maken van de erfdienstbaarheid die zij als heersend erf hebben ten opzichte van het erf van [eisers c.s.]. en doen dat feitelijk ook.

4.3. [gedaagden c.s.] hebben aangegeven dat hun belang bij het gebruik van de erfdienstbaarheid is gelegen in de mogelijkheid om met de bedrijfsbusjes – al dan niet met aanhanger – het terrein op te rijden, langs de woning naar de schuur met materialen en vervolgens met een boog weer weg te rijden. Op deze manier wordt voorkomen dat op het terrein tussen hun woning en bedoelde schuur moet worden gekeerd. Dat de ruimte daar te beperkt is om met een busje zonder manoeuvreren te draaien is door [eisers c.s.]. niet bestreden. In geval van een bus met aanhanger doet dit probleem zich des te meer gevoelen. Het bestaan van de uitweg over de grond van [eisers c.s.]. komt derhalve de efficiëntie van de bedrijfsvoering van [gedaagden c.s.] ten goede. Daargelaten de vraag hoe groot dit belang is, is er geen grond voor het oordeel dat [gedaagden c.s.] geen redelijk belang hebben bij de uitoefening van de erfdienstbaarheid.

4.4. In de akte waarbij de erfdienstbaarheid is gevestigd is bepaald: “wijziging van de bestemming van het heersend erf, het bouwen van gebouwen daarop of de verbouwing van bestaande opstallen zal nimmer worden aangemerkt als een ongeoorloofde verzwaring van de erfdienstbaarheid.” De wijze waarop na de komst van [gedaagden c.s.] van het recht van uitweg gebruik wordt gemaakt valt derhalve binnen de erfdienstbaarheid, zoals die is gevestigd. Wel kan dat gewijzigde en geïntensiveerde gebruik worden aangemerkt als een onvoorziene omstandigheid. Daarvan moet worden beoordeeld of die van dien aard is dat naar maatstaven van redelijkheid en billijkheid van [eisers c.s.]. niet de instandhouding van de erfdienstbaarheid kan worden gevergd.

4.5. [eisers c.s.]. hebben in dit verband toegelicht dat het huidige gebruik bezwaarlijk is omdat zij in een van de schuren, waar de busjes langs rijden, fokmerries houden, die gevoelig zijn voor stress als gevolg van lawaai, vreemde personen en uitlaatgassen. Te veel stress kan er toe leiden dat een merrie een veulen verliest.

Van de kant van [gedaagden c.s.] is onweersproken gesteld dat er per dag hoogstens vier- of vijfmaal een busje langs de stal komt, die daar op de minst bezwarende wijze, dus rustig, voorbij rijdt. Dat kan niet anders dan met zeer lage snelheid zijn, gelet op de geringe breedte van de doorgang en op het feit dat, nog voor de schuur helemaal gepasseerd is, een haakse bocht moet worden gemaakt. [eisers c.s.]. hebben niet aannemelijk gemaakt dat een aldus passerend bestelbus voor de paarden meer stresserend zou zijn dan het eerdere gebruik: het eenmaal in de paar weken per wagen afvoeren van schapen. Gewenning lijkt bij de paarden zelfs meer voor de hand te liggen in geval van een dagelijks regelmatig terugkerend verschijnsel dan bij een zich incidenteel voordoend fenomeen. Overigens zullen de paarden de meeste keren dat er een busje passeert niet in de schuur aanwezig zijn. Immers blijkens diens verklaring brengt de heer Juurlink de paarden ‘s morgens om ongeveer 11 uur naar de wei, waar zij ’s winters blijven zolang het licht is en ’s zomers tot 7 of 8 uur ’s avonds. In dit verband kan ook het argument van de uitlaatgassen niet erg overtuigen.

Het argument dat “vreemd volk” bij de paarden vandaan kan worden gehouden als de erfdienstbaarheid vervalt (en de toegang dus kan worden afgesloten) legt geen gewicht in de schaal; het ziet immers niet op het gebruik dat [gedaagden c.s.] van de erfdienstbaarheid maken. Voor zover [eisers c.s.]. hierbij het oog zou hebben op personeel van [gedaagden c.s.] is gesteld noch gebleken dat (de twee) personeelsleden zich op het erf van [eisers c.s.]. bij de schuur plegen op te houden of zich daarlangs te voet naar de [adres] begeven.

4.6. Het vorenstaande brengt de rechtbank tot de slotsom dat het gewijzigde gebruik van de erfdienstbaarheid niet van dien aard is, dat naar maatstaven van redelijkheid en billijkheid van [eisers c.s.]. niet de instandhouding van de erfdienstbaarheid kan worden gevergd. Er is derhalve geen grond om de gevraagde opheffing van de erfdienstbaarheid uit te spreken.

De vrees van [eisers c.s.]. dat intensivering van het gebruik door [gedaagden c.s.] in de toekomst problematisch zou kunnen worden, kan, wat daarvan ook zij, geen reden zijn om nu de erfdienstbaarheid op te heffen.

4.7. De stelling van [eisers c.s.]. dat [gedaagden c.s.] hebben toegezegd, althans hebben ingestemd met de voorwaarde, dat zij over eigen terrein een toegang naar de nieuw te bouwen schuur zouden aanleggen en dan zouden afzien van het gebruik van de erfdienstbaarheid, behoeft, wat daarvan ook zij, geen bespreking. De vordering ziet immers niet op de nakoming van een verbintenis door [gedaagden c.s.] maar op opheffing van de erfdienstbaarheid op de hiervoor genoemde gronden, ontleend aan de artikelen 78 en 79 van boek 5 BW.

4.8. Op grond van het voren overwogene zal de vordering worden afgewezen.

4.9. [eisers c.s.]. zullen als de in het ongelijk gestelde partij worden veroordeeld in de proceskosten, voor zover gevallen aan de zijde van [gedaagden c.s.] tot op heden begroot op

EUR 1.152,-.

5. De beslissing

De rechtbank

5.1. wijst de vordering af;

5.2. veroordeelt [eisers c.s.]. in de proceskosten, voor zover gevallen aan de zijde van [gedaagden c.s.] tot op heden begroot op EUR 1.152,-.

Dit vonnis is gewezen door mr. H.C. Moorman en in het openbaar uitgesproken op 23 mei 2007.