Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBZLY:2007:BA9658

Instantie
Rechtbank Zwolle-Lelystad
Datum uitspraak
05-07-2007
Datum publicatie
16-07-2007
Zaaknummer
AWB 06/1819
Formele relaties
Hoger beroep: ECLI:NL:GHARN:2009:BJ0361, (Gedeeltelijke) vernietiging en zelf afgedaan
Rechtsgebieden
Belastingrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - enkelvoudig
Inhoudsindicatie

Aanslagen dienen te worden aangemerkt als navorderingsaanslagen ex artikel 16, eerste lid, van de AWR. Naar het oordeel van de rechtbank dan ook geen sprake van het ten onrechte over de jaren 2002 tot en met 2004 tweemaal opleggen van een aanslag ozb over hetzelfde belastbare feit.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
FutD 2007-1371 met annotatie van Fiscaal up to Date
Belastingblad 2007/1091
V-N 2007/53.7 met annotatie van Redactie
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK ZWOLLE-LELYSTAD

Sector bestuursrecht, enkelvoudige belastingkamer

Registratienummer: AWB 06/1819

Uitspraak als bedoeld in artikel 8:77 van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) juncto artikel 26 Algemene wet inzake rijksbelastingen (AWR) in het geding tussen

A te B, eiser;

en

de heffingsambtenaar van de gemeente Hardenberg,

verweerder.

1.Ontstaan en loop van het geding

Aan eiser is ten behoeve van belastingjaar 2004 met dagtekening 5 oktober 2004 een aanslag onroerende-zaakbelastingen (eigenaar en gebruiker: hierna ozb) ten bedrage van € 314,40 opgelegd. Aan eiser is ten behoeve van de belastingjaren 2002 en 2003 met dagtekening 29 oktober 2004 aanslagen ozb ten bedrage van respectievelijk € 303,60 en € 294,00 opgelegd.

Eiser heeft tegen de aanslagen van 5 oktober 2004 en 29 oktober 2004 bij brief van 23 november 2004 bezwaar gemaakt.

Bij uitspraken op bezwaar van 28 juni 2006 heeft verweerder de bezwaren betreffende de aanslagen over de belastingjaren 2003 en 2002 niet-ontvankelijk verklaard, omdat de bezwaren niet tijdig zijn ingediend. Bij brief van 28 juni 2006 is eiser met betrekking tot belastingjaar 2004 medegedeeld dat het niet mogelijk is om opnieuw bezwaar in te dienen tegen de aanslag ozb 2004.

Eiser heeft daartegen op 8 augustus 2006 beroep ingesteld.

Verweerder heeft op 26 oktober 2006 een verweerschrift ingediend.

Het beroep is op 8 juni 2007 ter zitting behandeld. Eiser is verschenen bij zijn gemachtigde de heer W.R.J. Helmers. Verweerder heeft zich doen vertegenwoordigen door de heer J.L.C. Dam.

De rechtbank heeft vervolgens het onderzoek ter zitting gesloten.

2.De feiten

Aan eiser is ten behoeve van belastingjaar 2001 bij aanslagbiljet (nummer 129475) met dagtekening 25 januari 2002 een aanslag ozb ten bedrage van € 445,61 opgelegd.

Aan eiser is ten behoeve van belastingjaar 2002 bij aanslagbiljet (nummer 226304) met dagtekening 31 januari 2003 een aanslag ozb ten bedrage van € 468,00 opgelegd.

Aan eiser is ten behoeve van belastingjaar 2003 bij aanslagbiljet (nummer 229745) met dagtekening 28 februari 2003 een aanslag ozb ten bedrage van € 482,40 opgelegd.

Aan eiser is ten behoeve van belastingjaar 2004 bij aanslagbiljet (nummer 282496) met dagtekening 28 februari 2004 een aanslag ozb ten bedrage van € 499,80 opgelegd. Eiser heeft bij brief van 4 maart 2004, ontvangen op 8 maart 2004, daartegen bezwaar gemaakt en tevens gevraagd om correctie van de aanslagen over de belastingjaren 2001, 2002 en 2003.

Bij brief van 4 oktober 2004 heeft verweerder onder meer aan eiser medegedeeld dat eiser ten onrechte is aangeslagen voor het niet-woning tarief en dat eiser verminderingsbeschikkingen zal ontvangen voor de belastingjaren 2002 tot en met 2004.

Op 5 oktober 2004 is de aanslag over belastingjaar 2004 tot nihil verminderd. Op 26 oktober 2004 zijn de aanslagen over de belastingjaren 2002 en 2003 tot nihil verminderd.

3.Het geschil

In geschil is of de drie uitspraken op bezwaar van 28 juni 2006 de rechterlijke toetsing kunnen doorstaan.

Eiser heeft aangevoerd dat verweerder hem ten onrechte tweemaal heeft aangeslagen voor hetzelfde belastbare feit.

Verweerder heeft gesteld dat de aanslagen van 5 oktober 2004 en 29 oktober 2004 terecht zijn opgelegd.

Voor een meer uitvoerige motivering van de standpunten van partijen verwijst de rechtbank naar de gedingstukken.

4.Beoordeling van het geschil

Het beroep is gericht tegen de uitspraken op bezwaar van 28 juni 2006. Het beroep is eveneens gericht tegen de brief van verweerder van 28 juni 2006. Verweerder heeft ter zitting verklaard dat deze brief dient te worden aangemerkt als uitspraak op bezwaar, waartegen beroep kan worden ingesteld. De rechtbank kan zich vinden in dit standpunt van verweerder en vat de uitspraak op bezwaar op als een niet-ontvankelijk verklaring.

Ten aanzien van de ontvankelijkheid

De rechtbank overweegt dat in genoemde drie uitspraken op bezwaar is beslist op het door eiser ingediende bezwaarschrift van 23 november 2004. Dit bezwaarschrift is gericht tegen de opgelegde aanslagen van 5 oktober 2004 en 29 oktober 2004 over de jaren 2002 tot en met 2004.

Artikel 6:7 van de Awb bepaalt dat de termijn voor het indienen van een bezwaar- of beroepschrift zes weken bedraagt.

Ingevolge artikel 22j van de AWR vangt de termijn voor het instellen van bezwaar aan met ingang van de dag na die van dagtekening van een aanslagbiljet of van het afschrift van een voor bezwaar vatbare beschikking, tenzij de dag van dagtekening is gelegen vóór de dag van de bekendmaking, dan wel met ingang van de dag na die van de voldoening of de inhouding onderscheidenlijk de afdracht.

De rechtbank stelt vast dat het bezwaarschrift voor zover gericht tegen de aanslagen van 29 oktober 2004 binnen de geldende bezwaartermijn is ingediend. Verweerder heeft derhalve in de uitspraken op bezwaar van 28 juni 2006 het bezwaarschrift in zoverre ten onrechte niet-ontvankelijk verklaard.

Voor zover het bezwaarschrift is gericht tegen de aanslag van 5 oktober 2004 constateert de rechtbank dat het bezwaarschrift buiten de bezwaartermijn is ingediend.

Op grond van artikel 6:11 van de Awb blijft niet-ontvankelijk verklaring van een na afloop van de termijn ingediend bezwaarschrift achterwege, indien redelijkerwijs niet kan worden geoordeeld dat de indiener in verzuim is geweest.

Naar het oordeel van de rechtbank kan in dit geval redelijkerwijs niet geoordeeld worden dat eiser in verzuim is geweest. Hiertoe is van belang dat in de aanslag van 5 oktober 2004 in strijd met artikel 3:45 van de Awb geen rechtsmiddelenclausule is opgenomen. Het bezwaarschrift van eiser gericht tegen deze aanslag is door verweerder derhalve eveneens ten onrechte niet-ontvankelijk verklaard.

Eisers bezwaren tegen de niet-ontvankelijk verklaringen zullen door de rechtbank gegrond worden verklaard en de drie bestreden uitspraken op bezwaar van 28 juni 2006 komen om deze redenen in aanmerking voor vernietiging. De rechtbank ziet zich vervolgens gesteld voor de vraag of er aanleiding bestaat om met gebruikmaking van de bevoegdheid van artikel 8:72, vierde lid van de Awb zelf in de zaak te voorzien.

Ten aanzien van de aanslagen van 5 en 29 oktober 2004

De rechtbank stelt vast dat eiser op 31 januari 2003, 28 februari 2003 en 28 februari 2004 voor de belastingjaren 2002, 2003 en 2004 is aangeslagen voor de ozb. Deze aanslagen zijn op respectievelijk 5 oktober 2004 en 26 oktober 2004 tot nihil verminderd, omdat deze aanslagen ten onrechte waren gebaseerd op het (hogere) tarief voor niet-woningen. De aanslagen die eiser op 5 oktober 2004 en 29 oktober 2004 heeft ontvangen zijn gebaseerd op het (juiste en lagere) tarief voor woningen.

Aangezien eiser voor de belastingjaren 2002, 2003 en 2004 reeds voor de ozb is aangeslagen, dient te worden beoordeeld of de aanslagen van 5 oktober 2004 en 29 oktober 2004 moeten worden aangemerkt als navorderingsaanslagen ex artikel 16, eerste lid, van de AWR.

In artikel 16, eerste lid, van de AWR is bepaald dat, indien enig feit grond oplevert voor het vermoeden dat een aanslag ten onrechte achterwege is gelaten of tot een te laag bedrag is vastgesteld, dan wel dat een in de belastingwet voorziene vermindering, ontheffing, teruggaaf of heffingskorting ten onrechte of tot een te hoog bedrag is verleend, de inspecteur de te weinig geheven belasting dan wel de ten onrechte of tot een te hoog bedrag verleende heffingskorting kan navorderen.

Een feit, dat de inspecteur bekend was of redelijkerwijs bekend had kunnen zijn, kan geen grond voor navordering opleveren, behoudens in de gevallen waarin de belastingplichtige ter zake van dit feit te kwader trouw is.

De rechtbank overweegt dat uit voornoemd artikel volgt dat een navorderingsaanslag in beginsel gebaseerd moet worden op een feit dat de heffingsambtenaar bij het opleggen van de aanslag niet kende of behoefde te kennen.

Aangezien verweerder (ambtshalve) de aanslagen van 28 februari 2004, 23 februari 2003 en 31 januari 2003 tot nihil heeft verminderd en vervolgens op 5 en 29 oktober 2004 aanslagen heeft opgelegd, kan niet worden gesteld dat die aanslagen zijn gebaseerd op een feit dat de heffingsambtenaar niet kende of behoefde te kennen.

Verweerder heeft aangegeven dat het vanwege de gebruikte software niet mogelijk was om de aanslagen van 28 februari 2004, 28 februari 2003 en 31 januari 2003 te verminderen tot het bedrag dat eiser op basis van het tarief voor woningen verschuldigd was. Daarom zijn deze aanslagen op nihil gesteld en zijn vervolgens de bestreden aanslagen opgelegd.

De rechtbank overweegt dat in de jurisprudentie is aanvaard dat schrijf- of tikfouten of daarmee gelijk te stellen vergissingen door middel van een navorderingsaanslag kunnen worden hersteld, mits deze voor een belastingplichtig of diens gemachtigde onmiddellijk als zodanig herkenbaar waren.

De rechtbank is van oordeel dat de door verweerder geschetste technische problemen in dit geval eveneens door middel van een navorderingsaanslag kunnen worden hersteld, nu het voor eiser onmiddellijk duidelijk moet zijn geweest dat de aanslagen van 31 januari 2003, 28 februari 2003 en 28 februari 2004 ten onrechte tot nihil zijn verminderd.

De rechtbank overweegt hiertoe als volgt. Allereerst stelt de rechtbank vast dat eiser in zijn brief van 4 maart 2004 –voor zover hier van belang- heeft aangegeven dat hij ten onrechte is aangeslagen voor het tarief voor niet-woningen en heeft verzocht om gecorrigeerde aanslagen over de jaren 2002 tot en met 2004 berekend naar het tarief voor woningen. Voorts constateert de rechtbank dat verweerder bij brief van 4 oktober 2004 aan eiser heeft medegedeeld dat verweerder tot de conclusie is gekomen dat eiser ten onrechte voor het niet-woning tarief is aangeslagen. Verweerder vervolgt in die brief met de mededeling dat eiser binnen afzienbare tijd verminderingsbeschikkingen voor genoemde jaren zal ontvangen. Tenslotte wijst de rechtbank op de korte termijn die is gelegen tussen de data van vermindering van de ozb tot nihil en de data van het opleggen van nieuwe aanslagen. De rechtbank constateert dat dit voor wat het jaar 2004 betreft heeft plaatsgevonden op één en dezelfde dag, te weten 5 oktober 2004. Met betrekking tot de ozb over de jaren 2002 en 2003 stelt de rechtbank vast dat tussen de vermindering op 26 oktober 2004 en de navorderingsaanslagen over die twee jaren per 29 oktober 2004 slechts drie dagen hebben gelegen. Het moet derhalve voor eiser eveneens onmiddellijk duidelijk zijn geweest dat het verschuldigde bedrag aan ozb over de belastingjaren 2002, 2003 en 2004 niet nihil is.

Uit het voorgaande volgt dat de aanslagen van 5 oktober 2004 en 29 oktober 2004 dienen te worden aangemerkt als navorderingsaanslagen ex artikel 16, eerste lid, van de AWR. Naar het oordeel van de rechtbank is er dan ook geen sprake van het ten onrechte over de jaren 2002 tot en met 2004 tweemaal opleggen van een aanslag ozb over hetzelfde belastbare feit.

Nu eiser geen gronden heeft aangevoerd tegen de hoogte van de opgelegde navorderingsaanslagen, ziet de rechtbank ook overigens geen aanleiding om de opgelegde navorderingsaanslagen ozb over de de belastingjaren 2002, 2003 en 2004 ten bedrage van respectievelijk € 294,00, € 303,60 en € 314,40 voor onjuist te houden.

De rechtbank ziet gelet op het bovenstaande aanleiding om zelf in de zaak te voorzien en zal haar uitspraak in de plaats stellen van de vernietigde uitspraken op bezwaar van 28 juni 2006.

5.Proceskosten

De rechtbank acht geen termen aanwezig voor het uitspreken van een proceskostenveroordeling als bedoeld in artikel 8:75 van de Awb. Wel dient de gemeente Harderberg het door eiser betaalde griffierecht te vergoeden.

6.Beslissing

De rechtbank:

-verklaart het beroep gegrond;

-vernietigt de uitspraken op bezwaar van 28 juni 2006;

-verklaart het bezwaarschrift van 23 november 2004 ongegrond;

-bepaalt dat deze uitspraak in de plaats treedt van de vernietigde uitspraken op bezwaar van 29 juni 2006;

-gelast dat de gemeente Hardenberg het door eiser betaalde griffierecht van € 38,-- vergoedt.

Aldus gewezen door mr. F.G. van Arem en in het openbaar uitgesproken, in tegenwoordigheid van mr. E.N.M. van de Beld, griffier, op

Afschrift verzonden op:

Rechtsmiddel

Tegen deze uitspraak kunnen partijen binnen zes weken na de verzenddatum:

- hoger beroep instellen bij het gerechtshof te Arnhem (belastingkamer), Postbus 9030, 6800 EM Arnhem;

dan wel

- beroep in cassatie instellen bij de Hoge Raad der Nederlanden (belastingkamer), Postbus 20303, 2500 EH Den Haag, mits de wederpartij daarmee schriftelijk instemt. N.B. Bij het bestuursorgaan berust de bevoegdheid tot het instellen van beroep in cassatie niet bij de ambtenaar die de procedure voor de rechtbank heeft gevoerd.

Bij het instellen van hoger beroep dan wel beroep in cassatie dient het volgende in acht te worden genomen:

1 - bij het beroepschrift wordt een afschrift van deze uitspraak overgelegd.

2 - het beroepschrift moet ondertekend zijn en ten minste het volgende vermelden:

a. de naam en het adres van de indiener;

b. een dagtekening;

c. een omschrijving van de uitspraak waartegen het hoger beroep dan wel het beroep in cassatie is ingesteld;

d. de gronden van het hoger beroep dan wel het beroep in cassatie.

Bij het instellen van beroep in cassatie dient daarnaast in acht te worden genomen dat bij het beroepschrift een schriftelijke verklaring van de wederpartij wordt gevoegd, inhoudende dat wordt ingestemd met het instellen van beroep in cassatie tegen de uitspraak van de rechtbank.