Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBZLY:2007:BA9552

Instantie
Rechtbank Zwolle-Lelystad
Datum uitspraak
28-03-2007
Datum publicatie
13-07-2007
Zaaknummer
118307 / HA ZA 06-316
Rechtsgebieden
Civiel recht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Inhoudsindicatie

Uitleg overeenkomst

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

vonnis

RECHTBANK ZWOLLE-LELYSTAD

Sector civiel recht

zaaknummer / rolnummer: 118307 / HA ZA 06-316

Vonnis van 28 maart 2007

in de zaak van

de naamloze vennootschap

N.V. NUON BUSINESS,

gevestigd te Amsterdam,

eiseres,

procureur mr. J.A. van Wijmen,

advocaat mr. M.E. Koppenol-Laforce te Amsterdam,

tegen

de besloten vennootschap met beperkte aansprakelijkheid

KONINKLIJKE KAMPERT EN HELM ROTAFORM B.V.,

gevestigd en kantoorhoudende te Lelystad,

gedaagde,

procureur mr. M.F.H.M. van Haastert,

advocaat mr. B.J. van den Broek te Amsterdam.

Partijen zullen hierna Nuon en Rotaform genoemd worden.

1. De procedure

1.1. Het verloop van de procedure blijkt uit:

- de dagvaarding van 22 februari 2006 met producties;

- akte verbetering dagvaarding;

- de conclusie van antwoord met producties;

- de conclusie van repliek;

- de conclusie van dupliek;

- de pleidooien.

1.2. Ten slotte is vonnis bepaald.

2. De feiten

2.1. Op 1 januari 1997 en 1 april 1997 zijn tussen Nuon en Rotaform Energieleveringsovereenkomsten van kracht geworden voor levering van elektriciteit door Nuon aan de twee vestigingen van Rotaform te Lelystad. Deze overeenkomsten zullen hierna gezamenlijk de Energieleveringsovereenkomst worden genoemd.

2.2. Bij brief van 15 december 1998 heeft Nuon aan Rotaform onder meer het volgende geschreven:

“ (…) Naar aanleiding van het telefoongesprek d.d. 14 december fax ik u de berekening betreffende het verschil in kosten als u nu het contract tekent of in 1999.

Op het berekeningsblad zijn de prijzen voor natuurstroom 1998 resp. 1999 aangegeven. (…)”

Op het berekeningsblad is vermeld:

“Vergelijk in kosten voor Natuurstroom 1998 – 1999

Kampert & Helm Rotaform te Lelystad

(…)

Verbruik voor Natuurstroom kWh

[adres A]

(…)

Verbruik voor Natuurstroom kWh

[adres B]

(…)”

2.3. Met ingang van 1 januari 1998 is tussen Nuon en Rotaform een ‘Overeenkomst inzake de opwekking van Natuurstroom’ (hierna: de Natuurstroomovereenkomst) van kracht. Daarin is, voor zover hier van belang, het volgende bepaald:

“(…) Nuon (…)

en

(…) Rotaform (…)

overwegende,

(…)

dat Natuurstroomklant met het oog op de daaraan verbonden voordelen voor het milieu dit initiatief van NUON wil ondersteunen door een hoeveelheid elektrische energie, overeenkomend met een gedeelte van het jaarlijks elektriciteitsgebruik van Natuurstroomklant door NUON te doen opwekken met gebruikmaking van wind-, zonne- of waterkracht;

(…)

verklaren te zijn overeengekomen als volgt:

Artikel 1

NUON staat er jegens Natuurstroomklant voor in dat tijdens de duur van deze overeenkomst jaarlijks een hoeveelheid elektrische energie van 450.000 kWh, overeenkomend met het volledige jaarverbruik in de [adres A] (geschat op 150.000 kWh) en 300.000 kWh voor de aansluiting in de [adres B], wordt opgewekt met gebruikmaking van schone en duurzame energiebronnen, namelijk wind- zonne- of waterkracht.

Artikel 2

Voor de ingevolge artikel 1 door NUON op te (doen) wekken hoeveelheid Natuurstroom zal Natuurstroomklant NUON tijdens de duur van deze overeenkomst jaarlijks een vergoeding betalen van 7,0 cent per kWh exclusief BTW, te berekenen over de hoeveelheid energie als genoemd in artikel 1.

De toeslag voor Natuurstroom zal eens per jaar worden gecorrigeerd voor geldontwaarding (…).

Artikel 8

Deze overeenkomst gaat in op 1 januari 1999 en wordt (…) aangegaan voor een periode van 20 (twintig) jaar en wordt daarna steeds stilzwijgend met een periode van één jaar verlengd, tenzij één van beide partijen twee maanden voor de afloop van die periode schriftelijk aan de wederpartij kenbaar maakt het contract te willen beëindigen.”

2.4. Bij facturen van onder meer 16 juli 1999, 29 november 2001 en 9 september 2002 heeft Nuon natuurstroom aan Rotaform in rekening gebracht, overeenkomend met de in de Natuurstroomovereenkomst overeengekomen hoeveelheid per locatie van Rotaform.

2.5. Rotaform heeft, met inachtneming van de daarvoor geldende opzegtermijn, de Energieleveringsovereenkomst beëindigd met ingang van 2002.

2.6. Bij brief van [naam], als director marketing and sales verbonden aan Nuon, van 13 mei 2003 is aan Rotaform meegedeeld, voor zover thans van belang, dat gebleken is dat Rotaform voor stroomgebruik naar een andere leverancier is overgegaan en dat de Natuurstroomovereenkomst niet formeel beëindigd is.

2.7. Bij brief van [naam], directeur van Rotaform, van 28 mei 2003 is aan Nuon meegedeeld, voor zover van belang, dat de Natuurstroomovereenkomst slechts inhoudt dat van de elektriciteit die Nuon krachtens de Energieleveringsovereenkomst levert een bepaald deel op schone wijze zal worden opgewekt en dat met het eindigen van de Energieleveringsovereenkomst de Natuurstroomovereenkomst haar werking heeft verloren.

2.8. Rotaform stelt onweersproken, dat per 1 januari 1998 aan artikel 36i van de Wet belastingen op milieugrondslag (Wbm) een 6e lid is toegevoegd, luidende:

“In afwijking van het eerste lid, onderdeel e, bedraagt het tarief voor elektriciteit, bedoeld in artikel 36o, eerste lid, nihil, voor zover ter zake van de levering ervan een specifiek contract is gesloten met de gebruiker.”

2.9. In de Memorie van Toelichting bij het voorstel ‘Wijziging van enkele belastingwetten c.a. 1998 (fiscale milieuversterking)’ is onder het kopje Nihiltarief regulerende energiebelasting voor groene stroom de volgende toelichting gegeven:

“(…)

Voor de afbakening van de groene stroom waarvoor het nihiltarief zal gelden, is aangesloten bij de definitie die reeds is opgenomen in artikel 36o van de Wet belastingen op milieugrondslag. In deze bepaling is de bijzondere regeling, inhoudende een vermindering van regulerende energiebelasting, voor duurzame energie opgenomen. Het gaat daarbij om elektriciteit die is opgewekt door middel van windenergie, zonne-energie, kleinschalige waterkracht of installaties waarin biomassa zonder bijstook of bijmenging van kunststoffen thermisch wordt verwerkt onder omzetting in elektriciteit. De opgewekte groene stroom wordt gedistribueerd via het bestaande elektriciteitsnet, waardoor het niet mogelijk is om bij levering van elektriciteit aan de eindverbruiker een onderscheid te maken tussen groene en conventionele stroom. Hoeveel groene stroom een distributiebedrijf aangeleverd heeft gekregen of heeft ingekocht, zal blijken uit de boekhouding. In de praktijk vindt levering van groene stroom plaats door voor de hoeveelheid aangeleverde groene stroom contracten te sluiten met afnemers die bereid zijn voor de (papieren) afname een hoger bedrag te betalen dan zij bij levering van conventionele stroom verschuldigd zouden zijn. Het nihiltarief zal dan ook uitsluitend gelden voor leveringen aan afnemers die zo’n contract hebben. Uiteraard zal er niet meer groene stroom kunnen worden verkocht dan er aan duurzame energie is opgewekt of ingekocht. (…)”

2.10. Bij de artikelsgewijze toelichting is onder meer vermeld:

“In artikel 36i wordt een nieuw lid ingevoegd, waarin het nihiltarief voor op duurzame wijze geproduceerde elektriciteit is opgenomen. Het nihiltarief is slechts van toepassing indien er een contract is tussen het leverende energiedistributiebedrijf en de afnemer inzake de levering van groene stroom. Daardoor wordt bewerkstelligd dat alleen afnemers die daadwerkelijk bereid zijn tot afname van (duurdere) groene stroom, profiteren van het nihiltarief. Bovendien vergemakkelijken de contracten de controle op de juiste toepassing van het nihiltarief. Het is zo niet mogelijk dat het energiebedrijf dit tarief toepast op meer kilowattuur dan het daadwerkelijk levert.”

2.11. Per 1 januari 2005 is voormelde bepaling vervallen en is de regulerende energiebelasting afgeschaft.

3. Het geschil

3.1. Nuon vordert, samengevat, primair dat de rechtbank voor recht verklaart dat opzegging van de Energieleveringsovereenkomst geen tussentijdse beëindiging van de Natuurstroomovereenkomst meebracht zodat de Natuurstroomovereenkomst onverminderd van kracht is, en dat Rotaform wordt veroordeeld tot betaling van EUR 79.566,47,

subsidiair, voor het geval de rechtbank oordeelt dat door opzegging de Natuurstroomovereenkomst is beëindigd, veroordeling van Rotaform tot betaling van door Nuon geleden schade wegens onrechtmatige opzegging van EUR 403.474,62.

3.2. Rotaform voert verweer. Op de stellingen van partijen wordt hierna, voor zover van belang, nader ingegaan.

4. De beoordeling

4.1. Partijen verschillen in deze zaak van mening over de vraag wat zij zijn overeengekomen. In het bijzonder heeft het debat tussen hen zich toegespitst op de vraag of de beëindiging van de Energieleveringsovereenkomst gevolgen heeft voor de werking van de Natuurstroomovereenkomst.

4.2. Nuon heeft gesteld, kort weergegeven, dat de Natuurstroomovereenkomst erop ziet dat zij namens Rotaform een investering doet in het milieu middels opwekking van energie met wind-, zonne- of waterkracht, hetgeen zij nog steeds doet overeenkomstig de Natuurstroomovereenkomst. Volgens Nuon bestaat de Natuurstroomovereenkomst zelfstandig naast de door Rotaform vanwege de overstap naar een andere energieleverancier opgezegde Energieleveringsovereenkomst. Die opzegging heeft volgens Nuon dan ook geen rechtsgevolgen voor het voortbestaan van de Natuurstroomovereenkomst, zodat Rotaform gehouden is gedurende de resterende looptijd van die overeenkomst de daaruit voortvloeiende betalingsverplichting voor de opgewekte groene stroom na te komen.

4.3. Rotaform is daarentegen van mening, kort weergegeven, dat de Natuurstroomovereenkomst voortbouwt op, althans afhankelijk is van, de Energieleveringsovereenkomst. Volgens haar hebben partijen met de Natuurstroomovereenkomst beoogd om een deel van de door Nuon aan haar op grond van de Energieleveringsovereenkomst geleverde stroom als groene stroom te leveren. Door opzegging van de Energieleveringsovereenkomst is de grond aan de Natuurstroomovereenkomst komen te ontvallen, zodat die haar werking op dit punt heeft verloren en zij niet langer gehouden is te voldoen aan de betalingsverplichting voor groene stroom uit de Natuurstroomovereenkomst.

4.4. De vraag wat partijen zijn overeengekomen kan niet worden beantwoord enkel op grond van een taalkundige uitleg van de bewoordingen van de Natuurstroomovereenkomst. Het komt ook aan op de zin die partijen over en weer redelijkerwijs aan elkaars verklaringen en gedragingen mochten toekennen en op hetgeen zij te dien aanzien redelijkerwijs van elkaar mochten verwachten. In deze zaak is in het bijzonder de vraag aan de orde of partijen bij het aangaan van de Natuurstroomovereenkomst een onlosmakelijke samenhang daarvan hebben beoogd met de Energieleveringsovereenkomst. Bij de beantwoording van die vraag speelt de toepasselijke regelgeving een rol.

4.5. Voorop staat dat geen afzonderlijk distributienet bestaat voor natuurstroom. Opgewekte natuurstroom wordt geplaatst op het reguliere distributienet en vanaf dat moment kan deze niet meer worden onderscheiden van conventionele (grijze) stroom. Natuurstroom werd tot 1 januari 1998 door middel van de regulerende energiebelasting op gelijke wijze belast als conventionele stroom. Omdat de opwekkingskosten van natuurstroom hoger zijn, was natuurstroom duurder dan conventionele stroom. Per 1 januari 1998 is aan artikel 36i Wbm een zesde lid toegevoegd dat beoogde het gebruik van groene stroom te stimuleren door hiervoor een nihiltarief regulerende energiebelasting te introduceren. Van die belasting kon onder de in artikel 36i Wbm geformuleerde voorwaarde nihilstelling worden verkregen, welke voorwaarde inhield dat tussen een energieleverancier en eindverbruiker een contract bestond tot levering van natuurstroom. Gelezen de onder 2.9 en 2.10 weergegeven passages is de wetgever van levering van groene stroom uitgegaan en is –nu geen afzonderlijk distributienet voor groene stroom bestond- de daadwerkelijke levering vervangen door een papieren levering, welke uit de boekhouding blijkt. Maar deze papieren levering was wel degelijk gebaseerd op de daadwerkelijke levering van stroom door de energieleverancier aan de eindgebruiker.

4.6. Voorafgaand aan het sluiten van de Natuurstroomovereenkomst hebben partijen gesproken over de mogelijkheid van de bedoelde nihilstelling van de regulerende energiebelasting. Over die nihilstelling heeft Rotaform gesteld, en Nuon heeft dat ook met zoveel woorden beaamd, dat die voor haar een commercieel belangrijke overweging was om voor groene stroom te kiezen. Immers, door nihilstelling werd het voor Rotaform aantrekkelijk om op groene stroom over te gaan, omdat zij zich daardoor tegen (vanwege de nihilstelling) relatief geringe meerkosten kon profileren als een milieuvriendelijke onderneming. In die periode heeft Nuon blijkens de onder 2.2 gedeeltelijk weergegeven brief en het daarbij gevoegde berekeningsblad een specificatie gemaakt van de prijs van natuurstroom en de regulerende energiebelasting daarover voor elk van de twee locaties van Rotaform voor het geval de Natuurstroomovereenkomst in 1998 of in 1999 zou worden ondertekend. Volgens Nuon was het voordeliger om de overeenkomst in 1998 te ondertekenen, hetgeen, zo kan uit het berekeningsblad worden afgeleid, verband hield met een stijging van de regulerende energiebelasting in 1999 ten opzichte van 1998.

4.7. Volgens Nuon staat de Natuurstroomovereenkomst los van de electriciteitslevering, in die zin dat die overeenkomst haar slechts zou verplichten tot opwekking van de daarin overeengekomen hoeveelheid stroom op een duurzame wijze waarbij het er niet toe doet of die groene stroom ook daadwerkelijk als zodanig (als onderdeel van de totale stroomleverantie) aan Rotaform geleverd zou worden.

4.8. Deze uitleg staat op gespannen voet met de feiten. De in het contract vermelde op te wekken hoeveelheid van 150.000 kWh stroom als natuurstroom voor de [adres A] komt overeen met de geschatte hoeveelheid stroom die jaarlijks krachtens de Energieleveringsovereenkomst aan deze locatie werd geleverd. De hoeveelheid van 300.000 kWh voor de [adres B] is een deel van het geschatte jaarverbruik van deze locatie. In de Natuurstroomovereenkomst werd dus wel degelijk aansluiting gezocht bij het daadwerkelijke stroomverbruik per locatie.

Dat het niet slechts ging om opwekking van groene stroom, maar om daadwerkelijke levering, vindt ook steun in het berekeningsblad bij de brief van Nuon van 15 december 1998. Daarin wordt met zoveel woorden aangegeven dat het gaat om verbruik van natuurstroom voor de twee locaties van Rotaform.

Dat sprake is van een koppeling blijkt ook uit de in artikel 2 van de Natuurstroomover-eenkomst genoemde bedrag, dat als toeslag op het normale bedrag voor de door Nuon te leveren grijze stroom moest worden betaald.

Dat van levering werd uitgegaan lag ook voor de hand. Levering was immers voorwaarde om voor nihilstelling van de regulerende energiebelasting in aanmerking te komen. De uit de boekhouding blijkende leveringen dienden gebaseerd te zijn op de daadwerkelijke leveringen van stroom aan de beide locaties. Zonder feitelijke levering kwam de grondslag aan de papieren levering en daarmee aan de nihilstelling te ontvallen.

Derhalve moet het er voor gehouden worden dat de Natuurstroomovereenkomst niet op zichzelf stond maar onlosmakelijk gekoppeld was aan daadwerkelijke levering van stroom en derhalve aan de Energieleveringsovereenkomst.

4.9. Dat ook Nuon niet alleen opwekking maar ook levering van natuurstroom en dus de bedoelde koppeling kennelijk beoogd heeft, kan voorts worden afgeleid uit de voor de twee locaties van Rotaform afzonderlijk gemaakte facturen van juli 1999, november 2001 en september 2002. Daarin is met zoveel woorden aangegeven dat die de geleverde natuurstroom volgens contract betreffen en is tevens de hoogte van de aftrek van de regulerende energiebelasting vermeld.

4.10. Nuon heeft ter onderbouwing van haar standpunt gesteld dat sinds de afschaffing van de regulerende energiebelasting per 1 januari 2005 het niet langer commercieel noodzakelijk is dat de leverancier waarmee de afnemer een stroomleveringscontract heeft gesloten, tevens natuurstroom laat opwekken. Echter, die afschaffing is een omstandigheid die zich eerst voordeed geruime tijd na het sluiten van de Natuurstroomovereenkomst, zodat die geen rol kan spelen bij de cruciale vraag wat partijen zijn overeengekomen.

4.11. De conclusie is dat door opzegging van de Energieleveringsovereenkomst de grondslag aan de betalingsverplichting uit hoofde van de Natuurstroomovereenkomst kwam te ontvallen. De Natuurstroomovereenkomst zelf blijft overigens in stand. Opzegging of beëindiging van de Energieleveringsovereenkomst vormt geen grond tot beeindiging van de Natuurstroomovereenkomst, zoals Nuon terecht heeft gesteld. Evenmin is gebleken van een wel overeengekomen beëindigingsgrond. Het enkele gevolg van de beeindiging van de Energieleveringsovereenkomst is, dat aan de betalingsverplichting uit hoofde van de Natuurstroomovereenkomst de grondslag komt te ontvallen. Zodra Nuon weer stroom levert aan Rotaform is Rotaform naast de prijs voor de stroom op basis van de (nieuwe) Energieleveringsovereenkomst ook de toeslag voor groene stroom op basis van de (bestaande en van kracht blijvende) Natuurstroomovereenkomst weer verschuldigd.

4.12. Een en ander impliceert dat de Natuurstroomovereenkomst door de opzegging van Energieleveringsovereenkomst weliswaar van kracht blijft, maar niet onverminderd, nu aan de betalingsverplichting de grondslag is komen te ontvallen. Derhalve is de primair gevorderde verklaring voor recht niet toewijsbaar.

4.13. De subsidiaire vordering is evenmin toewijsbaar, aangezien geen sprake is van opzegging van de Natuurstroomovereenkomst.

4.14. De overige verweren van Rotaform behoeven geen behandeling meer.

4.15. Nuon zal als de in het ongelijk gestelde partij in de proceskosten van Rotaform worden veroordeeld. Deze kosten worden tot op heden aan de zijde van Rotaform begroot op:

- vast recht 1.750,00

- salaris procureur 3.580,00(4 punten × tarief EUR 895,00)

Totaal EUR 5.330,00

5. De beslissing

De rechtbank

I wijst de vordering af;

II veroordeelt Nuon in de proceskosten, aan de zijde van Rotaform tot op heden begroot op EUR 5.330,00;

III verklaart deze proceskostenveroordeling uitvoerbaar bij voorraad.

Dit vonnis is gewezen door mr. J.W.F. Houthoff, mr. H. de Hek en mr. H. Vegter en in het openbaar uitgesproken op 28 maart 2007.