Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBZLY:2007:BA9534

Instantie
Rechtbank Zwolle-Lelystad
Datum uitspraak
03-07-2007
Datum publicatie
13-07-2007
Zaaknummer
AWB 07/149
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - enkelvoudig
Inhoudsindicatie

Opgelegde boete aan onderwijsinstelling in verband met tewerkstellen van een vreemdeling zonder tewerkstellingsvergunning in het kader van een stage door rechtbank vernietigd. Verantwoordelijkheid van onderwijsinstelling strekt zich enkel uit over de overeengekomen stageperiode zoals neergelegd in de stageovereenkomst. Eiseres kan niet als werkgever in de zin van de Wav gekwalificeerd worden voor het werk dat na afloop van de overeengekomen stageperiode is verricht.

Wetsverwijzingen
Wet arbeid vreemdelingen
Wet arbeid vreemdelingen 2
Wet arbeid vreemdelingen 8
Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
JV 2007/457

Uitspraak

RECHTBANK ZWOLLE-LELYSTAD

Sector Bestuursrecht, Enkelvoudige Kamer

Registratienummer: Awb 07/149

Uitspraak

in het geding tussen:

Stichting Landstede,

gevestigd te Zwolle, eiseres,

en

de Minister van Sociale Zaken en Werkgelegenheid, rechtsopvolger van de Staatssecretaris van Sociale Zaken en Werkgelegenheid,

gevestigd te ‘s - Gravenhage, verweerder.

1. Procesverloop

Bij besluit van 17 januari 2006 (hierna: het primaire besluit) heeft verweerder aan eiseres een boete ad € 8.000,00 opgelegd wegens het op 4 maart 2005 tewerkstellen van een vreemdeling zonder tewerkstellingsvergunning. Eiseres heeft daartegen bij brief van 23 februari 2006, ingekomen op 28 februari 2006, bezwaar ingediend. Het bezwaar is bij het bestreden besluit van 11 december 2006 gedeeltelijk gegrond verklaard waarbij de boete door verweerder is gematigd tot een bedrag van € 4.000,00.

Bij brief van 17 januari 2007, ingekomen bij de rechtbank op 19 januari 2006 (de rechtbank begrijpt: 19 januari 2007), is namens eiseres beroep ingesteld tegen het bestreden besluit. Op 20 februari 2007 is het verweerschrift binnengekomen.

Het beroep is op 22 mei 2007 ter zitting behandeld. Eiseres heeft zich ter zitting laten vertegenwoordigen door F. Boels (medewerker planning en control) en R.J. Veeninga (controller). Verweerder heeft zich ter zitting laten vertegenwoordigen door R.E. van der Kamp.

2. Overwegingen

Partijen zijn in geschil over de vraag of verweerder het besluit tot oplegging van een boete op grond van de Wet arbeid vreemdelingen (hierna: Wav) bij het bestreden besluit heeft kunnen handhaven. De boete betreft het op 4 maart 2005 tewerkstellen van een vreemdeling zonder tewerkstellingsvergunning.

De rechtbank gaat bij de beoordeling uit van de volgende feiten en omstandigheden.

ROC Landstede is een onderwijsinstelling. Het onderwijs van ROC Landstede is ondergebracht in Stichting Landstede (eiseres). Landstede Beroepsopleidingen is een cluster binnen Stichting Landstede.

(...) (hierna: A) volgde een opleiding bij Landstede Beroepsopleidingen.

De opleiding betrof een zogenoemde Beroepsopleidende leerweg (BOL) waarbij onderricht in de praktijk (stage), onderdeel uitmaakt van de beroepsopleiding, conform artikel 7.2.8 lid 1 van de Wet educatie en beroepsonderwijs.

Blijkens het ambtsedig opgemaakt boeterapport van 10 augustus 2005 hebben twee inspecteurs van de Arbeidsinspectie op 4 maart 2005 een zevental personen aangetroffen die arbeid verrichtten in het Chinese restaurant (...) te (..). Eén van deze personen betrof A. A is van Chinese nationaliteit en werd aangetroffen in het restaurantgedeelte terwijl zij drinken serveerde aan klanten. A heeft in het kader van de beroepsopleiding die zij volgde bij eiseres, meerdere malen stage gelopen bij(...) Daartoe heeft eiseres op basis van artikel 7.2.8 lid 2 van de Wet educatie beroepsonderwijs zogeheten “Praktijkovereenkomsten Beroepsopleidende leerweg” (hierna: stage-overeenkomst) afgesloten met A en (..). In de voor dit geschil relevante stageovereenkomst, is opgenomen dat de stageperiode 15 november 2004 tot 28 januari 2005 betreft en dat de stage bestaat uit 400 studiebelastinguren. De werkzaamheden van A bestonden uit het ontvangen van klanten, serveren van drankjes en schoonmaken. Ten behoeve van A heeft eiseres een tewerkstellingsvergunning aangevraagd en gekregen voor de periode 17 december 2004 tot 28 januari 2005.

A is door een inspecteur van de Arbeidsinspectie op 4 maart 2005 als getuige gehoord waarbij zij onder meer het volgende heeft verklaard:

“Ik loop 5 dagen per week, 8 uur per dag stage bij(..). (…) Mijn school heeft een tewerkstellingsvergunning aangevraagd voor mijn stage bij (..). Ik moest eigenlijk stage lopen tot 28 februari 2005. Ik heb toen mijn voet geblesseerd, waardoor ik een tijdje geen stage heb kunnen lopen. Ik ben deze tijd nu aan het inhalen.(…) Ik weet niet voor welke periode de school een tewerkstellingsvergunning voor mij verleend heeft gekregen.”

Partijen hebben in beroep, samengevat, de volgende standpunten ingenomen.

Eiseres stelt dat er geen sprake is van arbeid nu A in het kader van haar beroepsopleiding stage heeft gelopen bij een bedrijf. De stage betrof onderwijs in een praktijksetting waarbij tevens zogenaamde terugkomdagen alsmede bezoeken van docenten aan het bedrijf werden georganiseerd. Eiseres stelt dat A zich ergens in januari 2005 vanwege een blessure aan haar voet ziek heeft gemeld. Er is meerdere malen getracht telefonisch contact met A te krijgen, hetgeen niet is gelukt. An is na herstel van haar blessure weer gaan werken bij (...), zonder eiseres daarvan op de hoogte te stellen. Volgens eiseres kan het niet zo zijn dat zij verantwoordelijk wordt gehouden voor arbeid verricht vóór of na afloop van de stageperiode, zeker niet nu zowel A als (...) op de hoogte waren van de stageperiode waar de tewerkstellingsvergunning op zag.

Verweerder meent dat een stage dient te worden aangemerkt als arbeid, dat eiseres is aan te merken als werkgever in de zin van de Wav en dat eiseres derhalve verantwoordelijk is voor de aanwezigheid van een tewerkstellingsvergunning. Het feit dat A haar werk bij (...) heeft hervat zonder eiseres daarvan op de hoogte te stellen, betekent volgens verweerder dat er sprake is van verminderde verwijtbaarheid, tengevolge waarvan de boete in het bestreden besluit op € 4.000,000 in plaats van € 8.000,00 is vastgesteld. Deze omstandigheid kan echter niet leiden tot het volledig ontbreken van verwijtbaarheid. Van eiseres had gevergd mogen worden dat zij - nadat zij geen telefonisch contact met A kon krijgen na haar ziekmelding - zowel (...) als A schriftelijk zou wijzen op de (consequenties van de) beperkte geldigheid van de tewerkstellingsvergunning.

Partijen zijn gelet op het voorgaande verdeeld over de vraag of er sprake is van arbeid, of eiseres is aan te merken als werkgever en tot slot of, en zo ja, in welke mate er sprake is van verwijtbaarheid aan de zijde van eiseres. De rechtbank zal deze vragen achtereenvolgens bespreken.

Niet in geschil is dat A in restaurant (...) klanten heeft ontvangen, drankjes heeft geserveerd en schoon heeft gemaakt. Daarmee heeft A feitelijk arbeid verricht. Het feit dat zij dit in de vorm van een stage als onderdeel van een beroepsopleiding heeft gedaan, kan niet tot het oordeel leiden dat er geen sprake is van arbeid in de zin van de Wav. Daarbij heeft de rechtbank mede acht geslagen op artikel 8 lid 3 van de Wav, uit welk artikel volgt dat de wetgever tevens voor opleidingssituaties en werkzaamheden door stagiaires het vereiste van een tewerkstellingvergunning hanteert. Het eisen van een tewerkstellings-vergunning zou niet in de rede liggen indien de wetgever stagewerkzaamheden niet als arbeid in de zin van de Wav zou beschouwen. De rechtbank is dan ook van oordeel dat A arbeid in de zin van de Wav heeft verricht.

De rechtbank overweegt voorts dat indien er sprake is van het verrichten van arbeid, degene die de vreemdeling deze arbeid laat verrichten, als werkgever is aan te merken in de zin van de Wav. In de Memorie van Toelichting ( TK, 23 574, nr. 3, p. 4 en 13) wordt omtrent het begrip werkgeverschap het volgende overwogen:

“ De eerste aanpassing, een ruimere definitie van het begrip werkgever, is bedoeld om duidelijk te maken dat het een werkgever/opdrachtgever altijd verboden is zonder vergunning vreemdelingen arbeid te laten verrichten (…).

In het wetsvoorstel is degene die in een ambt, beroep of bedrijf een ander arbeid laat verrichten eenduidig aangewezen als werkgever en daarmee verantwoordelijk voor de arbeid van een vreemdeling. (…)

Dit nieuwe wetsvoorstel beoogt in dit opzicht ten volle duidelijkheid ten aanzien van de verantwoordelijke werkgever te scheppen. Diegene die de vreemdeling feitelijk arbeid laat verrichten is vergunningplichtig in het kader van het wetsvoorstel. Ingevolge deze bepaling is deze werkgever te allen tijde verantwoordelijk voor en aanspreekbaar op het al dan niet aanwezig zijn van de benodigde tewerkstellingsvergunning.”

In het licht van het voorgaande zal de rechtbank vast dienen te stellen of eiseres, in de hoedanigheid van een onderwijsinstelling, valt aan te merken als werkgever in de zin van de Wav. Ingevolge artikel lid 1 sub b onder 1, van de Wav wordt in deze wet onder werkgever verstaan: degene die in de uitoefening van een ambt, beroep of bedrijf een ander arbeid laat verrichten.

Eiseres is een onderwijsinstelling die het geven van beroepsopleidingen als bedrijf heeft. Het lopen van stage betreft een vast onderdeel van de beroepsopleiding. Daartoe sluit eiseres ook uitdrukkelijk stageovereenkomsten af. In onderhavig geval is een dergelijk stageovereenkomst afgesloten ten behoeve van een leerling waarvan eiseres wist dat het een vreemdeling in de zin van de Wav betrof. Nu - zoals hiervoor is overwogen - stage in het kader van een beroepsopleiding eveneens arbeid in de zin van de Wav is, en eiseres in de uitoefening van haar bedrijf A stage heeft laten lopen bij Wok Cuisine, is eiseres te kwalificeren als werkgever. Eiseres is derhalve (mede)verantwoordelijk voor de aanwezigheid van een tewerkstellingsvergunning.

Anders dan verweerder, is de rechtbank echter van oordeel dat de verantwoordelijkheid van eiseres zich in onderhavig geval enkel uitstrekt over de overeengekomen stageperiode zoals neergelegd in de stageovereenkomst. Eiseres heeft in de overeenkomst bepaald dat de stageperiode 15 november 2004 tot 28 januari 2005 betreft. De door eiseres aangevraagde tewerkstellingsvergunning was eveneens tot 28 januari 2005 geldig. Eiseres kan in onderhavig geval niet als werkgever in de zin van de Wav gekwalificeerd worden voor het werk dat A op 4 maart 2005 - na afloop van de overeengekomen stageperiode – bij (...) heeft verricht. Niet valt in te zien dat eiseres verantwoordelijk kan worden gehouden voor het ontbreken van een tewerkstellingsvergunning ten aanzien van arbeid die een leerling, zonder haar medeweten, buiten de overeengekomen stageperiode verricht. In tegenstelling tot verweerder is de rechtbank van oordeel dat van een onderwijsinstelling niet kan worden gevergd dat deze actief controleert of leerlingen buiten de afgesproken stageperioden voor het stagebedrijf werkzaam blijven.

Niet is gebleken, dat A op 4 maart 2005 met toestemming dan wel met medeweten van eiseres arbeid verrichtte bij (...).

Verweerder heeft voorts betoogd dat de periode waarvoor de tewerkstellingsvergunning is verleend slechts zes weken bedroeg zodat eiseres moest weten dat binnen de stageperiode niet zou kunnen worden voldaan aan de overeengekomen 400 studiebelastinguren. Eiseres had volgens verweerder hoe dan ook rekening moeten houden met een overtreding van artikel 2 lid 1 van de Wav.

Het betoog faalt nu verweerder in het bestreden besluit immers zelf 4 maart 2005 aanmerkt als datum waarop het beboetbare feit heeft plaatsgevonden. Dat A, gelet op de ingangsdatum van de tewerkstellingsvergunning, kennelijk in een eerder stadium stage heeft gelopen bij (...) zonder tewerkstellingsvergunning, kan dan ook niet bij de beoordeling van onderhavig geschil worden betrokken.

Het bestreden besluit komt gelet op het voorgaande in aanmerking voor vernietiging. Het beroep zal gegrond worden verklaard.

Nu uit hetgeen hiervoor is overwogen volgt dat rechtens nog maar één beslissing mogelijk is, zal de rechtbank met toepassing van artikel 8:72 lid 4 van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) zelf in de zaak voorzien. De rechtbank zal het primaire besluit onder gegrondverklaring van het daartegen gerichte bezwaar herroepen.

Aangezien het beroep gegrond is, zal op grond van artikel 8:74 lid 1 van de Awb worden bepaald dat het betaalde griffierecht aan eiseres wordt vergoed. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.

3 Beslissing

De rechtbank:

- verklaart het beroep gegrond;

- vernietigt het bestreden besluit;

- bepaalt dat deze uitspraak in de plaats treedt van het bestreden besluit, hetgeen in dit geval betekent dat het primaire besluit van 17 januari 2006 in zijn geheel wordt herroepen;

- bepaalt dat de Staat der Nederlanden aan eiseres het betaalde griffierecht van € 281,00 vergoedt.

Deze uitspraak is gedaan door mr. A. Oosterveld en in het openbaar uitgesproken in tegenwoordigheid van mr. A. Landstra als griffier, op

Afschrift verzonden op:

Rechtsmiddel

Tegen deze uitspraak staat voor een belanghebbende en het bestuursorgaan hoger beroep open. Dit dient te worden ingesteld binnen zes weken na de datum van verzending van deze uitspraak door een beroepschrift en een kopie van deze uitspraak te zenden aan de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State, Postbus 20019, 2500 EA Den Haag.