Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBZLY:2007:BA9145

Instantie
Rechtbank Zwolle-Lelystad
Datum uitspraak
14-03-2007
Datum publicatie
12-07-2007
Zaaknummer
119505/HA ZA 06-492
Rechtsgebieden
Civiel recht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - enkelvoudig
Inhoudsindicatie

Erfgename wordt aangesproken door zorgverzekeraar tot betaling van achterstallige AWBZ eigen bijdrage wegens verblijf in een verzorgingstehuis van erflater:

- stilzwijgende aanvaarding

- omvang van aansprakelijkheid

- hoogte vordering

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK ZWOLLE-LELYSTAD

Sector Civiel recht

zaaknummer: 119505/ha za 06-492

datum vonnis: 14 maart 2007 (m.b.)

Vonnis van de rechtbank Zwolle-Lelystad, enkelvoudige kamer voor burgerlijke zaken, in de zaak van:

De Onderlinge Waarborgmaatschappij Het Groene Land PWZ Zorgverzekeraar U.A.,

gevestigd te Zwolle,

eiseres in conventie,

verweerster in reconventie,

verder te noemen: Het Groene Land,

procureur: mr. F.W. van Vloten,

advocaat: mr. H. Post te Helmond,

tegen

[gedaagde],

wonende te [plaats],

gedaagde in conventie,

eiseres in reconventie,

verder te noemen: [gedaagde],

procureur: mr. A. Stoel.

1. Het procesverloop

1.1 Het Groene Land heeft gevorderd overeenkomstig de dagvaarding van 28 maart 2006 en daarbij één productie overgelegd. Vervolgens hebben partijen de volgende stukken in het geding gebracht:

- op 14 juni 2006 een conclusie van antwoord, tevens eis in reconventie met twee producties;

- op 20 september 2006 een conclusie van repliek in conventie tevens van antwoord in reconventie, met acht producties;

- op 1 november 2006 een conclusie van dupliek tevens conclusie van repliek in reconventie met één productie;

- op 13 december 2006 een conclusie van dupliek in reconventie.

1.2 Daarna is vonnis bepaald op vandaag.

2. De beoordeling

In conventie en in reconventie

2.1.1 In deze zaak staat als gesteld en erkend, dan wel niet of onvoldoende gemotiveerd weersproken en/of blijkend uit niet betwiste producties het navolgende vast.

2.1.2 [vader van gedaagde], de vader van [gedaagde], is in ieder geval in de periode van 1 februari 1998 tot en met 4 januari 2002 opgenomen geweest in de zorginstelling De Regenboog in Dronten. Deze opname werd gefinancierd volgens de Algemene Wet Bijzondere Ziektekosten (AWBZ). Op grond van deze wet was [vader van gedaagde] aan de AWBZ-verzekeraar een maandelijks bedrag verschuldigd als eigen bijdrage in de kosten van de opname. Deze eigen bijdrage heeft [vader van gedaagde] niet, althans niet steeds, betaald.

2.1.3 Op 4 januari 2002 is [vader van gedaagde] overleden. Erfgenamen zijn diens echtgenote [A], met wie hij ten tijde van het overlijden in gemeenschap van goederen getrouwd was, en diens zeven kinderen, waaronder [gedaagde]. Op het moment van overlijden was er geen uiterste wilbeschikking van [vader van gedaagde].

2.1.4 Na het overlijden van [vader van gedaagde] heeft [gedaagde] met de AWBZ-verzekeraar een betalingsregeling getroffen, dan wel heeft [gedaagde] een met [vader van gedaagde] overeengekomen betalingsregeling voortgezet. Deze regeling strekte tot vermindering van de schuld van [gedaagde] uit hoofde van de eigen bijdrage. Hoewel deze betalingsregeling niet steeds precies is nagekomen, heeft [gedaagde] wel van in ieder geval van juli 2002 tot maart 2005 regelmatig betalingen gedaan van EUR 50,-- per maand.

2.1.5 Bij brief van 30 december 2005 heeft Het Groene Land aan [gedaagde] laten weten dat zij van [gedaagde] in rechte een bedrag zal vorderen van EUR 9.816,58 omdat [gedaagde] niet aan de betalingsregeling voldoet.

2.2.1 Zakelijk weergegeven vordert Het Groene Land, voor zover mogelijk uitvoerbaar bij voorraad, [gedaagde] te veroordelen tot betaling van EUR 10.120,73, te verhogen met de wettelijke rente en de kosten van dit geding.

2.2.2 Aan deze vordering legt Het Groene Land, zakelijk weergegeven, ten grondslag dat [vader van gedaagde] een uit de AWBZ voortvloeiende schuld had, die is overgegaan op [gedaagde] als erfgenaam van [vader van gedaagde]. De hoofdsom bestaat volgens Het Groene Land uit een bedrag van EUR 11.278,93. Het Groene Land heeft dit bedrag verhoogd met EUR 1.755,10 aan wettelijke rente tot en met 6 maart 2006 en met EUR 2.326,57 aan buitengerechtelijke incassokosten en verminderd met een reeds betaald bedrag van EUR 5.239,87.

2.3.1 [gedaagde] heeft gemotiveerd verweer gevoerd tegen deze vordering en geconcludeerd tot primair niet-ontvankelijkverklaring van Het Groene Land, subsidiair tot afwijzing van het gevorderde en meer subsidiair tot afwijzing voor zover de rechtbank in goede justitie vermeent te moeten bepalen. Ook concludeert zij tot veroordeling van Het Groene Land, uitvoerbaar bij voorraad, in de kosten van het geding.

2.3.2 Daartoe heeft [gedaagde], kort samengevat, aangevoerd dat het gevorderde bedrag onvoldoende is gespecificeerd en onderbouwd, dat zij de erfenis van [vader van gedaagde] niet heeft aanvaard en dat er nog andere erfgenamen zijn. De buitengerechtelijke kosten zouden niet kunnen worden gevorderd omdat [gedaagde] rauwelijks is gedagvaard en de kosten niet zijn gespecificeerd, niet gebruikelijk zijn en ook niet billijk. Tegen de gevorderde rente voert [gedaagde] aan dat deze niet is aangezegd.

2.4.1 Zakelijk weergegeven vordert [gedaagde] in reconventie, uitvoerbaar bij voorraad, veroordeling van Het Groene Land tot betaling van EUR 5.239,87, te vermeerderen met de wettelijke rente vanaf de dag der dagvaarding en met de kosten van het geding.

2.4.2 Kort gezegd baseert [gedaagde] deze vordering op de stelling dat dit bedrag, of het door haar betaalde deel daarvan van EUR 1.200,--, onverschuldigd aan Het Groene Land is betaald. Omdat geen van de erfgenamen de nalatenschap heeft aanvaard zijn zij niet gehouden geweest de schuld die daar deel van uitmaakt te voldoen.

2.5.1 Het Groene Land heeft gemotiveerd verweer gevoerd tegen de vordering in reconventie. Zij concludeert [gedaagde] niet-ontvankelijk te verklaren in haar vordering, althans haar deze te ontzeggen als zijnde ongegrond en niet bewezen met veroordeling van [gedaagde] in de proceskosten.

2.5.2 Het Groene Land voert daartoe, samengevat, aan dat wel degelijk een, eventueel natuurlijke, verbintenis bestond tot betaling van het gevorderde bedrag.

2.6 In het vervolg zal de rechtbank zo nodig de grondslagen van de vordering en de daartegen gevoerde verweren nader weergeven.

2.7.1 Ter beoordeling van zowel het verweer in conventie als de eis in reconventie dient de rechtbank te beoordelen of [gedaagde] persoonlijk aansprakelijk is voor de door Het Groene Land gestelde schuld. Het Groene Land heeft er immers geen blijk van gegeven haar gestelde vordering slechts te willen verhalen op de nalatenschap zelf en niet ook op het vermogen van [gedaagde].

2.7.2 De rechtbank stelt voorop dat op 1 januari 2003 het erfrecht van boek 4 van het Burgerlijk Wetboek (BW) is gewijzigd. Uit artikel 68a van de Overgangswet nieuw Burgerlijk Wetboek volgt dat vanaf dat moment in beginsel het nieuwe recht moet worden toegepast. Daarop bestaan echter uitzonderingen die in het vervolg zo nodig aan de orde zullen komen. Voor wat betreft de persoonlijke aansprakelijkheid van erfgenamen voor schulden van de erflater volgde tot 1 januari 2003 uit het stelsel van de artikelen 4:1090, 1093, 1146 en 1147 BW (oud) dat persoonlijke aansprakelijkheid slechts ontstaat na aanvaarding van de erfenis. Thans volgt hetzelfde uit de artikelen 4:182, tweede lid, en 184, tweede lid, aanhef en onder a, van het BW. Aanvaarding is zowel onder het oude (artikel 4:1094 van het BW (oud)) als onder het nieuwe recht stilzwijgend mogelijk (artikel 3:192, eerste lid, van het BW).

2.7.3 De rechtbank is met Het Groene Land van oordeel dat, gelet op alle omstandigheden, in dit geval sprake is van een stilzwijgende aanvaarding van de nalatenschap door [gedaagde]. Deze heeft immers op consistente wijze een schuld die evident tot de nalatenschap behoort, gedeeltelijk voldaan. Ze is bovendien een betalingsregeling overeengekomen met de schuldeiser. Daarmee heeft zij zich gedragen als schuldenaar en heeft zij getoond de in de nalatenschap opgenomen schuld als de hare te beschouwen. Zij heeft bij betalingen niet het voorbehoud gemaakt dat deze niet als een stilzwijgende aanvaarding mogen worden aangemerkt. Dat het bij de betalingen en het aangaan van de betalingsregeling zou gaan om daden van beheer (artikel 4:1095 van het BW (oud)) heeft [gedaagde] onvoldoende onderbouwd. Uit haar stellingen volgt immers niet dat het nodig was op korte termijn betalingen te verrichten, bijvoorbeeld om een verder nadeel voor de boedel te voorkomen. Integendeel, [gedaagde] heeft meer dan twee jaar op de schuld aan Het Groene Land afbetaald terwijl naar haar eigen stelling de nalatenschap al een negatief saldo had, zodat ervan moet worden uitgegaan dat zij de betalingen uit eigen vermogen heeft verricht. Dit kan er slechts op wijzen dat zij deze schuld uit de nalatenschap heeft aanvaard. Te meer omdat [gedaagde] heeft ontkend dat zij slechts heeft gehandeld ter behoud van de goede naam en nagedachtenis van [vader van gedaagde].

2.7.4 [gedaagde] heeft nog aangevoerd dat zij het betalingsvoorstel aan Het Groene Land enkele dagen na het overlijden van [vader van gedaagde] heeft gedaan en dat zij toen handelde vanuit een psychisch en emotioneel zwakke positie. Bovendien zou zij in de onjuiste veronderstelling hebben verkeerd dat zij gehouden was tot betaling en aanspraak zou kunnen maken op vergoeding van haar betalingen uit de nalatenschap en/of de ontbonden huwelijksgoederengemeenschap van [vader van gedaagde]. Naar het oordeel van de rechtbank kan dit betoog echter [gedaagde] niet baten. Daargelaten welke rechtsgevolgen eraan zouden moeten worden verbonden, zijn deze stellingen onvoldoende onderbouwd. Zonder nadere uitleg, die ontbreekt, is immers onaannemelijk dat een emotioneel en psychisch zwakke positie meer dan twee jaar zou duren. Toch is [gedaagde] in die tijd niet van haar betalingen teruggekomen. Evenmin is gesteld of gebleken dat [gedaagde] enige poging heeft ondernomen haar betalingen van de nalatenschap of de huwelijksgoederengemeenschap terug te ontvangen. [gedaagde] heeft verder ook niet uitgelegd hoe zij vergoeding verwachtte. De nalatenschap had immers een negatief saldo. Ten slotte heeft [gedaagde] niet uiteengezet waarom het aan Het Groene Land duidelijk had moeten zijn dat [gedaagde] handelde vanuit onjuiste veronderstellingen.

2.7.5 De rechtbank is dan ook van oordeel dat [gedaagde] de nalatenschap stilzwijgend heeft aanvaard dan wel zich ondubbelzinnig en zonder voorbehoud als een zuiver aanvaard hebbende erfgenaam heeft gedragen. Zij is dan ook persoonlijk aansprakelijk voor de door Het Groene Land gestelde schuld.

2.8 De stelling van [gedaagde] dat Het Groene Land haar vordering in eerste instantie dient te verhalen op de langstlevende echtgenote vindt geen steun in het recht. Voor zover [gedaagde] aanvoert dat sprake is van een testamentaire of wettelijke boedelverdeling waarbij alle schulden aan de langstlevende echtgenote zijn toebedeeld, faalt dit betoog. Tussen partijen staat vast dat een testament van [vader van gedaagde] ontbreekt. De wettelijk boedelverdeling is eerst ingevoerd per 1 januari 2003, dat wil zeggen nadat de nalatenschap is opengevallen.

2.9 Wel heeft [gedaagde] terecht aangevoerd dat Het Groene Land er bij haar vordering geen rekening mee heeft gehouden dat er nog andere erfgenamen zijn dan [gedaagde]. Zoals volgt uit de artikelen 4:1147 van het BW (oud) en 182, tweede lid, van het BW is in een geval als dit de erfgenaam slechts verbonden voor een deel, evenredig aan het erfdeel. [gedaagde] is daarom vooralsnog niet meer verschuldigd dan een achtste van de gestelde schuld aan Het Groene Land.

2.10.1 Verder slaagt het betoog van [gedaagde] dat Het Groene Land haar vordering onvoldoende heeft gespecificeerd. Het Groene Land heeft geen overzicht gegeven van de bedragen die over één of meer verschillende perioden door [vader van gedaagde] zijn verschuldigd en welke betalingen [vader van gedaagde] en [gedaagde] reeds hebben verricht.

2.10.2 Aan de juistheid van de door Het Groene Land gestelde hoofdsom kan worden getwijfeld omdat Het Groene Land eerst heeft gesteld dat de eigen bijdrage EUR 899,21 per maand bedroeg en later heeft erkend dat dit slechts f 899,21 was. Bovendien bedroeg de hoofdsom volgens de brief van 30 december 2005 (rechtsoverweging 2.1.5) EUR 9.816,58 en volgens de latere dagvaarding EUR 11.278,93. Dit is in strijd met elkaar. Ten slotte heeft Het Groene Land in eerste instantie gesteld dat de eigen bijdrage vanaf 1 februari 1998 verschuldigd was en later dat de eigen bijdrage al inging op 1 januari 1997.

2.10.3 Verder kan worden getwijfeld aan de juistheid van de beschikking die Het Groene Land heeft overgelegd om het gevorderde bedrag te onderbouwen. Niet alleen is daarop geen naam leesbaar en zijn het vermelde geslacht, de geboortedatum en huwelijkse staat niet die van [vader van gedaagde], ook wordt daarop een andere zorginstelling vermeld dan De Regenboog in Dronten.

2.10.4 Het Groene Land zal echter de gelegenheid krijgen de vordering nader te specificeren en onderbouwen omdat op zich tussen partijen vaststaat dat Het Groene Land nog een vordering op de nalatenschap heeft. Het Groene Land zal daartoe een overzicht moeten verstrekken van de eigen bijdrage of bijdragen die [vader van gedaagde] gedurende zijn verblijf in De Regenboog in Dronten was verschuldigd en van de betalingen die zijn verricht, onder overlegging van de bijbehorende beschikkingen aan [vader van gedaagde] waarbij de eigen bijdragen zijn vastgesteld. Daarbij dient te worden vermeld of tegen deze beschikkingen bezwaar en/of beroep is ingesteld en wanneer zij onherroepelijk zijn geworden.

2.11 De rechtbank geeft partijen in overweging te bezien in hoeverre zij, na de reeds gegeven oordelen van de rechtbank, nog belang hebben bij verder procederen. Wellicht bestaat er thans aanleiding een schikking te treffen.

2.12 De rechtbank zal de beoordeling van de overige gronden en verweren in conventie en reconventie aanhouden totdat de omvang van de gestelde vordering is komen vast te staan. De rechtbank zal dan zo nodig ingaan op het beroep van [gedaagde] op verjaring van een deel van de schuld, de gevorderde buitengerechtelijke incassokosten en wettelijke rente en op de vordering wegens onverschuldigde betaling.

3. De beslissing

De rechtbank:

In conventie en in reconventie

I. Bepaalt dat de zaak weer op de rol zal komen van woensdag 11 april 2007 voor het nemen van een akte door Het Groene Land over hetgeen is vermeld onder 2.10.4.

II. Houdt iedere verdere beslissing aan.

Dit vonnis is gewezen door mr. M.E. van Wees en uitgesproken door

mr. M.H.S. Lebens-de Mug op 14 maart 2007 in het openbaar in tegenwoordigheid van de griffier.