Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBZLY:2007:BA8972

Instantie
Rechtbank Zwolle-Lelystad
Datum uitspraak
28-06-2007
Datum publicatie
06-07-2007
Zaaknummer
440103-06
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Inhoudsindicatie

Man die door zijn dochter beschuldigd wordt van ontuchtige handeling, waaronder seksueel binnendringen en door haar vriendin ook van ontuchtige handelingen, beide hebben de leeftijd van 12 al wel maar die van 16 jaar nog niet bereikt. Verdachte wordt vrijgesproken omdat teveel twijfel bestaat.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK ZWOLLE - LELYSTAD

Sector Strafrecht - Meervoudige Strafkamer

Parketnr. : 07.440103-06

Uitspraak: 28 juni 2007

Vonnis in de zaak van:

het openbaar ministerie

tegen

[verdachte]

Het onderzoek ter terechtzitting heeft plaatsgevonden op 14 juni 2007. De verdachte is verschenen, bijgestaan door mr. A.R. Maarsingh, advocaat te Deventer.

De officier van justitie, mr. L.N. Stempher, heeft ter terechtzitting gevorderd de veroordeling van verdachte terzake het onder 1 en 2 ten laste gelegde tot:

- een gevangenisstraf van 15 maanden waarvan 5 maanden voorwaardelijk met een proeftijd van twee jaar;

- betaling aan de benadeelde partij [benadeelde partij 1] van een bedrag dat de rechtbank passend acht;

- betaling aan de benadeelde partij [benadeelde partij 2] van een bedrag dat de rechtbank passend acht.

TENLASTELEGGING

De verdachte is ten laste gelegd dat:

(volgt tenlastelegging zoals ter terechtzitting gewijzigd)

De rechtbank wijzigt de nummering in de tenlastelegging in dier voege dat in plaats van 3. dient te worden gelezen 2.

BEWIJS

De verdachte dient van het onder 1 en 2 ten laste gelegde te worden vrijgesproken, omdat de rechtbank dit niet wettig en overtuigend bewezen acht.

Het gaat in deze zaak onder feit 1 om de aangeefster [aangeefster], die een ernstig belastende verklaring jegens de verdachte heeft afgelegd en een verdachte vader, die consequent alles wat zij tegen hem heeft ingebracht ontkent. Als er dan - zoals hier - vrijwel geen steunbewijs is voor de verklaring van aangeefster, dienen de door haar afgelegde verklaringen met grote voorzichtigheid tegemoet te worden getreden.

Dat de gang van zaken is geweest zoals [aangeefster] heeft aangegeven is weliswaar niet onmogelijk, maar de raadsman moet worden nagegeven dat er in haar verklaringen een aantal onwaarschijnlijkheden aan te wijzen is. Daarnaast zijn er verschillende tegenstrijdigheden.

Deze omstandigheden komen de geloofwaardigheid van de verklaringen van [aangeefster] niet ten goede. Evenmin als opmerkingen als hierna genoemd.

In haar verklaring van 9 mei 2006 (bladzijde 51/52), afgelegd tweeënhalve week na wat voor haar een indrukwekkend voorval geweest moet zijn, merken de verbalisanten op dat [aangeefster] op onderdelen anders verklaart dan in haar verklaring van 24 april 2006 (bladzijde 41). [aangeefster] antwoordt dan: “ja nou, ik kan toch niet alles onthouden, dan zeg ik dit en dan zeg ik dat; ik kan toch niet alles onthouden. Het is ook best wel lang geleden dat ze dat de vorige keer vroegen”.

Voor zover de verklaringen van de aangeefster van feit 2, [aangeefster], als steunbewijs zouden moeten worden aangemerkt met betrekking tot het onder 1 tenlastegelegde overweegt de rechtbank dat voor die verklaringen in nog sterkere mate geldt wat voor de verklaringen van [aangeefster] geldt: zij zijn op niet onbelangrijke onderdelen onwaarschijnlijk en tegenstrijdig.

Daarnaast acht de rechtbank het aannemelijk dat slachtoffers van een delict zoals door [aangeefster] verteld, met name ook als de verdachte hun vader of een ander gezinslid is, doorgaans op de een of andere wijze getraumatiseerd zijn door wat hen is overkomen. In het geval van [aangeefster] is daarvan niet gebleken. Sterker nog: daags na het voorval waarvan zij aangifte deed, is zij op bezoek geweest bij haar vader en heeft zich tegenover hem - en haar broer die daar op dat moment ook aanwezig was - gedragen zoals te doen gebruikelijk.

Gelet op al deze omstandigheden kan de rechtbank bij afweging van de afgelegde verklaringen niet komen tot voldoende overtuiging dat de verdachte het hem tenlastegelegde feit heeft gepleegd, zodat hij daarvan moet worden vrijgesproken.

Ten aanzien van het onder 2 ten laste gelegde overweegt de rechtbank dat de verklaring van [aangeefster] onvoldoende steun vindt in de verklaring van [aangeefster]. Bovendien blijkt ook ten aanzien van [aangeefster] niet dat zij afwijkend gedrag heeft vertoond nadat het tenlastegelegde feit zou hebben plaatsgevonden. Haar contact met verdachte en haar gedrag in het algemeen lijkt in de periode na het vermeende voorval niet te zijn veranderd.

Benadeelde partij

De vorderingen van de benadeelde partijen [benadeelde partij 1] en [benadeelde partij 2] dienen niet-ontvankelijk te worden verklaard, nu verdachte zal worden vrijgesproken.

BESLISSING

Het onder 1 en 2 ten laste gelegde is niet bewezen en de verdachte wordt daarvan vrijgesproken.

De rechtbank bepaalt dat de benadeelde partijen [benadeelde partij 1] en [benadeelde partij 2] in hun vorderingen niet ontvankelijk zijn en dat zij hun vorderingen slechts bij de burgerlijke rechter kunnen aanbrengen.

Aldus gewezen door mr. G. Blomsma, voorzitter, mrs. C. Kleinrensink en F.H. Schormans, rechters, in tegenwoordigheid van mr. J.C.W. Emmen als griffier en uitgesproken ter openbare terechtzitting van 28 juni 2007.

Mr. G. Blomsma voornoemd was buiten staat dit vonnis mede te ondertekenen.