Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBZLY:2007:BA8968

Instantie
Rechtbank Zwolle-Lelystad
Datum uitspraak
14-03-2007
Datum publicatie
09-07-2007
Zaaknummer
120707 / HA ZA 06-645
Rechtsgebieden
Civiel recht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - enkelvoudig
Inhoudsindicatie

Schutte heeft op grond van een bruikleenovereenkomst een aantal dagen een Hummer ter beschikking. Een van haar werknemers krijgt een ongeluk op een maïsveld, waardoor de Hummer beschadigt. Schutte heeft de schade aan de eigenaar voldaan. Schutte stelt thans haar werknemer aansprakelijk voor de schade.

De vraag rijst of de werknemer al dan niet is tekortgeschoten in de zorg van een goed bruiklener.

Diverse factoren kunnen daarbij een rol spelen (de werknemer stelt ondermeer dat Schutte heeft bijgedragen tot het ontstaan van de schade door de Hummer niet adequaat te verzekeren).

Een comparitie wordt gelast.

Het verweer dat Schutte als werkgever aansprakelijk is voor de schade op grond van art. 7. 658 en 7:611 BW slaagt niet. De verhouding werkgever-werknemer kan wel een zekere reflexwerking hebben bij de invulling van de zorgplicht van de bruiklener.

Wetsverwijzingen
Burgerlijk Wetboek Boek 7
Burgerlijk Wetboek Boek 7 611
Burgerlijk Wetboek Boek 7 658
Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
JAR 2007/192
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK ZWOLLE-LELYSTAD

Sector civiel recht

zaaknummer / rolnummer: 120707 / HA ZA 06-645

Vonnis van 14 maart 2007

in de zaak van

de besloten vennootschap met beperkte aansprakelijkheid

SCHUTTE SYSTEMS BV,

gevestigd te [plaats],

eiseres,

procureur mr. M.F.H.M. van Haastert,

advocaat mr. R.H.A. Vennegoor te Enschede,

tegen

[gedaagde],

wonende te [plaats],

gedaagde,

procureur mr. H.C. Kievit.

Partijen zullen hierna Schutte en [gedaagde] genoemd worden.

1. De procedure

1.1. Het verloop van de procedure blijkt uit:

- de dagvaarding

- de conclusie van antwoord

- de conclusie van repliek

- de conclusie van dupliek

- de akte uitlating producties

- de antwoordakte uitlating producties

1.2. Ten slotte is vonnis bepaald.

2. De feiten

2.1. Schutte is een onderneming die zich bezig houdt met verkoop, ondersteuning en onderhoud op het gebied van automatisering aan bedrijven en particulieren.

[gedaagde] is in dienst bij Schutte als engineer buitendienst op grond van een arbeidsovereenkomst.

2.2. Schutte heeft op grond van een overeenkomst tot bruikleen voor een aantal dagen een Hummer tot haar beschikking gehad. De Hummer behoorde in eigendom toe aan Sweex Europe BV (Sweex).

2.3. Op vrijdag 28 oktober 2005 heeft [manager], accountmanager bij Schutte, een mail onder de werknemers verspreid, waarin deze het volgende mededeelde:

(…)

A.s. zaterdag hebben wij een Hummer tot onze beschikking. Natuurlijk is dit grandioos, maar het is wel de bedoeling dat er fatsoenlijk mee om wordt gegaan. Vandaar dat er een aantal regels van toepassing zijn:

De bestuurder dient ten minste 21 jaar oud te zijn en in het bezit van een geldig nederlands rijbewijs;

De bestuurder krijgt de Hummer met volle brandstoftank mee en brengt de Hummer met volle brandstoftank terug.

De bestuurder gaat Nederland niet uit.

De bestuurder is zelf verantwoordelijk en verzekerd voor alle verwijtbare gebruiksschade (deuken, lakkrassen, etc)

De bestuurder mag maximaal een uur gebruik maken van de Hummer.

Mocht je akkoord gaan met bovenstaande afspraken en ontzettend veel zin hebben om een uur met deze leopardtank rond te rijden, mail mij dan terug voor vrijdag 15.00 uur. Geef ook even aan of je hem zaterdag of zondag mee wilt hebben en hoe laat.

Mocht je niet akkoord gaan met bovenstaande afspraken, dan krijg je de Hummer helaas niet mee.

Met vriendelijke groet,

(…)

2.3. [gedaagde] heeft teruggemaild dat hij graag van dit aanbod gebruik wil maken. Vervolgens heeft [gedaagde] vernomen dat hij op zondag 30 oktober 2005 een rit met de Hummer kon maken.

2.4. Op zaterdag 29 oktober 2005 zijn diverse werknemers van Schutte naar het bedrijf gekomen. Om 18.00 uur was [collega] (een collega van [gedaagde]) aan de beurt om in de Hummer te rijden. [gedaagde] heeft [collega] op zijn rit vergezeld.

2.5. Op enig moment zijn [collega] en [gedaagde] een gerooid maïsveld opgereden. Vervolgens heeft [gedaagde] achter het stuur plaatsgenomen en heeft hij met een aantal passagiers over het maïsveld gereden. Tijdens het rijden heeft [gedaagde] de macht over het stuur verloren. De Hummer is omgevallen en via de rechterzijkant op het dak terechtgekomen.

2.5. Door het ongeval is de Hummer beschadigd aan de rechter- en linkerzijkant, alsmede aan het dak en het motorblok.

2.6. In opdracht van Nacora Assurantiekantoor BV, assurantietussenpersoon van Sweex, is op 2 november 2005 een schaderapport opgesteld door E.J. Allaart, schade-expert bij Aegon Schadeverzekeringen NV. In het rapport is de schade aan de Hummer vastgesteld op EUR 27.062,60 (exclusief BTW).

2.7. Voorts heeft Witteberg Autoschade een bedrag van EUR 694,75 aan Sweex gefactureerd, voor extra kosten zoals stallingkosten.

2.8. Bij brief van 16 februari 2006 heeft Sweex Schutte aansprakelijk gesteld voor een bedrag van EUR 27.757,35 te vermeerderen met BTW. Schutte heeft haar aansprakelijkheid erkend en de schade voldaan.

2.9. Bij brief van 3 maart 2006 heeft Schutte [gedaagde] aansprakelijk gesteld.

2.10. Schutte heeft conservatoir beslag gelegd op het onverdeeld aandeel in de woning van [gedaagde], staande en gelegen te [plaats].

3. Het geschil

3.1. Schutte vordert samengevat - veroordeling van [gedaagde] tot betaling van EUR 34.319,30 vermeerderd met rente en kosten.

3.2. [gedaagde] voert verweer. Op de stellingen van partijen wordt hierna, voor zover van belang, nader ingegaan.

4. De vordering

4.1. Schutte heeft ter onderbouwing van haar vordering het volgende aangevoerd.

De vordering is primair gebaseerd op wanprestatie. [gedaagde] is toerekenbaar tekortgeschoten in de nakoming van de verplichting die voortvloeit uit de tussen Schutte en [gedaagde] tot stand gekomen bruikleenovereenkomst.

Subsidiair heeft Schutte schadevergoeding gevorderd op grond van onrechtmatige daad.

[gedaagde] heeft roekeloos gereden over het maïsveld, dat oneffenheden zoals gaten en bulten bevatte. Daarbij wordt in aanmerking genomen dat het donker was en [gedaagde] de auto niet kende.

Ook als Schutte de Hummer aanvullend zou hebben verzekerd, zou de schade door het vertoonde gedrag niet verzekerd zijn. Dergelijk verwijtbaar en roekeloos gedrag valt niet onder de dekking van een verzekeringspolis, althans niet tegen normale (betalings)condities voor de verzekerde.

5. Het verweer

5.1. [gedaagde] heeft als volgt verweer gevoerd.

Er was geen sprake van een (onder)bruikleenovereenkomst tussen Schutte en [gedaagde]. Indien deze wel wordt aangenomen heeft [gedaagde] zich niet gedragen als een onzorgvuldig schuldenaar. Voorts was geen sprake van onrechtmatig handelen. [gedaagde] reed rustig en niet roekeloos.

Daarnaast valt het ritje met de Hummer onder werkgerelateerde activiteiten. Schutte heeft haar zorgplicht als werkgever geschonden, door niet hetgeen te doen dat redelijkerwijs nodig is om te voorkomen dat haar werknemers schade lijden.

Ook in het geval dat er geen sprake zou zijn van een personeelsactiviteit is [gedaagde] niet aansprakelijk voor de geleden schade. Schutte heeft gehandeld in strijd met de beginselen van goed werkgeversschap dan wel de redelijkheid en de billijkheid.

Ter onderbouwing daarvan heeft [gedaagde] het volgende gesteld.

Schutte had de Hummer zelf moeten verzekeren en niet moeten voorspiegelen dat de Hummer allrisk verzekerd was. Schutte heeft de werknemers onvoldoende op het aansprakelijkheidsrisico gewezen.

[gedaagde] heeft niet begrepen dat hij zelf voor een verzekering diende te zorgen. Overigens is gebleken dat het niet mogelijk is een dergelijke verzekering voor één dag of één rit af te sluiten.

Op zaterdag 29 oktober 2005 hing een jolige en overmoedige sfeer op het bedrijf. Na elke rit kwam de bestuurder terug met mooie verhalen. De Hummer werd na elke rit viezer.

De heer Schutte was ook aanwezig. Hij zag hoe er met de Hummer werd omgegaan. Hij gaf aan op zondag zelf op een militair oefenterrein te gaan rijden.

Schutte heeft [gedaagde] ten onrechte niet gewaarschuwd dat hij niet over bouwland mocht rijden met de Hummer.

De Hummer is op een recht gedeelte gekanteld. Toen de Hummer op de kop stond bleek de rechterachterband lek te zijn. [gedaagde] vermoedt dat het ongeval door een lekke band, dan wel een ander mankement is ontstaan.

Schutte heeft niet schadebeperkend gehandeld. Zij heeft de Hummer na het ongeval niet gekocht waardoor zij de schade had kunnen beperken tot EUR 20.000,00.

[gedaagde] betwist de buitengerechtelijke incassokosten verschuldigd te zijn.

6. De beoordeling

De primaire vordering

6.1 Aangezien Schutte haar vordering primair heeft gebaseerd op de toerekenbare tekortkoming van [gedaagde] in de nakoming van de gestelde bruikleenovereenkomst, zal ten eerste moeten worden vastgesteld of er sprake is van een bruikleenovereenkomst tussen Schutte en [gedaagde].

Uit de stellingen van partijen kan worden afgeleid dat Schutte op basis van een bruikleenovereenkomst met Sweex het gebruiksrecht had met betrekking tot de Hummer. Voorts kan worden vastgesteld dat Schutte het gebruiksrecht van de Hummer voor een uur om niet aan [gedaagde] heeft overgedragen en [gedaagde] dit recht heeft aanvaard. Door het in gebruik nemen van de Hummer is een overeenkomst tot (onder)bruikleen tot stand gekomen. Anders dan [gedaagde] meent doet daarbij niet ter zake of partijen dit rechtsgevolg al dan niet beoogd hebben. Door de feitelijke handelingen tot het (uit)lenen van de Hummer is een rechtsverhouding ontstaan, in die zin dat het gebruik van de Hummer heeft geleid tot houderschap en een zorg- en teruggaveplicht.

6.2. Het karakter van de bruikleenovereenkomst brengt mee dat [gedaagde] als een goed bruiklener voor de bewaring en het behoud van de Hummer diende te zorgen, alsmede deze in een staat waarin een goed bruiklener deze zou retourneren, terug te geven. Niet in geschil is dat er aanzienlijke schade is ontstaan aan de Hummer.

6.3. De hoofdregel in een dergelijke situatie is dat de bruiklener op grond van artikel 6:74 BW in beginsel aansprakelijk is voor de geleden schade. Deze hoofdregel leidt uitzondering indien de bruiklener kan bewijzen dat hij niet is tekortgeschoten in de nakoming van de nevenverbintenis om de zorg van een goed bruiklener in acht te nemen.

Bij de beantwoording van de vraag wat onder de zorg van een goed bruiklener moet worden verstaan, kunnen diverse factoren een rol spelen. Zo zijn de afspraken tussen partijen en hetgeen zij over en weer in redelijkheid uit elkaars verklaringen en gedragingen mochten afleiden van belang, maar ook kan worden gewezen op de aard en staat van de Hummer, de relatie tussen partijen, het gebruik, de redelijkheid en de billijkheid en de overige omstandigheden waaronder de Hummer is uitgeleend.

Om een beter beeld te krijgen van deze specifieke omstandigheden heeft de rechtbank behoefte aan nadere informatie, zodat een comparitie van partijen zal worden gelast.

Comparitie van partijen

6.4. In het bijzonder wenst de rechtbank geïnformeerd te worden over de volgende onderwerpen.

Door [gedaagde]:

[gedaagde] heeft gesteld dat het voor hem niet mogelijk zou zijn geweest een verzekering voor één dag af te sluiten. Was dit voor Schutte wel mogelijk?

[gedaagde] heeft voorts gesteld dat de Hummer mogelijk een mankement had waardoor het ongeval is ontstaan. Kan [gedaagde] de aanwezigheid van het mankement alsmede het causale verband met het ongeval onderbouwen?

[gedaagde] heeft gesteld dat een Hummer gemakkelijk omvalt. Onder welke omstandigheden kan een Hummer kantelen?

Hoe was de technische staat van de Hummer?

Door Schutte:

Schutte heeft gesteld dat indien zij de Hummer aanvullend zou hebben verzekerd, de verzekeringsmaatschappij de schade toch niet zou hebben vergoed. Kan Schutte dit onderbouwen?

Hoe was de technische staat van de Hummer?

De rechtbank verzoekt de antwoorden op deze vragen zoveel mogelijk met bescheiden te onderbouwen.

6.5. Voorts wenst de rechtbank nadere informatie te verkrijgen omtrent de weersomstandigheden, de staat van het maïsveld en het rijgedrag van [gedaagde], alsmede over de gang van zaken op het parkeerterrein en de aanwezigheid van de heer Schutte op de bewuste zaterdag. Ook zal aan de orde komen de stelling van [gedaagde], inhoudende dat - naar de rechtbank begrijpt – Schutte heeft bijgedragen aan het ontstaan van de schade door de Hummer niet adequaat te verzekeren alsmede door haar werknemers niet te beschermen of te waarschuwen voor de mogelijke risico’s en gevolgen. Daarnaast zal het beroep van [gedaagde] op de schadebeperkingsplicht van Schutte worden besproken.

6.6. Uiteraard kan de comparitie ook worden gebruikt om de mogelijkheden te onderzoeken om te komen tot een minnelijke schikking.

Het beroep op artikel 7:658 en 7:611 BW

6.7. Het volgende verweer kan nu reeds aan de orde komen.

[gedaagde] heeft aangevoerd dat het rijden in de Hummer als personeelsactiviteit moet worden aangemerkt, dan wel zodanig samenhangt met de werkzaamheden, dat Schutte als werkgever aansprakelijk is voor de ontstane schade. Hij heeft deze stelling gebaseerd op het schenden van de zorgplicht van de werkgever (artikel 7:658 BW), alsmede op goed werkgeverschap (artikel 7:611).

6.8. Artikel 7:658 BW ziet op een zorgplicht voor de werkgever met betrekking tot de veiligheid van de werkomgeving en de gebruikte werktuigen. Deze zorgplicht houdt nauw verband met de zeggenschap die een werkgever heeft over de werkplek en de bevoegdheid aanwijzingen te geven over de wijze van uitoefenen van de werkzaamheden.

Geoordeeld wordt dat het rijden van de Hummer niet als “uitoefenen van zijn werkzaamheden” kan worden aangemerkt. Daarbij kan worden gewezen op de omstandigheid dat het gebruik van de Hummer buiten werktijd plaats vond en [gedaagde] geheel vrij was om het aanbod van Schutte al dan niet te aanvaarden. Gesteld noch gebleken is dat het niet meedoen consequenties zou hebben of op een andere wijze tegen [gedaagde] zou worden gebruikt. Van de circa 70 werknemers hebben ook maar 20 personen aangegeven gebruik te willen maken van het aanbod.

Ook was het gebruik van de Hummer niet inherent aan de functie van [gedaagde]. [gedaagde] en de overige belangstellenden zijn speciaal voor dit doel naar het bedrijf gekomen en hebben vervolgens alleen of tezamen met een collega gebruik gemaakt van de Hummer.

Als Schutte al zeggenschap had over de wijze van rijden van [gedaagde], vloeide deze zeggenschap veeleer voort uit de bruikleenovereenkomst waarin Schutte als bruikleengever fungeerde dan uit de arbeidsovereenkomst tussen partijen.

6.9. Het beroep op artikel 7:611 BW kan evenmin leiden tot aansprakelijkheid van Schutte. Hoewel partijen in de tussen hen geldende arbeidsovereenkomst tot elkaar in relatie staan als werkgever en werknemer, kan dit ter zake van de rit in de Hummer niet worden gesteld. Daarbij wordt belang gehecht aan de vrijwillige basis, het tijdstip dat buiten werktijd gelegen was en de omstandigheid dat er onvoldoende nauw verband bestaat tussen het gebruik van de Hummer en de door [gedaagde] te verrichten werkzaamheden als engineer buitendienst. Het enkele feit dat Schutte de activiteit heeft georganiseerd en dat het aanbod slechts voor werknemers gold, maakt dit niet anders.

[gedaagde] heeft ter onderbouwing van zijn beroep op artikel 7:611 BW een aantal uitspraken genoemd. Deze uitspraken zijn echter niet vergelijkbaar met de onderhavige situatie.

Zo heeft [gedaagde] een uitspraak genoemd waarin een werknemer, in dienst bij een vliegmaatschappij, tussen twee vluchten in het buitenland verbleef. Tijdens de wachttijd tussen de vluchten is de werknemer betrokken geraakt bij een ongeval. Mede gelet op het verband tussen de wachttijd, veiligheid en de organisatie van het vliegverkeer, werd geoordeeld dat de wachttijd inherent was aan de werkzaamheden die de werknemer verrichtte en dat artikel 7:611 BW van toepassing was. In twee andere uitspraken was artikel 7:611 BW onder meer van toepassing, omdat de betreffende werknemer zich gelet op de functie moeilijk kon onttrekken aan de activiteit waarbij het ongeval is ontstaan.

In tegenstelling tot de genoemde situaties kan in de onderhavige zaak het nauwe verband tussen de activiteit en de te verrichten werkzaamheden niet worden vastgesteld.

6.10. Het voorgaande leidt tot de conclusie dat Schutte niet aansprakelijk is voor de schade op grond van de artikelen 7:658 of 7:611 BW. Wel kan de verhouding tussen partijen, als werkgever en werknemer, een zekere reflexwerking hebben bij de invulling van de zorgplicht van bruiklener, als is omschreven in rechtsoverweging 6.3.

6.11. Gelet op het voorgaande zal de rechtbank een comparitie bevelen. Verder wordt iedere beslissing aangehouden.

7. De beslissing

De rechtbank

7.1. beveelt een verschijning van partijen, bijgestaan door hun advocaten, voor het geven van inlichtingen en ter beproeving van een minnelijke regeling op de terechtzitting van mr. J.N. Dobben-Bartels in het gerechtsgebouw te Zwolle aan de Luttenbergstraat 5 op een door de rechtbank vast te stellen datum en tijd,

7.2. bepaalt dat [gedaagde] dan in persoon aanwezig moet zijn en dat Schutte dan vertegenwoordigd moet zijn door iemand die van de zaak op de hoogte is en hetzij rechtens hetzij op grond van een bijzondere schriftelijke volmacht bevoegd is haar te vertegenwoordigen

7.3. bepaalt dat de zaak weer op de rol zal komen van 28 maart 2007 voor het opgeven van de verhinderdagen van de partijen en hun advocaten in de maanden april tot en met juni 2007, waarna dag en uur van de comparitie zullen worden bepaald,

7.4. bepaalt dat bij gebreke van de gevraagde opgave(n) de rechtbank het tijdstip van de comparitie zelfstandig zal bepalen,

7.5. bepaalt dat na de vaststelling van het tijdstip van de comparitie dit in beginsel niet zal worden gewijzigd,

7.6. wijst partijen er op, dat voor de zitting twee uur zal worden uitgetrokken,

7.7. bepaalt dat de in de overwegingen opgevraagde informatie uiterlijk twee weken voor de dag van de zitting aan de rechtbank en de wederpartij moet zijn toegestuurd,

7.8. houdt iedere verdere beslissing aan.

Dit vonnis is gewezen door mr. J.N. Dobben-Bartels en in het openbaar uitgesproken op 14 maart 2007.