Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBZLY:2007:BA8655

Instantie
Rechtbank Zwolle-Lelystad
Datum uitspraak
31-05-2007
Datum publicatie
04-07-2007
Zaaknummer
343475 CV 07-91
Rechtsgebieden
Civiel recht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - enkelvoudig
Inhoudsindicatie

kantonzaak, verkeersaansprakelijkheid. Schuldverdeling tussen bestuurders van betrokken motorrijtuigen.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK ZWOLLE – LELYSTAD

sector kanton – locatie Deventer

zaaknr.: 343475 CV 07-91

datum : 31 mei 2007

Vonnis in de zaak van:

de heer [EISENDE PARTIJ],

wonende te [woonplaats],

eisende partij, verder te noemen: “[eisende partij]”,

gemachtigde mr. D.B. van der Velden, werkzaam bij Stichting Univé Rechtshulp te Assen,

rolgemachtigde Tijhuis & Partners, gerechtsdeurwaarders te Zwolle,

tegen

de heer [GEDAAGDE PARTIJ],

wonende te [woonplaats],

gedaagde partij, verder te noemen: “[gedaagde partij]”,

gemachtigde mr. J. Streefkerk, advocaat te Voorburg.

De procedure

De kantonrechter heeft kennisgenomen van:

- de dagvaarding d.d. 21 december 2006,

- het antwoord van [gedaagde partij],

- de repliek van [eisende partij] en

- de dupliek van [gedaagde partij].

Het geschil

De vordering van [eisende partij] strekt ertoe dat de kantonrechter bij vonnis, voor zover mogelijk uitvoerbaar bij voorraad, [gedaagde partij] zal veroordelen tot betaling van een bedrag van € 2.172,48, te vermeerderen met de wettelijke rente vanaf 10 april 2006 en met veroordeling van [gedaagde partij] in de kosten van de procedure.

Daartegen heeft [gedaagde partij] verweer gevoerd met conclusie dat de vordering van [eisende partij] wordt afgewezen, met diens veroordeling in de kosten van de procedure.

De vaststaande feiten

Tussen partijen staat als gesteld en erkend dan wel niet (voldoende) betwist, mede op grond van de overgelegde en in zoverre niet bestreden bescheiden, het volgende vast.

a. Op maandag 10 april 2006 om omstreeks 07.15 uur heeft binnen de bebouwde kom van Deventer op de Gotlandstraat een aanrijding plaatsgevonden tussen de door [eisende partij] bestuurde motorfiets van het merk Yamaha, type 900S, met het kenteken [kenteken] en de door [gedaagde partij] bestuurde personenauto van het merk Renault, type Megane, met het kenteken [kenteken]. Deze auto behoort aan de werkgever van [gedaagde partij] toe.

b. Beide motorrijtuigen reden onmiddellijk voor de aanrijding op de Gotlandstraat, komende uit de richting van de Zweedsestraat, in de richting van de splitsing met de Hanzeweg. Bij het verrichten van een inhaalmanoeuvre is [eisende partij] met de rechtervoorzijde van zijn motorfiets gebotst tegen de linkerachterzijde van de door [gedaagde partij] bestuurde auto. Op het moment van de aanrijding had [gedaagde partij] het voornemen om linksaf te slaan en een inrit van een aan de Gotlandstraat gelegen parkeerplaats op te rijden. Ten tijde van de aanrijding was het druk op de Gotlandstraat, zowel op de weghelft van [eisende partij] en [gedaagde partij] als die voor het tegemoetkomende verkeer.

c. [eisende partij] en [gedaagde partij] hebben onmiddellijk na de aanrijding gezamenlijk de voorzijde van het zogenaamde aanrijdingsformulier ingevuld en deze van een handtekening voorzien. In dat formulier is bij toedracht aangekruist dat [gedaagde partij] linksaf ging en [eisende partij] inhaalde. Op de in dat formulier opgenomen situatieschets is de auto van [gedaagde partij] schuin tegen de wegas gesitueerd met de uiterste linkervoorzijde over deze as heen. De motorfiets van [eisende partij] is recht tegen de wegas gesitueerd, waarbij het stuur de linkerhoek van de auto raakt. Bij de motorfiets is nog een pijl geplaatst, kennelijk uitdrukkende dat de motorfiets zich van het midden van de weghelft verplaatste naar uiterst links van die weghelft.

d. In het door de politie ter plaatse gekomen opgemaakte registratieset omtrent het geval is onder “ Beknopte omschrijving van het ongeval” vermeld: “([gedaagde partij]) verklaarde dat hij reed kudrv Zweedsestraat en gidrv Hanzeweg. Op de Gotlandstraat stond hij stil en had hij zijn richtingaanwijzing aan naar links. Voor hem stonden meerdere voertuigen en achter hem stond ([eisende partij]). ([gedaagde partij]) verklaarde dat ([eisende partij]) geruime tijd achter hem had gereden. Ter hoogte van een inrit wilde ([gedaagde partij]) af slaan. ([gedaagde partij]) wilde linksaf slaan en had zijn richtingaanwijzer aan en stond voorgesorteerd. ([eisende partij]) verklaarde dat hij reed kudrv Zweedsestraat en girdv Hanzeweg. Op de Gotlandstraat moest hij stil gaan staan ivm overige verkeer. ([eisende partij]) besloot de auto voor hem, ([gedaagde partij]), in te halen. ([eisende partij]) reed naast ([gedaagde partij]) en op dat moment sloeg ([gedaagde partij]) af. Met als gevolg een aanrijding (..). ([eisende partij]) verklaarde nog dat ([gedaagde partij]) geen richtingaanwijzer aan had.” Bij deze set is een situatieschets gevoegd, waarop de verbalisant de plaats van aanrijding heeft gesitueerd op de voor [eisende partij] en [gedaagde partij] geldende linkerweghelft.

e. In een emailbericht van 1 mei 2006 heeft [gedaagde partij] als toedracht van de aanrijding het volgende geschreven: “(..) Ik kwam uit de richting van de zweedsestraat en gaf richting aan om linksaf de parkeerplaats op te rijden. Er kwamen mij auto’s te gemoed dus moest ik wachten. Op het moment dat de te gemoed komende auto’s voorbij waren. Reed de bestuurder van de motor mij links achter op mijn auto. Hij heeft mij alleen achter het achterwiel geraakt en op de bumper. (..) O het moment van de aanrijding was ik de middenas van de weg niet gepasseerd. Er was dus links een volledige weghelft vrij. Doordat hij langzaam (45 a 10 km/uur) en kort achter mij reed heeft hij waarschijnlijk mijn remlichten en richtingaanwijzers niet gezien. Volgens mij heeft hij niet gezien dat ik stilstond. Hij heeft gedacht dat ik links voorsorteerde om bij de verkeerslichten die 30 meter verder staan links af te slaan. Op het laatste moment heeft hij nog getracht mij te ontwijken maar raakte hij met de kuip en het stuur linksachter. Het ging ook helemaal niet hard. Maar ja, dat is natuurlijk net zo’n veronderstelling dat ik niet in de spiegels gekeken zou hebben. (..)”

f. Als gevolg van de aanrijding zijn beide motorrijtuigen en enige motorkleding van [eisende partij]

beschadigd. De schade aan de motorfiets bedraagt conform een taxatie door een schade-expert € 1.947,48 inclusief BTW. In het door de schade-expert opgemaakte rapport is verwoord dat het aangrijppunt van de schade zich aan de rechter zijkant van de motor bevindt met de stootrichting op één uur. De schade-expert heeft de schade aan de motorlaarzen en motorbroek van [eisende partij] begroot op een bedrag van € 125,00.

g. Een schade-expert heeft de schade aan de auto begroot op een bedrag van € 2.448,07 inclusief BTW. In het door deze expert opgemaakte rapport is verwoord dat het aangrijppunt van de schade zich aan de linkerkant van de auto bevindt met de stootrichting op zeven uur. Voorts is verwoord dat er schade is aan het linkerachterportier en linkeronderdorpel van de auto.

h. [eisende partij] heeft na de aanrijding in verband met rugklachten op 14 april 2006 zijn huisarts bezocht. Deze arts heeft bij onderzoek aan de rug “drukpijn laag lumbaal” en “een contusie” geconstateerd.

i. [eisende partij] heeft bij brief van 18 april 2006 de verzekeraar van de personenauto aansprakelijk gesteld voor de gevolgen van de aanrijding, welke aansprakelijkstelling door deze is afgewezen.

De standpunten van partijen

[eisende partij] heeft aan zijn vordering het volgende samengevat ten grondslag gelegd. [gedaagde partij] is aansprakelijk voor de gevolgen van de aanrijding omdat [gedaagde partij], terwijl [eisende partij] bezig was om hem in te halen, zonder dat vooraf kenbaar te maken - door het aangeven van richting - naar linksaf te slaan in de richting van een inrit. Ondanks een poging om de afslaande [gedaagde partij] te ontwijken, is [eisende partij] met de rechtervoorzijde van zijn motorfiets gebotst tegen de linkerzijkant van de auto en niet alleen tegen de linkerachterkant zoals [gedaagde partij] ten onrechte stelt. Voorts is onjuist dat [gedaagde partij] onmiddellijk voorafgaande aan de aanrijding stilstond. [gedaagde partij] is aansprakelijk omdat hij heeft gehandeld in strijd met artikel 54 RVV door hem niet de vrije doorgang te verlenen en in strijd met artikel 55 RVV door niet een teken te geven dat hij zich zijwaarts wilde verplaatsen. [gedaagde partij] is dan ook gehouden de door hem geleden materiële schade te vergoeden, bestaande uit € 1.947,48 aan reparatiekosten aan de motor en € 125,00 aan schade aan kleding. De door hem geleden pijn en beperkingen rechtvaardigen een vergoeding van immateriële schadevergoeding van € 100,00, aldus [eisende partij].

[gedaagde partij] heeft ter afwering van de vordering samengevat het volgende aangevoerd. [eisende partij] is tijdens het inhalen tegen hem aangebotst terwijl hij voorgesorteerd stilstond om linksaf te slaan. Onjuist is dan ook het verwijt dat hij doende was om af te slaan onmiddellijk voorafgaande aan de aanrijding. Dit heeft [eisende partij] door ondertekening van het aanrijdingsformulier ook erkend. Voorts is [eisende partij] tegen de achterkant van de auto gebotst, terwijl deze tegen de wegas op de eigen weghelft stond. [gedaagde partij] heeft dan ook slechts een afslaande manoeuvre voorbereid zonder die manoeuvre zelf uit te voeren. Het op artikel 54 RVV gebaseerde verwijt is dan ook onjuist. Dit geldt ook voor een op artikel 55 RVV gebaseerde schending. [gedaagde partij] heeft immers wel richting aangegeven. Daarbij komt dat het [eisende partij] is geweest die op de stilstaande auto is gebotst, wat hem aan moet worden toegerekend, ongeacht of [gedaagde partij] zijn richtingwijzer in werking had gesteld. Vast gesteld moet worden dat [eisende partij] zelf op basis van artikel 19 RVV aansprakelijk is nu hij niet in staat is gebleken om zijn motor tot stilstand te brengen binnen de afstand waarover de weg vrij was. Gelet op de gebleken lichamelijke gevolgen, die in alle redelijkheid als beperkt en gering moet worden benoemd, is er geen reden voor toewijzing van een post aan immateriële schadevergoeding, aldus [gedaagde partij].

De beoordeling

1.

Partijen worden verdeeld gehouden over het antwoord op de vraag aan wie de aanrijding van 10 april 2006 is te wijten.

2.1

De kantonrechter stelt voorop dat [eisende partij] een gedraging in het verkeer heeft verricht die hij uit het oogpunt van verkeersveiligheid alleen dan mocht verrichten als hij daarmee geen gevaar of hinder voor het overige verkeer zou veroorzaken. Het inhalen van langzaam rijdend dan wel stilstaand verkeer op een drukke weg binnen de bebouwde kom tijdens de ochtendspits is immers een verkeersgedraging waaraan zekere risico’s kleven en die in relevante mate gevaarzettend moet worden beschouwd, zeker indien die gedraging wordt verricht kort voor een linksgelegen inrit naar een parkeerplaats en de 30 meter daarna gesitueerde verkeerslichten. Er moet immers in dat geval rekening mee worden gehouden dat een (eventuele) richtingaanduiding niet is bedoeld voor de richtingverandering na de verkeerslichten doch ziet op de daarvoor gelegen inrit.

2.2

Uit vast staande feit dat de aanrijding heeft plaatsgevonden op dan wel dicht tegen de middenas van de weg aan volgt dat [eisende partij] voornemens was om de voor hem rijdende auto(‘s) slechts op korte zijdelingse afstand te passeren en dat hij rekende op een door hem aangenomen weggedrag van [gedaagde partij], kennelijk dat [gedaagde partij] zijn richting tot aan de verkeerslichten zou vervolgen. Tegen de achtergrond van de ook voor [eisende partij] zichtbare, eerder gelegen inrit heeft hij met dat weggedrag onvoldoende rekening gehouden met een in het verkeer altijd mogelijke onverwachte handeling van zijn voorligger. Daardoor heeft [eisende partij] zijn motor niet tijdig tot stilstand kunnen brengen toen [gedaagde partij] voor hem opdoemde.

2.3

Met het voorgaande heeft [eisende partij] aldus een gevaarzettende manoeuvre uitgevoerd, waardoor de aanrijding (mede) aan hem te wijten is.

3.1

Anders dan [gedaagde partij] heeft betoogd, is de kantonrechter van oordeel dat ook hij een manoeuvre heeft uitgevoerd die hij pas mocht verrichten indien hij daardoor voor het overige verkeer geen gevaar of hinder zou veroorzaken. Uit de door partijen overgelegde stukken is weliswaar niet onomstotelijk gebleken - hoewel daarvoor in het door partijen ingevulde en ondertekende aanrijdingsformulier als ook in het door de politie van het ongeval opgemaakte registratieset zwaarwegende aanwijzingen zijn te vinden - dat [gedaagde partij] met zijn auto de middenas van de weg heeft overschreden doch wel dat [gedaagde partij] onmiddellijk voorafgaande aan de aanrijding naar links heeft gestuurd met de bedoeling om de nabij gelegen inrit linksaf in te slaan. Op die wijze heeft [gedaagde partij] een in artikel 54 RVV bedoelde bijzondere manoeuvre ingezet.

3.2

Die bijzondere manoeuvre wordt niet anders indien zou moeten worden aangenomen dat [gedaagde partij] onmiddellijk voorafgaande aan de aanrijding tot stilstand was gekomen, zoals hij stelt en [eisende partij] betwist. [gedaagde partij] had deze manoeuvre immers pas mogen inzetten indien hij zich ervan had vergewist of er geen ander verkeer was dat hij voor moest laten gaan, waartoe artikel 54 RVV hem verplicht. Een en ander betekent eveneens dat het debat van partijen of [gedaagde partij] zijn richtingaanwijzer naar links had aanstaan als niet relevant in het midden kan blijven.

3.3

De op [gedaagde partij] rustende verplichting klemt te meer nu hij zich, zoals blijkt uit de door de politie opgetekende verklaring van [gedaagde partij], ervan bewust was dat [eisende partij] (al) geruime tijd achter hem reed. [gedaagde partij] had er aldus rekening mee moeten houden dat - zoals bij motorrijders niet ongebruikelijk - bij een afremmend en tot stilstand komend verkeer bij verkeerslichten - zoals in dit geval - de door hem eerder waargenomen motorrijder een inhaalmanoeuvre zou uitvoeren. [gedaagde partij] heeft ook niet gesteld dat hij op het moment dat hij zijn bijzondere manoeuvre inzette, in zijn spiegels heeft gekeken om die mogelijkheid uit te sluiten.

4.

De slotsom is dat zowel [eisende partij] als [gedaagde partij] een verkeersfout hebben gemaakt. Het aandeel van de fout van [gedaagde partij] moet echter als van zwaarder gewicht worden geacht dan die van [eisende partij]. Hieraan bestaat aanleiding om [gedaagde partij] 2/3 van de schade te laten dragen en 1/3 voor rekening van [eisende partij] te laten.

5.

Wat betreft de schade is de door [eisende partij] gestelde materiële schade aan reparatiekosten van de motor ad € 1.947,48 inclusief BTW en schade aan de motorlaarzen en motorbroek ad € 125,00 niet in debat, zodat de kantonrechter die bedragen tot uitgangspunt neemt. Anders dan [eisende partij] heeft aangevoerd, is de kantonrechter van oordeel dat in de door hem aangedragen feiten en omstandigheden onvoldoende reden voor toekenning van een immateriële schadevergoeding schuilt.

6.

Van het gevorderde bedrag zal dan ook een gedeelte van € 1.381,65 (2/3 x € 2.072,48) worden toegewezen.

7.

De daarover gevorderde wettelijke rente, de daarvoor gestelde ingangsdatum van 10 april 2006 daaronder begrepen, zal als niet afzonderlijk weersproken eveneens worden toegewezen.

8.

[gedaagde partij] zal als de overwegend in het ongelijk gestelde partij in de kosten van de procedure worden verwezen, met dien verstande dat de veroordeling zal worden afgestemd op de bedragen zoals die toewijsbaar zijn gebleken.

De beslissing

De kantonrechter:

- veroordeelt [gedaagde partij] tegen bewijs van kwijting aan [eisende partij] te betalen een bedrag van € 1.381,65, vermeerderd met de wettelijke rente vanaf 10 april 2006 tot de dag van algehele voldoening;

- veroordeelt [gedaagde partij] in de kosten van het geding, tot op heden aan de zijde van [eisende partij] begroot op:

? € 300,00 voor salaris gemachtigde

? € 91,43 voor explootkosten

? € 196,00 voor vastrecht;

- verklaart dit vonnis uitvoerbaar bij voorraad;

- wijst het meer of anders gevorderde af.

Aldus gewezen door mr. W.F. Boele, kantonrechter, en uitgesproken in de openbare terechtzitting van 31 mei 2007, in tegenwoordigheid van de griffier.