Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBZLY:2007:BA8627

Instantie
Rechtbank Zwolle-Lelystad
Datum uitspraak
07-02-2007
Datum publicatie
04-07-2007
Zaaknummer
105995 / HA ZA 05-208
Rechtsgebieden
Civiel recht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - enkelvoudig
Inhoudsindicatie

Letselschadezaak (met name psychisch letsel):

- vergoeding medische kosten (r.o. 2.6 t/m 2.10)

- kosten verbouwing en verhuizing (r.o. 2.14 t/m 2.18)

- vergoeding gederfde vakantiedagen ouders (r.o. 2.19 t/m 2.26)

- smartengeld (r.o. 2.33 t/m 2.35)

- rol schaderegelaar (2.37)

Wetsverwijzingen
Burgerlijk Wetboek Boek 6
Burgerlijk Wetboek Boek 6 96
Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
JA 2007/134
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

vonnis

RECHTBANK ZWOLLE-LELYSTAD

Sector civiel recht

zaaknummer / rolnummer: 105995 / HA ZA 05-208

Vonnis van 7 februari 2007

in de zaak van

[eiseres],

wonende te [woonplaats],

eiseres,

procureur mr. R.K.E. Buysrogge,

advocaat mr. E. Wytema te Amsterdam,

tegen

1. de naamloze vennootschap

ALLIANZ NEDERLAND SCHADEVERZEKERING N.V.,

gevestigd te [woonplaats],

2. [gedaagde sub 2],

wonende te [woonplaats],

gedaagden,

procureur mr. M.F.H.M. van Haastert,

advocaat mr. P.C. Knijp te Rotterdam.

Partijen zullen hierna [eiseres] en Allianz genoemd worden.

1. De procedure

1.1. Het verloop van de procedure blijkt uit:

- het tussenvonnis van 26 juli 2006;

- de akte na tussenvonnis van [eiseres]

- de antwoordakte na tussenvonnis van Allianz

- de antwoordakte van [eiseres].

1.2. Ten slotte is vonnis bepaald.

2. De verdere beoordeling

schadebeperking

2.1. In het tussenvonnis heeft de rechtbank overwogen en beslist dat van [eiseres] gevergd kan worden dat zij in het kader van haar schadebeperkingsplicht alsnog een serieuze poging onderneemt om de behandelsuggesties van dr. Kemperman op te volgen. De rechtbank heeft [eiseres] in de gelegenheid gesteld zich uit te laten over de vraag of zij alsnog gedragstherapie zal ondergaan en of zij zich in dat kader zal wenden tot de kliniek van dr. Rombouts.

2.2. [eiseres] heeft laten weten besloten te hebben een serieuze poging te ondernemen en zich in dat kader, als eerste stap, onder behandeling te stellen van een eerstelijns psychologenpraktijk te Emmeloord.

Allianz heeft daarop aangegeven dat [eiseres] met deze behandeling de behandelsuggesties van Kemperman niet opvolgt.

2.3. Het antwoord op de vraag of [eiseres] met haar keuze voor een eerstelijns psychologenpraktijk heeft voldaan aan de behandelsuggesties van dr. Kemperman kan in het midden blijven nu [eiseres] in haar antwoordakte heeft gesteld dat zij besloten heeft deel te nemen aan een dagbehandelingsprogramma en/of een klinische opname in het AMC te Amsterdam.

[eiseres] heeft voldoende aannemelijk gemaakt dat, mede gezien de reisafstand en de praktische mogelijkheden van haar ouders om haar te begeleiden, een behandeling in Amsterdam veruit de voorkeur verdient boven een behandeling in Groningen. In dat kader is van belang dat [eiseres] onweersproken heeft gesteld dat de met name door dr. Kemperman genoemde psychiater Rombouts niet meer in Groningen werkzaam is.

2.4. Nu [eiseres] gevolg lijkt te geven aan hetgeen op grond van de op haar rustende schadebeperkingsplicht van haar gevergd mag worden, kan een beoordeling van de vraag welke consequenties het niet voldoen aan die verplichting heeft voor de diverse schadeposten vooralsnog -totdat duidelijk is of [eiseres] zich voldoende heeft ingespannen om de gesuggereerde behandeling of eventuele in het AMC te suggereren behandelingen te volgen- achterwege blijven.

2.5. De rechtbank zal thans, zoals in rechtsoverweging 4.18 van het tussenvonnis in het vooruitzicht is gesteld, ingaan op de diverse schadeposten.

medische kosten

2.6. [eiseres] vordert allereerst vergoeding van de door haar betaalde kosten van medische behandelingen. Het betreft kosten van antidepressiva en kosten van door haar ondergane laser- en acupunctuurbehandelingen. Allianz heeft de vorderingen betwist.

2.7. Betreffende de antidepressiva staat vast dat [eiseres] deze voorgeschreven heeft gekregen in het kader van een behandeling bij de RIAGG in het jaar 1997. [eiseres] stelt dat het ziekenfonds de antidepressiva niet vergoedde en dat zij deze derhalve zelf heeft moeten betalen. De bewijsstukken -nota’s en betalingsbewijzen- zouden bij een brand in 2002 verloren zijn gegaan. Nu vaststaat dat zij deze medicijnen voorgeschreven gekregen heeft en het door haar gevorderde bedrag niet onredelijk is, dient Allianz volgens haar te bewijzen dat de medicijnen door het ziekenfonds vergoed zijn.

Allianz betwist dat [eiseres] deze kosten heeft gemaakt. Volgens haar worden de kosten van antidepressiva die zijn voorgeschreven in het kader van een behandeling door de RIAGG door het ziekenfonds vergoed. [eiseres] heeft haar stelling dat zij deze kosten voor eigen rekening heeft moeten nemen onvoldoende onderbouwd.

2.8. Allianz heeft de stelling van [eiseres] dat [eiseres] de medicijnen zelf heeft moeten betalen gemotiveerd weersproken. Het ligt naar het oordeel van de rechtbank niet voor de hand dat in het kader van een medische behandeling voorgeschreven medicijnen niet door het ziekenfonds vergoed worden. Dat het zeer bijzondere medicijnen waren, die niet in het ziekenfondspakket waren opgenomen, heeft [eiseres] niet gesteld. Het volgt ook niet uit de van de behandelaar afkomstige medische informatie. Het had, gelet op de gemotiveerde betwisting door Allianz, op de weg van [eiseres] gelegen om meer informatie te verstrekken over de desbetreffende medicijnen in relatie tot het toepasselijke ziekenfondspakket. Nu zij dat heeft nagelaten, heeft zij haar stellingen onvoldoende onderbouwd.

2.9. Dat [eiseres], tot het door haar gevorderde bedrag, kosten heeft gemaakt in verband met acupunctuur- en laserbehandelingen staat tussen partijen niet ter discussie. Allianz heeft echter het medisch nut van deze behandelingen, en daarmee haar verplichting tot vergoeding van de daarmee gemoeide kosten, bestreden. Volgens [eiseres] heeft zij wel baat gehad bij de behandelingen. De vraag of zij al dan niet baat heeft gehad bij de behandelingen is volgens [eiseres] ook niet van groot belang. Doorslaggevend is volgens haar of de kosten van de behandelingen in een zodanig verband staan met het ongeval dat ze aan Allianz kunnen worden toegerekend.

2.10. De rechtbank stelt voorop dat voor de toewijsbaarheid van een vordering tot vergoeding van medische kosten niet vereist is dat komt vast te staan dat de behandelingen medisch noodzakelijk waren. Vereist is slechts dat de behandeling medisch wenselijk is en dat de kosten ervan in de gegeven omstandigheden -de persoonlijke omstandigheden van het slachtoffer daaronder begrepen- als redelijke uitgaven voor herstel kunnen worden beschouwd. Daarbij is beslissend of het slachtoffer in de gegeven omstandigheden redelijk handelde door de behandeling te ondergaan en of de kosten van die behandeling naar hun omvang redelijk zijn.

Bij het antwoord op de vraag of de door [eiseres] gemaakte kosten in het licht van het bovenstaande voor vergoeding in aanmerking komen, kent de rechtbank overwegende betekenis toe aan het feit dat in het, op verzoek van beide partijen uitgebrachte, expertiserapport van dr. Kemperman van november 2001 gedetailleerde behandelsuggesties worden gedaan. Zoals de rechtbank in het tussenvonnis heeft overwogen, heeft [eiseres] onvoldoende aannemelijk gemaakt dat het haar vrijstond haar heil te zoeken in het “alternatieve circuit” in plaats van de suggesties van dr. Kemperman op te volgen. Daaruit vloeit voort dat de keuze van [eiseres] om na november 2001 in plaats van de door dr. Kemperman geadviseerde behandeling een laser- en een acupunctuurbehandeling te ondergaan niet als een redelijke keuze kan worden aangemerkt.

De vordering tot vergoeding van deze kosten is dan ook niet toewijsbaar.

brommobiel

2.11. [eiseres] vordert een bedrag van EURO 5.309,22 in verband met de aanschaf en het kort daarop weer inleveren van een brommobiel. [eiseres] kon de brommobiel niet gebruiken omdat zij draaierig en angstig werd in het verkeer. Allianz betwist de medische noodzakelijkheid van de aanschaf van de brommobiel. Bovendien zou [eiseres], het ongeluk weggedacht, ook kosten hebben gemaakt voor de aanschaf van een vervoermiddel als een brommer of een auto.

2.12. Tussen partijen staat niet ter discussie dat [eiseres], gezien haar gezondheidssituatie in 2000, niet in staat was om met een voor haar leeftijd gebruikelijk vervoermiddel, als een auto of een bromfiets, aan het verkeer deel te nemen. Dat het in verband met het (dreigende) sociale isolement van [eiseres] wenselijk was dat zij zou proberen om zich zelfstandig op straat te begeven, heeft Allianz niet betwist. Dat de brommobiel tot een verhoogde mobiliteit zou leiden, heeft Allianz evenmin betwist. Naar het oordeel van de rechtbank mocht [eiseres] in redelijkheid verwachten dat met de vergroting van haar mobiliteit, door een eigen brommobiel, ook haar vrees om alleen de straat op te gaan zou verminderen. Haar stelling dat de keuze om een brommobiel aan te schaffen onredelijk was, heeft Allianz dan ook onvoldoende gemotiveerd. In het midden kan blijven of de behandelend psycholoog [eiseres] heeft aangeraden een brommobiel aan te schaffen.

2.13. Allianz heeft niet betwist dat [eiseres] de brommobiel vanwege bij het gebruik optredende klachten -draaierigheid en angstigheid- niet kon gebruiken. Aldus staat niet ter discussie dat de beslissing van [eiseres] om de brommobiel weer snel te verkopen een redelijke beslissing was.

Uit de, door Allianz niet bestreden, nota’s volgt dat [eiseres] EURO 5.309,22 heeft moeten toeleggen op de prijs van de brommobiel. De rechtbank volgt Allianz niet in haar betoog dat [eiseres] ook zonder ongeval kosten vanwege de aanschaf van een vervoermiddel had moeten maken en dat, zo begrijpt de rechtbank de stellingen van Allianz, de nu gemaakte kosten niet in causaal verband staan tot het ongeval. Allianz miskent dat [eiseres] in de situatie zonder ongeval het door haar aangeschafte vervoermiddel -als [eiseres] dan al een ander vervoermiddel zou hebben aangeschaft, hetgeen zij gemotiveerd heeft betwist- ook zou hebben gebruikt, zodat tegenover de kosten van aanschaf ook de baten van het gebruik zouden hebben gestaan. [eiseres] heeft de brommobiel nu juist (nagenoeg) niet gebruikt.

De vordering betreffende de brommobiel is dan ook toewijsbaar.

kosten verbouwing en verhuizing

2.14. [eiseres] vordert bedragen vanwege een verhuizing van het gezin waartoe zij behoort naar een andere woning en een (enkele jaren later volgende) verbouwing van de nieuwe woning. Volgens [eiseres] was de verhuizing noodzakelijk, omdat de oude woning vlakbij de plaats van het ongeval gelegen was en [eiseres] de steeds terugkerende confrontatie met die plaats niet aankon. Nadat de nieuwe woning betrokken was, is die verbouwd. De garage op de begane grond is verbouwd tot een voor [eiseres] bedoelde eigen wooneenheid met eigen entree en nutsvoorzieningen.

Allianz heeft de noodzaak van deze verhuizing en verbouwing en de omvang van de gevorderde kosten betwist. Bovendien heeft zij er op gewezen dat [eiseres] thans geen woonlasten heeft. In de situatie zonder ongeval zou zij die wel gehad hebben. Door de verbouwing is de woning ook meer waard geworden, meent Allianz.

2.15. Naar het oordeel van de rechtbank heeft [eiseres] de noodzaak van de verhuizing in 1996 voldoende aannemelijk gemaakt. Uit de overgelegde stukken volgt dat de confrontatie met de plek van het ongeval psychisch belastend was voor [eiseres]. [eiseres] woonde ten tijde van het ongeval nog in het ouderlijk huis. Dat was, gezien haar leeftijd, ook niet uitzonderlijk. Het lag dan ook voor de hand dat toen voor [eiseres] de noodzaak ontstond te verhuizen ook de andere gezinsleden verhuisden. Het moge zo zijn dat is vastgesteld dat de zeer hechte band tussen [eiseres] en haar gezinsleden een factor is die een rol speelt in de problematiek van [eiseres], zoals Allianz stelt, maar de rechtbank acht op geen enkele wijze aannemelijk dat dit [eiseres] toen al bekend was en haar er toe had moeten leiden om het ouderlijk huis te verlaten, zoals Allianz suggereert.

De rechtbank acht dan ook voldoende aannemelijk dat de verhuizing in 1996 het gevolg was van het ongeval. Dat het gezin van [eiseres] ook zonder het ongeval in 1996, of kort daarna, verhuisd zou zijn, zoals Allianz veronderstelt, acht de rechtbank dan ook niet aannemelijk, nu daarvoor geen aanknopingspunten zijn. Allianz heeft haar stelling dat de toenmalige woning van (het gezin van) [eiseres] te klein zou zijn geweest onvoldoende onderbouwd.

De kosten van de verhuizing kunnen, gelet op de aard van de aansprakelijkheid en de aard van de schade, ook in redelijkheid aan Allianz worden toegerekend.

2.16. [eiseres] vordert na vermindering van eis een bedrag van fl. 7.500,00 (EURO 3.403,85) aan verhuiskosten. Volgens Allianz is dit bedrag te hoog. Aan Allianz kan worden toegegeven dat [eiseres] de kosten niet heeft gespecificeerd. Zij heeft ook geen bewijsstukken betreffende de verhuiskosten in het geding gebracht. De rechtbank gaat er dan ook, met Allianz, vanuit dat de verhuizing in eigen beheer is uitgevoerd. De rechtbank zal, nu wel vaststaat dat verhuiskosten zijn gemaakt -Allianz betwist dat ook niet-, deze kosten schatten. Zij acht, mede gezien het feit dat de beide huizen dicht bij elkaar gelegen zijn, een bedrag van EURO 2.500,00 op zijn plaats.

2.17. [eiseres] vordert een bedrag van EURO 15.425,53 (fl. 34.000,00) aan verbouwingskosten. Zij stelt dat zij niet in staat is om zelfstandig te wonen en dat om die reden in overleg met de behandelend psycholoog besloten is de garage van de woning van haar ouders te verbouwen tot een min of meer zelfstandig appartement. De verbouwing is grotendeels in eigen beheer uitgevoerd door de vader van [eiseres]. De ouders van [eiseres] hebben voor de verbouwing een aanvullende lening moeten afsluiten.

Allianz heeft de medische noodzaak van de verbouwing betwist. Volgens haar is de verbouwing juist niet in overeenstemming met het beleid van de behandelend psycholoog, dat er juist op was gericht om de verhoudingen in het gezin losser te maken. Bovendien betwist Allianz dat de kosten van de verbouwing schade vormen. Door de verbouwing is de waarde van de woning toegenomen. Bovendien bespaart [eiseres] zich door de verbouwing woonlasten. In de situatie zonder ongeval zou zij deze woonlasten wel hebben moeten maken, meent Allianz. Tenslotte betwist Allianz de door [eiseres] gestelde omvang van de verbouwingskosten.

2.18. Ook wanneer er, met [eiseres], van wordt uitgegaan dat sprake is van een medische noodzaak voor de verbouwing, is de vordering naar het oordeel van de rechtbank niet toewijsbaar. [eiseres] heeft het verweer van Allianz, dat de kosten van de verbouwing geen schade vormen omdat de verbouwing heeft geleid tot een waardestijging van de woning, onvoldoende weerlegd. Het had op de weg van [eiseres] gelegen om, bijvoorbeeld middels een verklaring van een makelaar, haar op het eerste gezicht niet zeer voor de hand liggende stelling dat de woning niet meer waard is geworden door de verbouwing te onderbouwen. [eiseres] heeft dat echter nagelaten.

Het feit dat een waardestijging van de woning niet liquide is, leidt niet tot een ander oordeel, omdat het niet in de weg staat aan de vaststelling dat tegenover een vermindering van het vermogen vanwege gemaakte verbouwingskosten een (minstens zo grote) vermeerdering van het vermogen staat wegens de toename van de waarde van de woning, waardoor van schade -in de zin van een vermogensafname- per saldo geen sprake is. Het feit dat de waardestijging van de woning niet liquide is, zou wellicht een vergoeding van rente over de verbouwingskosten rechtvaardigen, maar een dergelijke vordering heeft [eiseres] niet ingesteld.

gederfde vakantiedagen

2.19. [eiseres] vordert een bedrag van EURO 14.156,48 wegens gederfde vakantiedagen door haar ouders. Zij legt aan deze vordering ten grondslag dat haar ouders sedert 1996 het merendeel van hun vakantie- en ATV-dagen hebben gebruikt aan de begeleiding van [eiseres] bij bezoeken van [eiseres] aan onder andere artsen, specialisten, advocaat en haar werk. Over de jaren 1996 tot en met 2002 betreft het 26 vakantiedagen per ouder per jaar, over de jaren 2003 en 2004 de helft daarvan. [eiseres] gaat uit van een tarief van fl. 75,00

(EURO 34,03) per dag. De tegenwaarde van de vakantiedagen komt volgens [eiseres] als verplaatste schade voor vergoeding in aanmerking.

2.20. Allianz heeft de vordering van [eiseres] bestreden. Zij meent allereerst dat naar huidig recht gederfd inkomen, waaronder het verlies van vrije besteding van vakantiedagen, door derden niet voor vergoeding in aanmerking komt. Als al sprake is van voor vergoeding in aanmerking komende schade, kan [eiseres] deze schade volgens Allianz niet vorderen. Het betreft dan geen schade van [eiseres], maar van haar ouders. Allianz betwist ook dat de ouders van [eiseres] alle vakantiedagen, waarvoor een vergoeding wordt gevorderd, ten behoeve van [eiseres] hebben opgenomen.

2.21. De rechtbank stelt voorop dat niet in alle gevallen de inkomensschade, waaronder de schade vanwege het verlies van vakantiedagen, die een naaste lijdt indien deze de verzorging, verpleging of begeleiding van een verwant op zich neemt, voor vergoeding in aanmerking komt. Voor vergoeding is naar het oordeel van de rechtbank alleen plaats wanneer de hulp, gezien alle omstandigheden, redelijkerwijs noodzakelijk is. De rechtbank is zich er van bewust dat de Hoge Raad in het Krüter-arrest (HR 6 juni 2003, NJ 2003/504), heeft overwogen dat voor een vergoeding voor hulp geen plaats is als het inschakelen van professionele hulp niet “normaal en gebruikelijk” is. Die norm is in de literatuur -de rechtbank verwijst naar een recent artikel van Lindenbergh in TVP, TVP 2006, blz. 107 e.v. en naar de noot van Vranken onder het arrest- bekritiseerd en is in een recent arrest (HR 16 december 2005, NJ 2006/1), weliswaar in het kader van schadevergoeding bij overlijden, niet herhaald. In dat arrest kwam slechts -zijdelings- aan de orde of de (huishoudelijke) hulp noodzakelijk was.

Wanneer voldaan is aan de voorwaarde dat de hulp redelijkerwijs noodzakelijk is, komt de schade voor vergoeding in aanmerking. Daarbij heeft te gelden dat de inspanningen van de naasten niet op een hoger bedrag zullen mogen worden begroot dan de kosten van een professionele kracht zouden hebben bedragen. De rechtbank verwijst in dit kader naar hetgeen de Hoge Raad in het Johanna Kruithof-arrest (HR 28 mei 1999, NJ 1999/564) heeft overwogen over de omvang van de vergoeding terzake van verpleging en verzorging.

2.22. Gelet op hetgeen de rechtbank hiervoor heeft overwogen, leidt het enkele feit dat de ouders van [eiseres] hun vakantiedagen hebben moeten besteden aan de begeleiding van [eiseres] niet tot toewijzing van de vordering van [eiseres] tot volledige vergoeding van die vakantiedagen. Eerst dient te worden vastgesteld of de begeleiding redelijkerwijs noodzakelijk was. Indien dat het geval is, bestaat aanspraak op een vergoeding tot het bedrag dat gemoeid zou zijn geweest met het inschakelen van professionele hulp. Aan Allianz kan worden toegegeven, dat die vergoeding niet noodzakelijk gelijk is aan het nettoloon over de gederfde vakantiedagen. Het is echter aannemelijk dat de kosten van professionele begeleiding per tijdseenheid aanzienlijk hoger zullen zijn dan de door [eiseres] berekende vergoeding op basis van het nettoloon per vakantiedag, te weten fl. 75,00 per dag. Om die reden is de keuze van [eiseres] om de schade vanwege de begeleiding te begroten door het aantal opgenomen vakantiedagen te vermenigvuldigen met het nettoloon per vakantiedag niet onredelijk. Er kan dan ook van worden uitgegaan dat wanneer vaststaat dat de ouders van [eiseres] de gestelde vakantiedagen inderdaad hebben opgenomen ten behoeve van de noodzakelijke begeleiding van [eiseres] de daardoor geleden schade gelijk is aan het gestelde nettoloon over de opgenomen dagen.

2.23. De rechtbank verwerpt de stelling van Allianz dat de schade vanwege de begeleiding alleen door de ouders van [eiseres] gevorderd kan worden. Het betreft (abstract begrote) schade die [eiseres] lijdt doordat zij aangewezen is op begeleiding door derden. [eiseres] kan deze schade zelf vorderen, ongeacht de mogelijkheden van de derden om op grond van artikel 6: 107 BW terzake van deze schade zelf een vordering in te stellen. Artikel 6: 107 lid 2 BW staat er dan aan in de weg dat Allianz de schade twee maal zou moeten vergoeden. Wanneer [eiseres] zelf de schade twee keer zou vorderen, zou Allianz zich daar immers tegen kunnen verweren met de stelling dat zij de schade al heeft vergoed. Wanneer zij voor dezelfde schade eerst door [eiseres] en vervolgens door derden wordt aangesproken, kan zij dit verweer ook voeren.

2.24. De rechtbank acht op grond van hetgeen zij in het tussenvonnis heeft vastgesteld omtrent de (psychische) klachten van [eiseres] voldoende aannemelijk dat [eiseres] geregeld begeleid diende te worden bij haar bezoeken aan verschillende artsen en instanties. Uit de medische stukken blijkt dat bij haar sprake is (geweest) van paniekstoornissen en straatvrees. De rechtbank acht de begeleiding van [eiseres] door één van haar ouders dan ook redelijkerwijs noodzakelijk.

2.25. Dat de ouders van [eiseres] veel tijd besteed hebben aan de begeleiding van [eiseres] en daarvoor in de jaren 1996 tot en met 2002 vakantiedagen hebben moeten opofferen, acht de rechtbank, mede gezien de overgelegde verklaringen van de werkgevers van de ouders van [eiseres], de ernst van de klachten van [eiseres] en hetgeen daaruit voortvloeit omtrent de omvang van de begeleiding, voldoende aannemelijk. De rechtbank verwerpt het verweer van Allianz tegen de omvang van de vordering dan ook voor zover het betrekking heeft op de periode tot en met 2001. Over de periode vanaf 2002 heeft [eiseres] geen informatie in het geding gebracht waaruit volgt dat haar ouders daadwerkelijk veel (vrije) tijd hebben besteed aan de noodzakelijke begeleiding van [eiseres]. [eiseres] heeft daarvoor geen verklaring gegeven, ook niet nadat Allianz in de conclusie van antwoord de omvang van de vordering betwistte. Aldus heeft zij haar vordering over de periode vanaf 2002 onvoldoende onderbouwd.

2.26. De slotsom is dat de vordering toewijsbaar is over de periode tot en met 2001, de periode waarover verklaringen in het geding zijn gebracht. Het betreft dan 9 maal 26 dagen (6 jaren voor de vader en 3 jaren voor de moeder) maal EURO 34,03 per dag, derhalve

EURO 7.963,02. Dat bedrag is toewijsbaar.

arbeidsvermogenschade

2.27. [eiseres] vordert een bedrag van EURO 51.054,00 aan arbeidsvermogenschade over de jaren 1997 tot en met 2004. Zij legt aan deze vordering ten grondslag dat zeer aannemelijk is dat zij in de situatie zonder ongeval met ingang van 1 januari 1997 zou zijn uitgestroomd naar reguliere arbeid (ten tijde van het ongeval werkte zij in het kader van het Jeugd Werk garantie Wet bij de belastingdienst) als administratief medewerkster bij de belastingdienst of een andere overheidsinstelling. Zij zou dan zijn ingeschaald in schaal 4 volgens de salarisschaal van het BBRA. Het verschil tussen het netto-inkomen dat zij dan zou hebben genoten en het in werkelijkheid door haar genoten netto-inkomen, op basis van een WAO-uitkering, bedraagt volgens haar EURO 51.054,00.

2.28. Allianz heeft ook deze vordering van [eiseres] bestreden. Volgens haar kan er niet van worden uitgegaan dat [eiseres] in de situatie zonder ongeval vanaf 1 januari 1997 zou zijn ingestroomd in reguliere arbeid, al dan niet bij een overheidsinstelling en tegen het door haar gestelde salaris. Allianz heeft er in dat kader op gewezen dat [eiseres] haar opleiding niet had afgemaakt, dat zij ten tijde van het ongeval als één van de weinigen van haar lichting nog steeds geen regulier werk had en dat bij haar een geringe motivatie leek te bestaan om te solliciteren. Ook de specifieke (psychische) kwetsbaarheid van [eiseres] zou aan het vinden van vast werk in de weg hebben gestaan, meent Allianz.

2.29. De vraag of een door een ongeval getroffene als gevolg van het ongeval schade heeft geleden door verlies van (toekomstige) inkomsten uit arbeid, dient te worden beantwoord door vergelijking van de feitelijke inkomenssituatie na het ongeval met de hypothetische situatie bij wegdenken van het ongeval. Bij zo’n vergelijking komt het aan op de redelijke verwachting van de rechter omtrent toekomstige ontwikkelingen. Daarbij geldt tevens dat aan een benadeelde die blijvende letselschade heeft opgelopen, geen strenge eisen mogen worden gesteld met betrekking tot het te leveren bewijs van schade wegens het derven van arbeidsinkomsten die de benadeelde zou hebben genoten in de hypothetische situatie zonder ongeval. Het is immers de aansprakelijke veroorzaker van het ongeval die aan de benadeelde de mogelijkheid heeft ontnomen om zekerheid te verschaffen omtrent hetgeen in die hypothetische situatie zou zijn geschied.

2.30. Uit hetgeen partijen over en weer hebben gesteld, volgt dat tussen hen geen verschil van mening bestaat over het inkomen dat [eiseres] tot en met 2004 daadwerkelijk heeft genoten. Hetgeen [eiseres] dienaangaande in de dagvaarding heeft gesteld, is niet

-gemotiveerd- door Allianz weersproken. Uit de in de conclusie van repliek overgelegde stukken blijkt dat [eiseres] ook na een herkeuring in 2004 haar WAO-uitkering heeft behouden.

2.31. Partijen verschillen over het inkomen dat [eiseres] in de hypothetische situatie waarin het ongeval niet zou hebben plaatsgevonden naar verwachting zou hebben verworven. Uit hetgeen de rechtbank in het tussenvonnis heeft overwogen, volgt dat daarbij geen rekening mag worden gehouden met de gestelde specifieke kwetsbaarheid van [eiseres], wat daar verder ook van zij. Wel dient uiteraard rekening te worden gehouden met de voor het bepalen van de positie op de arbeidsmarkt van [eiseres] relevante persoonlijke factoren, zoals de leeftijd van [eiseres], haar opleiding en werkervaring, haar pogingen om werk te vinden en de beschikbare informatie over haar functioneren. Tevens dient de situatie op de arbeidsmarkt in de relevante periode in ogenschouw te worden genomen.

2.32. De rechtbank is niet in staat om op basis van de door partijen aangereikte informatie te beslissen of en, zo ja, wanneer [eiseres] in de hypothetische situatie zonder ongeval vast werk zou hebben gekregen en welk inkomen zij daarmee zou hebben genoten. Zij heeft behoefte aan een onderzoek door een arbeidsdeskundige. De vraag rijst of het, gelet op de vertraging die het gevolg is van een dergelijk onderzoek, zinvol is dat dit onderzoek in het kader van deze procedure plaatsvindt. Aannemelijk is dat de uitkomsten van het onderzoek ook van belang zijn voor de schade over de periode na 2005. Voor die schade heeft [eiseres] -terecht, gezien de lopende behandeling- verwijzing naar de schadestaat gevorderd. Het onderzoek zou derhalve ook in het kader van de schadestaatprocedure nog kunnen plaatsvinden. In dat geval kan de rechtbank in deze procedure nog geen beslissing nemen over de arbeidsvermogenschade tot en met 2004. Die schade dient dan in de schadestaatprocedure te worden meegenomen.

De rechtbank zal partijen in de gelegenheid stellen zich uit te laten over de wenselijkheid van een deskundigenonderzoek in het kader van deze procedure, over de persoon van de deskundige en de aan de deskundige te stellen vragen. Het verdient uiteraard aanbeveling dat partijen, na overleg, tot een gezamenlijk standpunt komen over de vraag of in deze procedure een deskundigenonderzoek dient plaats te vinden en, zo ja, over de persoon van de deskundige en de aan deze te stellen vragen. De rechtbank zal de zaak daartoe verwijzen naar de rol.

smartengeld

2.33. [eiseres] vordert een bedrag van EURO 20.000,00 aan smartengeld. Bij dit bedrag zijn volgens [eiseres] de jonge leeftijd waarop haar het ongeval overkwam en de enorme impact van het ongeval -[eiseres] wijst op de volledige arbeidsongeschiktheid- van belang. Ook dient volgens [eiseres] rekening te worden gehouden met de eindeloos durende schaderegeling en met name de rol die het door Allianz ingeschakelde schaderegelingsbureau Assuraad daarin heeft gespeeld.

Allianz meent dat het aan smartengeld gevorderde bedrag, gezien de aard van het letsel, de ernst van het ongeval voor [eiseres] en de specifieke persoonlijkheid van [eiseres] te hoog is. Daarbij is volgens haar van groot belang dat [eiseres] slechts “indirect” (geestelijk) letsel ten gevolge van het ongeval heeft opgelopen, dat zij alleen vanwege haar persoonlijkheidsstructuur heeft kunnen oplopen. Allianz meent dat een bedrag van

EURO 12.500,00, het door haar reeds betaalde bedrag, reëel is.

2.34. De rechtbank stelt voorop dat de persoonlijkheidsstructuur van [eiseres], zoals zij reeds eerder heeft overwogen, niet aan toerekening van de schadelijke gevolgen van het ongeval aan Allianz in de weg staan. Dat betekent ook dat bij de vaststelling van het smartengeld rekening moet worden gehouden met alle gevolgen van het ongeval voor [eiseres].

2.35. In het tussenvonnis van 26 juli 2006 heeft de rechtbank vastgesteld dat [eiseres] ernstige gezondheidsklachten heeft. Die klachten bestaan enerzijds uit nekklachten en hoofdpijn, soms gepaard met misselijkheid en tintelingen in de ledematen en anderzijds uit psychische klachten, waaronder ernstige angstklachten, prikkelbaarheid, paniekaanvallen, depressieve buien, huilbuien en gespannenheid.

Vast staat tevens dat [eiseres] al geruime tijd volledig arbeidsongeschikt is en een zeer teruggetrokken bestaan leidt, vrijwel zonder sociale contacten met anderen dan gezinsleden. Tevens staat vast dat zij al diverse (para)medische behandelingen heeft ondergaan.

Gelet op de aard en de ernst van de klachten, de duur van de klachten en de gevolgen van deze klachten voor het algehele functioneren van [eiseres] acht de rechtbank, mede gezien de leeftijd van [eiseres] en uitspraken van andere rechters omtrent smartengeld in vergelijkbare gevallen, het door [eiseres] gevorderde smartengeld van EURO 20.000,00 reëel. Het gevorderde bedrag is derhalve toewijsbaar.

2.36. De rechtbank overweegt dat zij bij het bovenstaande de rol van schaderegelingsbureau Assuraad uitdrukkelijk buiten beschouwing heeft gelaten. Het is onvoldoende duidelijk geworden dat Assuraad in het kader van het schaderegelingstraject onzorgvuldig gehandeld heeft. Daarbij is van belang dat, zoals uit dit vonnis en het vorige vonnis blijkt, niet alleen Allianz (al dan niet op aangeven van Assuraad), maar ook [eiseres] onjuiste standpunten heeft ingenomen over de omvang van de schade.

2.37. Geheel ten overvloede overweegt de rechtbank dat in zijn algemeenheid een stroeve en weinig welwillende afhandeling van een schade door een schaderegelingsbureau zich uiteindelijk wel, in de vorm van een per saldo hogere schade, tegen de opdrachtgever van een schaderegelingsbureau kan keren. Een dergelijke wijze van schaderegeling leidt gemakkelijk tot een wederzijdse verharding van standpunten die tot gevolg kan hebben dat het slachtoffer meer claimt, en wellicht toegewezen krijgt, dan oorspronkelijk de bedoeling was en leidt in ieder geval tot een langere duur, en daarmee tot hogere kosten, van het schaderegelingsproces. Bovendien zullen eventuele schadebeperkende suggesties van een schaderegelingsbureau waarin het slachtoffer geen of weinig vertrouwen heeft door het slachtoffer niet snel in welwillende overweging genomen worden, terwijl de schadeveroorzaker er juist belang bij heeft dat het slachtoffer wel ingaat op schadebeperkende suggesties. Uit het tussenvonnis volgt dat het niet (onmiddellijk) opvolgen van dergelijke suggesties niet zonder meer de conclusie kan dragen dat de schadebeperkingsplicht geschonden is. Tenslotte dwingt een schaderegelingsbureau dat zich weinig soepel opstelt het slachtoffer in de rol van slachtoffer, met alle gevolgen van dien.

Het komt de rechtbank dan ook voor dat een schaderegelingsbureau er alleen al uit welbegrepen eigenbelang verstandig aan doet te streven naar een goede verstandhouding met het slachtoffer. Uit hetgeen [eiseres] over het handelen van Assuraad naar voren heeft gebracht volgt dat Assuraad daarin, wat daarvan ook de oorzaak mag zijn, zeker niet is geslaagd.

buitengerechtelijke kosten

2.38. [eiseres] vordert, na vermindering van eis, nog een bedrag van EURO 3.440,64 aan buitengerechtelijke kosten. Allianz betwist dit bedrag verschuldigd te zijn. Zij stelt met betaling van een bedrag van EURO 15.000,00 de buitengerechtelijke kosten te hebben voldaan. Het meerdere is volgens haar van kleur verschoten.

De rechtbank volgt Allianz niet in dit verweer. [eiseres] heeft, middels het in het geding brengen van de declaraties, met bijbehorende urenspecificaties, van haar advocaten haar vordering deugdelijk gemotiveerd. De kosten die betrekking hadden op het deskundigenbericht heeft zij, nadat Allianz daar bezwaar tegen had gemaakt, buiten beschouwing gelaten. Het lag op de weg van Allianz om aan de hand van de door [eiseres] in het geding gebrachte urenspecificaties nauwkeurig aan te geven welke werkzaamheden van kleur verschoten zijn, waardoor ze niet als schade in de zin van artikel 6: 96 sub b en c BW zijn te beschouwen. Allianz heeft dat echter nagelaten en heeft haar verweer aldus onvoldoende onderbouwd.

2.39. De slotsom is dat de vordering van [eiseres] toewijsbaar is tot het gevorderde bedrag van EURO 3.440,64.

wettelijke rente

2.40. [eiseres] vordert een bedrag van EURO 39.242,21 aan wettelijke rente. Dat bedrag is gebaseerd op een uitvoerige berekening. Allianz heeft die berekening niet betwist, maar maakt wel bezwaar tegen de gevorderde wettelijke rente over de buitengerechtelijke kosten. Volgens haar is de wettelijke rente eerst verschuldigd vanaf het moment dat [eiseres] de declaraties betaald heeft.

2.41. De rechtbank volgt Allianz in dit verweer. Nu gesteld noch gebleken is dat [eiseres] over de facturen van haar advocaten betreffende de buitengerechtelijke kosten wettelijke rente verschuldigd is geworden vanaf de vervaldata van de facturen tot aan het moment van betaling, is het moment van betaling doorslaggevend voor de verschuldigdheid van wettelijke rente over de buitengerechtelijke kosten. Dat betekent, gelet op hetgeen door [eiseres] is gesteld over de betaling door haar van de facturen, wettelijke rente verschuldigd is vanaf begin februari 2005, toen [eiseres] een aanvullend voorschot ontving onder algemene titel en de nog openstaande declaratie ten laste van dit voorschot is voldaan.

2.42. Nu de berekening van de wettelijke rente is gebaseerd op de door [eiseres] gevorderde bedragen, en deze bedragen niet volledig toewijsbaar zijn, dient [eiseres] een nieuwe berekening in het geding te brengen. Het komt de rechtbank zinvol voor wanneer [eiseres] een berekening vervaardigt per 1 januari 2007 en in die berekening ook rekening houdt met het, kennelijk, begin februari 2005 betaalde aanvullende voorschot. [eiseres] dient deze berekening bij akte in het geding te brengen. [eiseres] dient tevens aan te geven welk bedrag zij op basis van de door de rechtbank toewijsbaar geachte schadeposten en rekening houdend met de betaalde voorschotten, nog te vorderen heeft van Allianz voor wat betreft de schade tot en met 31 december 2004.

Verdere procedure

2.43. De rechtbank verwijst de zaak naar de rol voor akte aan de zijde van [eiseres]. Allianz kan middels een antwoordakte reageren.

3. De beslissing

De rechtbank

3.1. verwijst de zaak naar de rol van woensdag 7 maart 2007 voor akte aan de zijde van [eiseres] overeenkomstig het bepaalde in rechtsoverwegingen 2.32 en 2.42 en voor antwoordakte van Allianz naar de rol van woensdag 5 april 2007.

3.2. houdt iedere verdere beslissing aan.

Dit vonnis is gewezen door mr. M.H.S. Lebens-de Mug, mr. H. de Hek en mr. J.N. Dobben-Bartels en in het openbaar uitgesproken op 7 februari 2007.