Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBZLY:2007:BA8585

Instantie
Rechtbank Zwolle-Lelystad
Datum uitspraak
03-07-2007
Datum publicatie
03-07-2007
Zaaknummer
AWB 06/2588
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Inhoudsindicatie

Raad van de gemeente Deventer heeft ten onrechte nieuw aangelegd stuk weg bestemd tot openbare weg nu geen sprake is van een weg in de zin van artikel 1 van de Wegenwet.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl

Uitspraak

RECHTBANK ZWOLLE-LELYSTAD

Sector Bestuursrecht, Meervoudige Kamer

Registratienummer: Awb 06/2588

Uitspraak

in het geding tussen:

A te B,

wonende te Deventer, eiser,

gemachtigde: mw. mr. B.C.M. van Riel van DAS Rechtsbijstand,

en

de Raad van de gemeente Deventer, verweerder,

gemachtigde: mr. drs. B.F.J. Bollen, advocaat te Tilburg.

1.Procesverloop

Bij besluit van 7 september 2005 heeft verweerder het nieuwe aangelegde stuk weg, gelegen in het verlengde van de Berkelweg, parallel aan de Veenweg en haaks op de Snipperlingsdijk, bestemd tot openbare weg.

Eiser heeft tegen dit besluit bij brief van 6 oktober 2005 bezwaar aangetekend.

Op 7 december 2005 heeft een hoorzitting plaatsgevonden voor de Algemene bezwaarschriftencommissie Deventer (verder: de commissie), alwaar eiser zijn standpunten mondeling heeft toegelicht. De commissie heeft op 31 maart 2006 geadviseerd het bezwaar gegrond te verklaren en het besluit te herroepen.

Bij het bestreden besluit van 4 oktober 2006 heeft verweerder, in afwijking van het advies van de commissie, besloten het bezwaar ongegrond te verklaren maar wel hetzij de betrokken bewoners van de Veenweg in de gelegenheid te stellen een stuk gemeentegrond te kopen, hetzij ten laste van het betrokken stuk gemeentegrond en ten gunste van hun percelen een erfdienstbaarheid te vestigen. Dit besluit is bij brief van 23 oktober 2006 aan eiser gezonden.

Namens eiser is bij schrijven van 27 november 2006 beroep ingesteld tegen dit besluit, welk beroep bij schrijven van 2 januari 2007 is voorzien van gronden.

De gemachtigde van verweerder heeft op 20 februari 2007 een verweerschrift ingediend.

Het beroep is ter zitting van 4 juni 2007 behandeld. Eiser is verschenen, vergezeld van zijn gemachtigde voornoemd. Verweerder heeft zich doen vertegenwoordigen door zijn gemachtigde voornoemd. De rechtbank heeft vervolgens het onderzoek gesloten.

2. Overwegingen

Kern van het geschil is de vraag of verweerder terecht en op goede gronden het besluit, waarbij het nieuwe aangelegde stuk weg (gelegen in het verlengde van de Berkelweg parallel aan de Veenweg en haaks op de Snipperlingsdijk) is bestemd tot openbare weg, heeft gehandhaafd.

Eiser woont aan de (....) te Deventer. In de omgeving van deze weg en de Berkelweg vindt sinds een aantal jaren een herontwikkeling van het gebied Grachtengordel Oost plaats. Een onderdeel van deze ontwikkeling is de wens van de gemeente Deventer om een gedeelte van de gronden, gelegen achter de woningen aan de Veenweg (....) aan de betreffende bewoners te verkopen ter uitbreiding van de tuin met als doel het verkrijgen van een rechte erfgrens aan de achterzijde van de percelen. Op dit te verkopen stuk gemeentegrond zijn van oudsher ten behoeve van de ontsluiting van de percelen erfdienstbaarheden gevestigd ten behoeve van de percelen aan de Veenweg (...) om te komen en te gaan naar de Berkelweg. Eén van de ontwikkelingen is de aanleg van een 27-tal carports op het stuk gemeentegrond gelegen achter de Veenweg alsmede de inrichting en bestrating hiervan ten behoeve van de ontsluiting van de tuinen en de carports naar de Berkelweg. Het perceel grond gelegen achter de tuinen van de Veenweg 1(...) waarop de weg aangelegd is, is eigendom van de gemeente, door de gemeente van bestrating voorzien en wordt door de gemeente onderhouden.

Om de ontsluiting van de percelen naar de Berkelweg te waarborgen heeft één van de bewoners van de Veenweg een civiele procedure gevoerd tegen de gemeente en in die procedure gevorderd dat de gemeente dient mee te werken aan het verleggen van de erfdienstbaarheid naar het gedeelte van het perceel waarop de ontsluitingsweg is aangelegd en welk gedeelte niet aan de bewoners verkocht zal worden.

Op 6 juli 2005 is in die procedure een tussenvonnis gewezen, waarbij de rechtbank de gemeente in de gelegenheid heeft gesteld bij akte schriftelijke bescheiden in de procedure te brengen ter onderbouwing van de stelling dat aan de nieuwe toegangsweg de bestemming van openbare weg is gegeven in de zin van artikel 4 en 5 van de Wegenwet.

In vervolg hierop heeft verweerder bij besluit van 7 september 2005 voornoemde weg openbaar bestemd op grond van artikel 4, lid 1, sub III van de Wegenwet, aangezien na onderzoek was gebleken dat dit bij vaststelling van het bestemmingsplan Grachtengordel – Oost 2000 op 25 september 2000 niet was gebeurd.

Artikel 1 van de Wegenwet luidt:

1.Deze wet is uitsluitend van toepassing op openbare wegen.

2.Onder wegen worden in deze wet mede verstaan:

I.voetpaden, rijwielpaden, jaagpaden, dreven, molenwegen, kerkwegen en andere verkeersbanen voor beperkt gebruik;

IIbruggen.

Artikel 4, lid 1 van de wet luidt:

1Een weg is openbaar:

I.wanneer hij, na het tijdstip van dertig jaren vóór het in werking treden van deze wet, gedurende dertig achtereenvolgende jaren voor een ieder toegankelijk is geweest;

IIwanneer hij, na het tijdstip van tien jaren vóór het in werking treden van deze wet, gedurende tien achtereenvolgende jaren voor een ieder toegankelijk is geweest en tevens gedurende dien tijd is onderhouden door het Rijk, eene provincie, eene gemeente of een waterschap;

IIwanneer de rechthebbende daaraan de bestemming van openbaren weg heeft gegeven.

Ingevolge het bepaalde in artikel 5, eerste lid van de Wegenwet kan de onder III van artikel 4, eerste lid, van de Wegenwet bedoelde bestemming slechts worden gegeven met medewerking van de raad van de gemeente, waarin de weg is gelegen.

De rechtbank overweegt als volgt.

Naar het oordeel van de rechtbank is ten aanzien van het – in dit geding van belang zijnde – weggedeelte geen sprake van een weg in de zin van artikel 1 van de Wegenwet. Het betreft een weggedeelte achter de Veenweg en de Snipperlingsdijk, welk weggedeelte doodloopt tegen een bakstenen muur. Het weggedeelte wordt gebruikt door de bewoners als toegangsweg naar de carports en de achterzijde van hun woningen en heeft geen algemene verkeersfunctie. De vuilniswagen en – indien nodig – de brandweerwagen of de ambulance rijden over de Veenweg en de Snipperlingsdijk aan de voorzijde van de woningen. Aan de door verweerder geplaatste carports aan de achterzijde van de Veenweg hangt een bord met het opschrift: “eigen terrein, parkeren uitsluitend voor bewoners Veenweg”. Verweerder heeft naar het oordeel van de rechtbank dan ook ten onrechte het betreffende weggedeelte bestemd tot openbare weg. Het beroep van eiser zal dan ook gegrond worden verklaard.

Nu verweerder – gelet op hetgeen hiervoor is overwogen – geen ander besluit kan nemen dan het besluit van 7 september 2005 te herroepen, ziet de rechtbank aanleiding om met toepassing van artikel 8:72, vierde lid, van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) op na te melden wijze zelf in de zaak te voorzien. De rechtbank acht termen aanwezig om toepassing te geven aan artikel 8:75 Awb.

3. Beslissing

De rechtbank:

-verklaart het beroep gegrond;

-vernietigt het besluit van 4 oktober 2006;

-herroept het besluit d.d. 7 september 2005;

-bepaalt dat deze uitspraak in de plaats treedt van het vernietigde besluit van 4 oktober 2006;

-veroordeelt verweerder in de kosten, die eiser in verband met de behandeling van het beroep heeft moeten maken, tot op heden begroot op € 644,00, te betalen door de gemeente Deventer aan eiser;

-gelast dat de gemeente Deventer aan eiser het door hem betaalde griffierecht ad € 141,00 vergoedt.

Deze uitspraak is gedaan door mr. W.J.B. Cornelissen, voorzitter, mr. L.E.C. van Rijckevorsel-Besier en mr. M.A. Wijnands-Veninga, rechters en in het openbaar uitgesproken in tegenwoordigheid van Y. van der Zaan-van Arnhem als griffier, op

Afschrift verzonden op:

Rechtsmiddel

Tegen deze uitspraak staat voor een belanghebbende en het bestuursorgaan hoger beroep open. Dit dient te worden ingesteld binnen zes weken na de datum van verzending van deze uitspraak door een beroepschrift en een kopie van deze uitspraak te zenden aan de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State, Postbus 20019, 2500 EA Den Haag.