Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBZLY:2007:BA8517

Instantie
Rechtbank Zwolle-Lelystad
Datum uitspraak
13-06-2007
Datum publicatie
02-07-2007
Zaaknummer
Awb 06/2389
Rechtsgebieden
Socialezekerheidsrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - enkelvoudig
Inhoudsindicatie

De rechtbank ziet zich geplaatst voor de vraag of verweerder terecht heeft geconstateerd dat eiseres haar inlichtingenverplichting heeft geschonden waardoor haar recht op bijstand niet kan worden vastgesteld.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK ZWOLLE-LELYSTAD

Sector Bestuursrecht, Enkelvoudige Kamer

Registratienummer: Awb 06/2389

Uitspraak

in het geding tussen:

[eiseres],

wonende te [woonplaats], eiseres,

en

het college van burgemeester en wethouders van Hardenberg,

gevestigd te Hardenberg, verweerder.

1. Procesverloop

Bij besluit van 26 april 2006 heeft verweerder de bijstandsuitkering van eiseres op grond van de Wet werk en bijstand (WWB) herzien (ingetrokken) over de periode van 1 december 2003 tot en met 30 april 2004 en het recht op bijstand van eiseres op grond van het Besluit bijstandverlening zelfstandigen (Bbz) herzien over de periode van 1 mei 2004 tot 1 mei 2005 en van 1 november 2005 tot en met 28 februari 2006. De herziening van beide uitkeringen heeft plaatsgevonden wegens schending van de inlichtingenplicht alsmede het bestaan van een gezamenlijke huishouding.

Bij ditzelfde besluit heeft verweerder eiseres medegedeeld dat over genoemde periodes teveel aan bijstand is betaald en dat dit teveel aan bijstand betaalde bedrag zal worden teruggevorderd. Het bedrag dat van eiseres zal worden teruggevorderd heeft verweerder vastgesteld op € 23.825,78 (totale bruto uitkering voor levensonderhoud vanaf 1 december 2003) en €15.283,71 (saldo rentedragend krediet inclusief rente tot en met april 2006).

Tegen het besluit van 26 april 2006 is bezwaar gemaakt op 8 mei 2006.

In de beslissing op bezwaar van 18 september 2006 is het bezwaarschrift ongegrond verklaard.

Op 1 november 2006 is tegen de beslissing op bezwaar beroep ingesteld.

Verweerder heeft op 8 december 2006 een verweerschrift ingezonden.

Het beroep is op 14 maart 2007 ter zitting behandeld, gevoegd met een tweetal andere zaken.

Eiseres is ter zitting verschenen.

Verweerder heeft zich doen vertegenwoordigen door mw. I. Mak.

Na de zitting zijn de zaken weer gesplitst. De rechtbank heeft de termijn voor de uitspraak op 27 april 2007 verlengd met zes weken en partijen daarvan bericht.

2. Overwegingen

Partijen zijn verdeeld over de vraag of het besluit van verweerder van 18 september 2006 de rechterlijke toetsing kan doorstaan.

Bij de beoordeling gaat de rechtbank uit van de volgende feiten en omstandigheden.

Eiseres is bij besluit van 22 augustus 2003 een bijstandsuitkering toegekend, berekend naar de norm van een alleenstaande ouder. Met ingang van 1 mei 2004 is de bijstandsuitkering van eiseres beëindigd omdat eiseres als zelfstandige ging werken.

Bij besluit van 16 februari 2004 is eiseres een bedrijfskrediet toegekend op grond van het Bbz van € 14.500,-- voor de aanschaf van een oliebollenkraam, een vrachtwagen en overige kosten zoals standplaatsgelden en rijlessen voor het vrachtwagenrijbewijs. Nadien is nog een aanvullend krediet verstrekt van € 725,24. Eiseres is tevens per 1 mei 2004 een periodieke uitkering op grond van het Bbz toegekend. Deze uitkering is bij besluit van 20 december 2004 verlengd tot 1 mei 2005. Bij besluit van 18 november 2005 is eiseres voor de periode van 1 november 2005 tot 1 april 2006 op grond van het Bbz bijstand verleend in de kosten van levensonderhoud.

Op 14 februari 2006 is een rapportformulier Bbz 2004 opgesteld. Op basis van deze rapportage is bij besluit van 23 februari 2006 eiseres medegedeeld dat zij zonder toestemming de vrachtwagen waarvoor aan haar krediet was verleend heeft verkocht en ingeruild en dat zij het nieuwe voertuig diende te verpanden aan de gemeente. Voorts is eiseres verzocht informatie te verstrekken over de bezochte kermissen. Vervolgens heeft verweerder de sociale recherche verzocht een onderzoek in te stellen. Op 3 april 2006 heeft de sociale recherche rapport uitgebracht. Dit heeft geleid tot de besluitvorming zoals genoemd in de eerste rubriek van deze uitspraak.

Wettelijk kader

Ingevolge artikel 3 van de WWB is sprake van een gezamenlijke huishouding, indien twee personen hun hoofdverblijf in dezelfde woning hebben en zij blijk geven zorg te dragen voor elkaar door middel van het leveren van een bijdrage in de kosten van de huishouding dan wel anderszins.

Ingevolge artikel 17, eerste lid van de WWB doet de belanghebbende aan het college op verzoek of onverwijld uit eigen beweging mededeling van alle feiten en omstandigheden waarvan hem redelijkerwijs duidelijk moet zijn dat zij van invloed kunnen zijn op zijn arbeidsinschakeling of het recht op bijstand.

Artikel 54, derde lid, onder a van de WWB bepaalt dat onverminderd het elders in de WWB bepaalde ter zake van herziening of intrekking van een besluit tot toekenning van bijstand en ter zake van weigering van bijstand, het college een dergelijk besluit kan herzien of intrekken, indien het niet of niet behoorlijk nakomen van de verplichting, bedoeld in artikel 17, eerste lid, of de artikelen 28, tweede lid, en 29, eerste lid, van de Wet structuur uitvoeringsorganisatie werk en inkomen, heeft geleid tot het ten onrechte of tot een te hoog bedrag verlenen van bijstand.

Artikel 58 van de WWB bepaalt dat het college van de gemeente die de bijstand heeft verleend kosten van bijstand kan terugvorderen, voor zover de bijstand:

a. ten onrechte of tot een te hoog bedrag is verleend;

Indien het niet nakomen van de inlichtingenplicht er toe leidt dat het recht op bijstand niet kan worden vastgesteld levert dit ingevolge vaste jurisprudentie van de Centrale Raad van Beroep een grond op voor weigering van de bijstand.

In het besluit op bezwaar van 18 september 2006 heeft verweerder de herziening en terugvordering van de verleende bijstand over de periode van 1 december 2003 tot en met 30 april 2004 en van 1 mei 2004 tot 1 mei 2005 gebaseerd op het niet nakomen van de inlichtingenverplichting zoals neergelegd in artikel 65 van de Abw en 17 van de WWB. De herziening en terugvordering over de periode van 1 november 2005 tot en met 28 februari 2006 is, naast schending van de inlichtingplicht op grond van artikel 17 WWB, eveneens gebaseerd op de grond dat eiseres gedurende deze periode een gezamenlijke huishouding voerde met de heer [derde].

In beroep heeft verweerder zich op het standpunt gesteld dat gelet op de bevindingen zoals neergelegd in de rapportage van de sociale recherche, sprake is geweest van een gezamenlijke huishouding in de periode van 1 november 2005 tot en met 28 februari 2006. Eiseres heeft volgens verweerder de waarnemingen en verklaringen in deze rapportage onvoldoende weerlegd.

Ten aanzien van de schending van de inlichtingenplicht is eveneens gesteld dat eiseres voorbij gaat aan de bevindingen van de sociaal rechercheur. Op grond van diens rapportage staat voldoende vast dat zij reeds vanaf december 2003 de oliebollenkraam heeft geëxploiteerd.

In beroep heeft eiseres gesteld dat zij voor de periodes waarover is herzien en teruggevorderd, voldaan heeft aan haar inlichtingenplicht. Hiertoe heeft eiseres aangevoerd zij alles mondeling heeft doorgegeven aan haar contactpersoon bij verweerder. Voorts ontkent eiseres dat zij al in 2003 is begonnen met de exploitatie van de oliebollenkraam. Ten aanzien van de aanschaf van de nieuwe vrachtwagen heeft eiseres aangegeven dat dit niet met middelen van het bedrijfskrediet is gebeurd. Voorts heeft eiseres aangevoerd dat zij in de periode van 1 november 2005 tot en met 28 februari 2006 geen gezamenlijke huishouding voerde. Volgens eiseres was de heer [derde] in deze periode vaker bij haar om te helpen in de zaak en om hem in de gelegenheid te stellen hun zoon te zien.

Overwegingen

Ten aanzien van de herziening van verleende bijstand voor levensonderhoud over de periode van 1 december 2003 tot en met 30 april 2004 en van 1 mei 2004 tot 1 mei 2005.

Blijkens het bestreden besluit is de herziening gebaseerd op het niet nakomen van de inlichtingenverplichting zoals neergelegd in artikel 65 van de Abw (voor de periode van 1 december 2003 tot 1 januari 2004) en 17 van de WWB (voor de periodes vanaf 1 januari 2004 tot 1 mei 2004 en van 1 mei 2004 tot 1 mei 2005). Verweerder heeft hieraan ten grondslag gelegd dat eiseres verweerder niet tijdig, juist en volledig heeft geïnformeerd over de gang van zaken in haar bedrijf betreffende:

- de aanschaf van de oliebollenkraam in november 2003 en de exploitatie daarvan vóór de indiening van de aanvraag om financiële hulp voor het starten van een eigen bedrijf en vóór de startdatum van het bedrijf;

- de aanschaf van een extra vervoermiddel;

- het gebruik maken van derden bij de exploitatie van haar bedrijf, zonder dat dit uit de boekhouding blijkt, waardoor geen sprake kan zijn van een deugdelijke en betrouwbare boekhouding en dientengevolge het recht op bijstand niet kan worden vastgesteld.

De rechtbank ziet zich geplaatst voor de vraag of verweerder terecht heeft geconstateerd dat eiseres haar inlichtingenverplichting heeft geschonden waardoor haar recht op bijstand niet kan worden vastgesteld.

Verweerder heeft zijn oordeel dat eiseres met betrekking tot de door haar tot en met 30 april 2004 ontvangen uitkeringen voor levensonderhoud haar inlichtingenplicht heeft geschonden, vooral gebaseerd op een door mw. [getuige] afgelegde verklaring, bezien in samenhang met verklaringen van medewerkers van de gemeente Hardenberg over het verstrekken van een vergunning aan een ‘heer [derde]’ voor het innemen van een standplaats in [woonplaats] met een oliebollenkraam gedurende 3 dagen per week in december 2003.

Naar het oordeel van de rechtbank heeft verweerder uit deze gegevens niet de conclusie kunnen trekken dat eiseres heeft verzuimd om verweerder op de hoogte te brengen van voor (de hoogte van) haar bijstandsuitkering van belang zijnde gegevens.

De rechtbank stelt in de eerste plaats vast dat verweerder zich bij het nemen van het primaire besluit en ook in bezwaar heeft gebaseerd op het rapport van de sociale recherche van 3 april 2006 zonder de beschikking te hebben gehad over de processen-verbaal van verhoor waar dit rapport voor een belangrijk deel op gebaseerd is en waaruit in het rapport veelvuldig wordt geciteerd. Genoemde processen-verbaal bevinden zich ook niet in het procesdossier. Daardoor is niet na te gaan of de opgenomen verklaringen aan de betrokken personen zijn voorgelezen en door hen zijn ondertekend. Dit geldt ook voor de door genoemde [getuige] afgelegde verklaring. Maar ook als aangenomen wordt dat laatstgenoemde heeft verklaard zoals weergegeven in het rapport van 3 april 2006 kan uit die verklaring niet, althans niet zonder meer, de conclusie worden getrokken dat eiseres al vanaf december 2003 als zelfstandige een oliebollenkraam heeft geëxploiteerd of heeft laten exploiteren, danwel in die oliebollenkraam werkzaamheden heeft verricht en/of daaruit inkomsten heeft ontvangen. Genoemde getuige spreekt er weliswaar over dat eiseres daarmee in december 2003 op een plein in [woonplaats] heeft gestaan, maar hoe zij dit weet en of zij dit bijvoorbeeld zelf heeft geconstateerd of van eiseres heeft vernomen, wordt niet duidelijk. De verklaringen van eiseres en de heer [derde] dat in eerste instantie alleen laatstgenoemde activiteiten heeft ondernomen met de kraam en daarmee in december 2003 in [woonplaats] plek in heeft genomen, zijn nadien niet meer aan mw. [getuige] voorgehouden. Mede gelet op de vaststelling dat door de gemeente Hardenberg de tijdelijke standplaatsvergunning aan [derde] is verleend, is van een exploitatie van de oliebollenkraam in december 2003 door of namens eiseres onvoldoende gebleken. Dat eiseres, nadat zij over haar intentie om tot exploitatie van de oliebollenkraam te komen begin 2004 in overleg is getreden met de bijstandsconsulent zelfstandigen van de gemeente Hardenberg in dat jaar eerder dan de ‘officieel’ vastgestelde startdatum van 1 mei 2004 met haar bedrijf is gestart is gesteld noch gebleken.

Gelet op het voorgaande is het beroep van eiseres gegrond waar het betreft de herziening van de bijstandsuitkeringen over de periode van 1 december 2003 tot en met 30 april 2004.

Voor de gedurende de periode van 1 mei 2004 tot 1 mei 2005 verstrekte uitkering voor levensonderhoud op grond van het Bbz (in eerste instantie een geldlening welke nadien is omgezet in een uitkering om niet) wordt het volgende overwogen. Op grond van de verschillende verklaringen uit het rapport van de sociale recherche van 3 april 2006 acht de rechtbank voldoende aannemelijk geworden dat eiseres in deze periode bij de exploitatie van de oliebollenkraam meer dan incidentele hulp heeft gehad van met name de heer [derde] alsmede van een heer [...], zonder dat zij daarvan melding heeft gemaakt en zonder dat dit is verantwoord in de boekhouding. Verweerder heeft terecht geoordeeld dat daardoor niet goed is vast te stellen welke inkomsten eiseres uit haar activiteiten heeft genoten en welke aanspraak op bijstand op grond van het Bbz nog resteerde.

De rechtbank is van oordeel dat, nu eiser gelet op het voorgaande de inlichtingenplicht niet

is nagekomen, verweerder op grond van artikel 54, derde lid van de WWB kon overgaan tot herziening van het besluit tot toekenning van bijstand over de genoemde periode. In de beleidsregels van verweerder is bepaald dat het college in beginsel in alle gevallen overgaat tot herziening bij overtreding van de inlichtingenverplichting. Hieruit volgt dat de herziening van het besluit tot toekenning van bijstand aan eiser in overeenstemming met het beleid van verweerder, welk beleid de rechtbank niet onredelijk acht.

Ten aanzien van de herziening over de periode van 1 november 2005 tot en met 28 februari 2006

Verweerder heeft aan de herziening van de bijstand over deze periode ten grondslag gelegd dat eiseres een gezamenlijke huishouding is gaan voeren en verweerder daarvan niet op de hoogte heeft gesteld.

Van een gezamenlijke huishouding is sprake indien twee personen hun hoofdverblijf in dezelfde woning hebben en zij blijk geven zorg te dragen voor elkaar. In de jurisprudentie wordt gesproken over het criterium van de wederzijdse verzorging. Deze kan blijken uit een bepaalde mate van financiële verstrengeling dan wel uit andere feiten en omstandigheden (CRvB 27-02-2007, LJN:AZ9849).

Naar het oordeel van de rechtbank heeft verweerder terecht een gezamenlijke huishouding aangenomen over de periode vanaf 1 november 2005. In zijn verklaring heeft [derde] aangegeven dat hij sinds september 2005 verblijft op het adres van eiseres omdat hij zelf geen vaste woon- en verblijfplaats meer heeft. Ook eiseres zelf heeft verklaard dat [derde] vanaf september 2005 geregeld bij haar kwam en bleef slapen en haar hielp met van alles en nog wat.

Deze verklaringen geven aan dat vanaf september 2005 kan worden gesproken van wederzijdse verzorging. Ook de omstandigheid dat [derde] niet beschikte over een eigen woon- en verblijfplaats is van belang. Hij woonde bij eiseres en verrichtte bepaalde werkzaamheden in plaats van het betalen van alimentatie. Hiermee is voldoende aangetoond dat sprake was een bepaalde mate van financiële verstrengeling en is voldaan aan het criterium van de wederzijdse verzorging. De vraag of er tussen eiseres en de heer [derde] (weer) sprake was van een relatie is hierbij niet van belang.

Vast staat dat eiseres verweerder niet op de hoogte heeft gesteld van deze gewijzigde situatie.

De rechtbank is van oordeel dat, nu eiseres gelet op het voorgaande de inlichtingenplicht niet

is nagekomen, verweerder op grond van artikel 54, derde lid van de WWB ook met betrekking tot het tijdvak van 1 november 2005 tot en met 28 februari 2006 kon overgaan tot herziening van het besluit tot toekenning van bijstand. In de beleidsregels van verweerder is bepaald dat het college in beginsel in alle gevallen overgaat tot herziening bij overtreding van de inlichtingenverplichting. Hieruit volgt dat de herziening van het besluit tot toekenning van bijstand aan eiser in overeenstemming met het beleid van verweerder, welk beleid de rechtbank niet onredelijk acht.

Ten aanzien van de terugvordering van de verschillende uitkeringen voor levensonderhoud

Verweerder heeft een bedrag van € 23.825,78 (bruto) teruggevorderd aan ten onrechte verleende bijstand voor levensonderhoud. Nu uit deze uitspraak volgt dat verweerder de uitkeringen (ingevolge de Abw en de WWB) over de periode van 1 december 2003 tot en met 30 april 2004 ten onrechte heeft herzien, komt daarmee tevens de grondslag aan de terugvordering over de genoemde periode te ontvallen. Aangezien verweerder het terugvorderingsbedrag niet heeft gedifferentieerd naar de verschillende uitkeringsperioden en grondslagen van de uitkering (Abw, WWB, Bbz) komt de volledige terugvordering voor vernietiging in aanmerking. Overigens constateert de rechtbank dat voor het Bbz gelet op artikel 44 van dat besluit een bijzondere terugvorderingregeling geldt en dat verweerder ten onrechte de terugvordering van de op grond van het Bbz verleende bijstand heeft gebaseerd op het bepaalde in de WWB. Tevens heeft verweerder gelet op artikel 60 van de WWB en zijn eigen beleid (beleidsregel 25) verzuimd om aan te geven binnen welke termijnen de teruggevorderde uitkering door eiseres betaald dient te worden. De rechtbank neemt aan dat het verzoek aan eiseres om het bedrag van € 23.825,78 binnen twee weken te betalen niet als zodanig is bedoeld.

Ten aanzien van de herziening en terugvordering van het verstrekte bedrijfskrediet ten bedrage van € 15.283,71 (saldo rentedragend krediet inclusief rente tot en met de maand april 2006)

Het gaat hier om het verstrekte bedrijfskrediet ten behoeve van de aanschaf en exploitatie van een oliebollenkraam, een vrachtwagen, vooruit te betalen standplaatsgeld alsmede overige aanloopkosten, waaronder rijlessen en examens voor het vrachtwagenrijbewijs en het chauffeursdiploma.

De grondslag voor dat krediet vormt artikel 24 van het Bbz. Deze bepaling biedt de mogelijkheid om aan een beginnende zelfstandige ter voorziening in de behoefte aan bedrijfskapitaal bijstand in de vorm van een rentedragende lening te verlenen. Uit artikel 39 van het Bbz volgt dat in de toekenningsbeslissing wordt opgenomen waaraan de lening moet worden besteed en welke verplichtingen er met betrekking tot de betaling van rente en aflossingen zijn. Tevens dient in de beschikking op te worden genomen dat de lening terstond opeisbaar is in het geval deze niet in overeenstemming met de bestemming is besteed.

De rechtbank laat in het midden of gelet op deze bijzondere regeling voor bedrijfskrediet ruimte bestaat voor een herziening van in deze vorm verstrekte bijstand op voet van het bepaalde in artikel 54, derde lid van de WWB, zoals door verweerder is gebeurd. Wel is zij van oordeel dat artikel 44 van het Bbz voor de terugvordering van uitkeringen op grond van het Bbz een exclusieve en van de WWB afwijkende regeling schept. Gelet daarop heeft verweerder ten onrechte artikel 58 van de WWB aan de terugvordering van dat krediet ten grondslag gelegd en komt ook dit onderdeel van het besluit voor vernietiging in aanmerking.

Overigens constateert de rechtbank dat de Commissie bezwaarschriften in haar advies van 28 juni 2006 met betrekking tot het bedrijfskrediet ook niet heeft beoordeeld of dat krediet teruggevorderd kon worden maar of dat krediet ineens opeisbaar is geworden. Genoemde commissie heeft die vraag bevestigend beantwoord omdat zij van oordeel was dat eiseres door de aanschaf van twee vrachtwagens in plaats van één, het krediet niet overeenkomstig de bestemming heeft besteed. Het komt de rechtbank voor dat verweerder in een nieuwe beslissing op het bezwaar zal hebben te beoordelen of de feiten voldoende steun bieden voor dat oordeel.

Samenvattend, wordt het beroep gegrond verklaard en het bestreden besluit vernietigd met uitzondering van de herziening van de uitkeringen over de perioden 1 mei 2004 tot en met 1 mei 2005 en 1 november 2005 tot en met 28 februari 2006.

Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding. Wel zal de gemeente Hardenberg worden opgedragen aan eiseres het door haar betaalde griffierecht te vergoeden.

3. Beslissing

De rechtbank

- verklaart het beroep ongegrond voor zover het betreft de herziening van de uitkeringen over de perioden 1 mei 2004 tot en met 1 mei 2005 en 1 november 2005 tot en met 28 februari 2006;

- verklaart het beroep voor het overige gegrond en vernietigt het besluit in zoverre;

- draagt verweerder op een nieuw besluit op bezwaar te nemen met inachtneming van hetgeen in deze uitspraak is overwogen;

- verstaat dat de gemeente Hardenberg aan eiseres het door haar betaalde griffierecht ten bedrage van € 38,-- vergoedt.

Deze uitspraak is gedaan door mr. J.H.M. Hesseling en in het openbaar uitgesproken in tegenwoordigheid van mr. N.E. Moerman als griffier, op 13 juni 2007

Afschrift verzonden op: 19 juni 2007

Rechtsmiddel

Tegen deze uitspraak staat voor een belanghebbende en het bestuursorgaan hoger beroep open. Dit dient te worden ingesteld binnen zes weken na de datum van verzending van deze uitspraak door een beroepschrift en een kopie van deze uitspraak te zenden aan de Centrale Raad van Beroep, Postbus 16002, 3500 DA Utrecht.