Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBZLY:2007:BA8516

Instantie
Rechtbank Zwolle-Lelystad
Datum uitspraak
13-06-2007
Datum publicatie
02-07-2007
Zaaknummer
Awb 06/2371
Rechtsgebieden
Socialezekerheidsrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - enkelvoudig
Inhoudsindicatie

Partijen zijn verdeeld over de vraag of verweerder eiser op goede gronden hoofdelijk aansprakelijk heeft gesteld voor de terugbetaling van de kosten van bijstand van mevrouw [derde] .

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK ZWOLLE-LELYSTAD

Sector Bestuursrecht, Enkelvoudige Kamer

Registratienummer: Awb 06/2371

Uitspraak

in het geding tussen:

[eiser],

wonende te [woonplaats], eiser,

tegen

het college van burgemeester en wethouders van Hardenberg,

verweerder.

1. Procesverloop

Bij besluit van 26 april 2006 heeft verweerder van eiser de kosten van bijstand teruggevorderd die aan mevrouw [derde] zijn verstrekt ingevolge de Wet werk en bijstand (WWB) over de periode van 1 december 2003 tot en met 30 april 2004 en op grond van het Besluit bijstandverlening zelfstandigen (Bbz) over de perioden van 1 mei 2004 tot 1 mei 2005 en van 1 november 2005 tot en met 28 februari 2006. Het terugvorderingsbedrag is vastgesteld op € 23.825,78.

Tegen het besluit van 26 april 2006 is bezwaar gemaakt op 9 mei 2006.

In de beslissing op bezwaar van 27 september 2006 is het bezwaarschrift gedeeltelijk gegrond verklaard. In dit besluit is bepaald dat de terugvordering van eiser wordt beperkt tot de periode van 1 november 2005 tot en met 28 februari 2006 en dat het bedrag van terugvordering wordt vastgesteld op € 3.397,78.

Op 1 november 2006 is tegen de beslissing op bezwaar beroep ingesteld.

Verweerder heeft op 9 december 2006 een verweerschrift ingezonden.

Het beroep is op 14 maart 2007 ter zitting behandeld, gevoegd met de zaken van mevrouw [derde].

Eiser is ter zitting verschenen.

Verweerder heeft zich doen vertegenwoordigen door mevrouw I. Mak.

Na afloop van de zitting zijn de gevoegde zaken weer gesplitst. De rechtbank heeft de termijn voor de uitspraak op 27 april 2007 verlengd met zes weken en partijen daarvan bericht.

2. Overwegingen

Partijen zijn verdeeld over de vraag of verweerder eiser op goede gronden hoofdelijk aansprakelijk heeft gesteld voor de terugbetaling van de kosten van bijstand van mevrouw [derde] over de periode van 1 november 2005 tot en met 28 februari 2006.

De rechtbank gaat bij de beoordeling uit van de volgende feiten en omstandigheden.

Aan mevrouw [derde] is bij besluit van 22 augustus 2003 een bijstandsuitkering toegekend, berekend naar de norm van een alleenstaande ouder. Met ingang van 1 mei 2004 is de bijstandsuitkering van mevrouw [derde] beëindigd omdat zij als zelfstandige ging werken.

Bij besluit van 16 februari 2004 is mevrouw [derde] een bedrijfskrediet toegekend op grond van de Bbz van € 14500,-- voor de aanschaf van een oliebollenkraam, een vrachtwagen en overige kosten zoals standplaatsgelden en rijlessen voor het vrachtwagenrijbewijs. Mevrouw [derde] is tevens per 1 mei 2004 een periodieke uitkering op grond van het Bbz toegekend. Deze uitkering is bij besluit van 20 december 2004 verlengd tot 1 mei 2005. Bij besluit van 18 november 2005 is mevrouw [derde] voor de periode van 1 november 2005 tot 1 april 2006 op grond van het Bbz bijstand verleend in de kosten van levensonderhoud. Deze uitkering is verstrekt in de vorm van een renteloze lening. Op 14 februari 2006 is een rapportformulier Bbz 2004 opgesteld waarna verweerder heeft verzocht om een onderzoek door de sociale recherche. Op 3 april 2006 heeft de sociale recherche rapport uitgebracht. Dit heeft geleid tot besluitvorming waarbij de aan mevrouw [derde] verstrekte uitkeringen en leningen zijn herzien en de aan haar verstrekte bedragen zijn teruggevorderd.

Ten aanzien van eiser heeft de besluitvorming plaatsgevonden zoals genoemd in de eerste rubriek van deze uitspraak.

Wettelijk kader

Ingevolge artikel 17, eerste lid van de WWB doet de belanghebbende aan het college op verzoek of onverwijld uit eigen beweging mededeling van alle feiten en omstandigheden waarvan hem redelijkerwijs duidelijk moet zijn dat zij van invloed kunnen zijn op zijn arbeidsinschakeling of het recht op bijstand.

Artikel 54, derde lid, onder a van de WWB bepaalt dat onverminderd het elders in de WWB bepaalde ter zake van herziening of intrekking van een besluit tot toekenning van bijstand en ter zake van weigering van bijstand, het college een dergelijk besluit kan herzien of intrekken, indien het niet of niet behoorlijk nakomen van de verplichting, bedoeld in artikel 17, eerste lid, of de artikelen 28, tweede lid, en 29, eerste lid, van de Wet structuur uitvoeringsorganisatie werk en inkomen, heeft geleid tot het ten onrechte of tot een te hoog bedrag verlenen van bijstand.

Artikel 59, tweede lid van de WWB bepaalt dat, indien de bijstand als gezinsbijstand aan gehuwden had moeten worden verleend, maar zulks achterwege is gebleven, omdat de belanghebbende de verplichtingen, bedoeld in artikel 17, of de artikelen 28, tweede lid, of 29, eerste lid, van de Wet structuur uitvoeringsorganisatie werk en inkomen, niet of niet behoorlijk is nagekomen, de kosten van bijstand mede kunnen worden teruggevorderd van de persoon met wiens middelen als bedoeld in paragraaf 3.4, bij de verlening van bijstand rekening had moeten worden gehouden.

Ingevolge het derde lid van artikel 59 van de WWB zijn de in het tweede lid bedoelde personen hoofdelijk aansprakelijk voor de terugbetaling van kosten van bijstand die worden teruggevorderd.

In artikel 44, eerste lid, van het Bbz is bepaald dat in afwijking van hoofdstuk 6, paragraaf 6.4, van de WWB de kosten van bijstand door de gemeente worden teruggevorderd in de gevallen en naar de regels aangegeven in artikel 12, tweede lid, onderdeel c, en de hoofdstukken V en VI van het Bbz.

De rechtbank dient allereerst te beoordelen of verweerder op een juiste wijze toepassing heeft gegeven aan het bepaalde in artikel 59, tweede en derde lid van de WWB door eiser hoofdelijk aansprakelijk te stellen voor de terugbetaling van de aan mevrouw [derde] betaalde uitkering ingevolge de Bbz.

De rechtbank beantwoordt die vraag ontkennend. Immers op grond van artikel 44 van het Bbz bestaat er voor de terugvordering van ten onrechte betaalde bedragen op grond van het Bbz een specifieke regeling in artikel 12, tweede lid, onderdeel c, en de hoofdstukken V en VI van het Bbz. Naar het oordeel van de rechtbank kan artikel 44 van het Bbz niet anders worden gelezen dan dat voor de terugvordering van evengenoemde betalingen de artikelen 58, 59 en 60 van de WWB volledig buiten toepassing blijven.

Dat in de genoemde bepalingen van het Bbz uitsluitend is voorzien in een terugvordering van de zelfstandige zelf en niet van een derde, kan niet betekenen dat verweerder daarvoor alsnog terug zou kunnen vallen op het bepaalde in artikel 59, tweede en derde lid van de WWB.

Gelet hierop heeft verweerder de over de periode van 1 november 2005 tot en met 28 februari 2006 aan mevrouw [derde] betaalde uitkering op grond van het Bbz van € 3.397,78 ten onrechte van eiser teruggevorderd.

Het beroep is derhalve gegrond en het bestreden besluit wordt vernietigd. Nu verweerder het besluit van 26 april 2006 in bezwaar volledig had dienen te herroepen zal de rechtbank dat onder toepassing van artikel 8:72, vierde lid van de Awb, alsnog doen.

3. Beslissing

De rechtbank

- verklaart het beroep gegrond;

- vernietigt het bestreden besluit en herroept het besluit van 26 april 2006 voorzover bij het bestreden besluit gehandhaafd;

- bepaalt dat de gemeente Hardenberg aan eiser het door hem betaalde griffierecht ten bedrage van € 38,-- dient te vergoeden.

Deze uitspraak is gedaan door mr. J.H.M. Hesseling en in het openbaar uitgesproken in tegenwoordigheid van mr. N.E. Moerman als griffier, op 13 juni 2007

Afschrift verzonden op: 19 juni 2007

Rechtsmiddel

Tegen deze uitspraak staat voor een belanghebbende en het bestuursorgaan hoger beroep open. Dit dient te worden ingesteld binnen zes weken na de datum van verzending van deze uitspraak door een beroepschrift en een kopie van deze uitspraak te zenden aan de Centrale Raad van Beroep, Postbus 16002, 3500 DA Utrecht.