Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBZLY:2007:BA8355

Instantie
Rechtbank Zwolle-Lelystad
Datum uitspraak
27-06-2007
Datum publicatie
29-06-2007
Zaaknummer
356268 HA 07-218
Rechtsgebieden
Civiel recht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - enkelvoudig
Inhoudsindicatie

kantonzaak, arbeidsrecht. Ontbindingsverzoek werkgeefster toegewezen ondanks beroep van werknemer op vrijheid van godsdienst en vrijheid van meningsuiting.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
RAR 2007, 132
Prg. 2007, 112
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK ZWOLLE – LELYSTAD

sector kanton - locatie Lelystad

zaaknummer : 356268 HA 07-218

datum : 27 juni 2007

Beschikking op een verzoek tot ontbinding van de arbeidsovereenkomst

de stichting

STICHTING HET FLEVOZIEKENHUIS,

gevestigd te Almere,

verzoekende partij, hierna te noemen Flevoziekenhuis,

gemachtigde mr. G.M. Gerdes, advocaat te Utrecht,

tegen

[VERWERENDE PARTIJ],

wonende te [woonplaats],

verwerende partij,

gemachtigde C.A. van Koot, werkzaam bij Pol-Ops HRM Support & Mediation te Soest.

Het verloop van de procedure

De kantonrechter heeft kennisgenomen van:

- het verzoekschrift, met producties,

- het verweerschrift, met producties,

- producties van de zijde van Flevoziekenhuis.

Er heeft op 13 juni 2007 een mondelinge behandeling van het verzoek plaatsgevonden.

Verschenen zijn:

- Flevoziekenhuis bij monde van [A], clustermanager, en [F], personeelsfunctionaris, bijgestaan door mr. Gerdes;

- [verwerende partij], bijgestaan door de heer Koot.

Het geschil

Het geschil betreft de vraag of de arbeidsovereenkomst tussen partijen moet worden ontbonden en zo ja, of aan die ontbinding een vergoeding moet worden verbonden.

De beoordeling

1.

Voor zover voor het oordeel in deze zaak van belang, staat tussen partijen als gesteld en erkend dan wel niet (voldoende) betwist, mede op grond van de overgelegde en in zoverre niet bestreden bescheiden, het volgende vast.

1.1

[verwerende partij], thans [X] jaar oud, is sedert [datum] in dienst van Flevoziekenhuis in de functie van verpleegkundige. Het salaris van [verwerende partij] bedraagt exclusief vakantietoeslag € 2.602,00 bruto per maand. De gemiddeld door [verwerende partij] verdiende onregelmatigheidstoeslag bedraagt € 538,30 bruto per maand.

[verwerende partij] geeft verpleegkundige zorg aan patiënten met een cardiale aandoening danwel aandoeningen aan luchtwegen of longen.

1.2

[verwerende partij] is belijdend Christen. De Bijbel is voor hem een heilig en tot navolging verplichtend boek en de daarin opgenomen bepalingen bindend. Dat geldt ook voor de opdracht om het goede nieuws dat de Bijbel brengt aan iedereen te vertellen. [verwerende partij] acht zich aan deze opdracht gebonden. Pas als blijkt dat mensen niet geïnteresseerd zijn kan en moet hij zijn boodschap aan hen staken.

1.3

Het Flevoziekenhuis is een ziekenhuis op algemene grondslag en niet georiënteerd op een bepaalde geloofsgrondslag. Bij het verlenen van de zorg aan patiënten staat de holistische mensvisie voorop. Uitgangspunt daarbij is dat een patiënt die zich geestelijk goed voelt eerder zal genezen en er daarom ook rekening moet worden gehouden met het geestelijk welzijn van de patiënt.

1.4

De Nationale Beroepscode van verpleegkundigen en Verzorgenden (hierna: de Beroepscode) houdt onder meer in dat de belangen van de zorgvrager centraal moeten worden gesteld, dat de zorgverlening zoveel mogelijk wordt afgestemd op de behoeften, waarden en normen, culturele en levensbeschouwelijke opvattingen van de zorgvrager en dat de zorgverlener zich bewust is van een mogelijk verschil tussen de eigen waarden en normen en die van de zorgvrager. Ook schrijft de Beroepscode voor dat de verpleegkundige/verzorgende in de relatie met de zorgvrager de professionele grenzen in acht neemt, de privacy van de zorgvrager respecteert en in acht neemt en geen misbruikmaakt van een afhankelijke positie van de zorgvrager.

1.5

Op 19 mei 2004 heeft [A], Clustermanager beschouwende specialismen, met [verwerende partij] gesproken naar aanleiding van een tweetal klachten van patiënten. De klachten betroffen tegen hen gemaakte religieus getinte opmerkingen door [verwerende partij].

[verwerende partij] heeft in dat gesprek erkend dat hij tijdens zijn dienst ongevraagd met een patiënte, wiens ouders tot zijn kerk behoorden, heeft gesproken over het gebruik van een bij de vrouw geplaatst spiraaltje in relatie met zijn christelijke geloofsovertuiging. [verwerende partij] heeft de patiënte gewaarschuwd voor een specifiek deel van de werking van het spiraaltje waarvan hij weet dat het in strijd komt met het Christelijke geloof. Besproken is dat de patiënte angst heeft gekregen over inbreuk op haar privacy en het naar buiten treden door [verwerende partij] met informatie over haar gebruik van voorbehoedmiddelen naar hun beider netwerk.

Het resultaat van het gesprek is geweest dat [verwerende partij] een officiële waarschuwing heeft gekregen. [verwerende partij] is meegedeeld dat het Flevoziekenhuis hem op non-actief zal stellen en een ontslagprocedure zal starten bij een volgende melding van een patiënt over door deze als ongewenst ervaren communicatie gericht op de geloofsovertuiging van [verwerende partij].

Van het gesprek is een verslag opgemaakt dat aan [verwerende partij] is uitgereikt.

1.6

Voormelde klachten en de officiële waarschuwing zijn reden geweest voor het Flevoziekenhuis om gesprekken te regelen tussen [verwerende partij] en [B], als pastor verbonden aan haar instelling. Doel van die gesprekken was te bewerkstelligen dat [verwerende partij] niet ongevraagd zijn geloofsovertuiging bij patiënten ter sprake brengt, te bevorderen dat [verwerende partij] extra alert is ten aanzien van de door hem te betrachten terughoudendheid met betrekking tot zijn geloofovertuiging naar patiënten toe en dat hij de gestelde grenzen niet overschrijdt. De afspraak voor deze gesprekken is op 7 juni 2004 gemaakt in een daartoe met [verwerende partij] gehouden gesprek. Het gespreksverslag waarin voormelde doelstelling is vermeld, is [verwerende partij] ter beschikking gesteld. Er is een tweetal gesprekken geweest.

1.7

Op 21 maart 2005 heeft een patiënt zich erover beklaagd dat [verwerende partij] met hem heeft gebeden terwijl hij zich niet kon herinneren dat hij daar toestemming voor had gegeven. De patiënt weet niet meer of hij heeft meegebeden. De patiënt heeft erover geklaagd dat hij de volgende morgen angstig wakker geworden is en hij een en ander een vreemde gewaarwording vond.

Dezelfde dag is [verwerende partij] in een gesprek aangesproken over deze klacht. [verwerende partij] heeft in dat gesprek verklaard, kort en zakelijk weergegeven, dat de patiënt lag te kronkelen van de pijn, dat de poortarts geen tijd had en dat hij toen heeft besloten om met de patiënt te spreken vanuit en over zijn christelijke achtergrond. [verwerende partij] heeft de patiënt vervolgens om toestemming gevraagd om samen met hem te bidden. Hij heeft dit gedaan om de patiënt rustig te krijgen, wat ook het gevolg was. Pijnmedicatie bleek later zelfs niet nodig, aldus [verwerende partij].

[verwerende partij] is een toelichting gegeven op de gegeven officiële waarschuwing. Het Flevoziekenhuis heeft [verwerende partij] nogmaals meegedeeld, dat hij alleen als een patiënt zelf om gebed vraagt, daarop in mag gaan en dat hij zich dient te onthouden van het actief of op eigen initiatief uitdragen van zijn geloofsovertuiging tegenover patiënten.

Het Flevoziekenhuis heeft [verwerende partij] er aan het eind van het gesprek op gewezen dat bij herhaling ontslag zou volgen.

Het gesprek is vastgelegd in een verslag. [verwerende partij] heeft daarvan een afschrift gehad.

1.8

Op 22 februari 2007 heeft [verwerende partij] tijdens de verzorging van een ernstig zieke patiënte met haar gesproken over God. De desbetreffende patiënte was over dit gesprek ontdaan en heeft zich de volgende dag beklaagd bij een van de verpleegkundigen, die melding heeft gemaakt van de klacht.

Vervolgens hebben [A] en [C] (hoofd P&O) op 1 maart 2007 met de patiënte gesproken. De patiënte heeft haar klacht op 2 maart 2007 op papier gezet.

Op 7 maart 2007 is [verwerende partij] op de klacht van de patiënte aangesproken. [verwerende partij] heeft daarop, zakelijk weergegeven, als toelichting gegeven dat de patiënte tijdens haar verzorging liet weten dat zij niet verder wilde leven met sondevoeding en haar huisarts al geraadpleegd had over euthanasie, waarop [verwerende partij] heeft gezegd dat er ook een andere manier is en dat “God wonderen voor haar kan verrichten”. Volgens [verwerende partij] heeft hij dit gezegd naar aanleiding van de mededeling van de patiënte dat zij euthanasie wilde plegen en omdat dit indruist tegen zijn geloofsovertuiging.

[verwerende partij] is vervolgens meegedeeld dat hij op non-actief wordt gesteld met behoud van zijn salaris in afwachting van nader onderzoek.

Ook dit gesprek is vastgelegd in een verslag. Van dit verslag is een afschrift aan [verwerende partij] gezonden.

1.9

Bij brief van 9 maart 2007 heeft het Flevoziekenhuis schriftelijk aan [verwerende partij] bevestigd dat hij op non-actief is gesteld. [verwerende partij] heeft in zijn brieven van 8 en 9 maart 2007 en zijn e-mail van 13 maart 2007 gereageerd op zijn non-actiefstelling en het gespreksverslag van 7 maart 2007. [verwerende partij] heeft bezwaar gemaakt tegen zijn non-actiefstelling en een aantal vragen gesteld.

1.10

Op 14 maart 2007 heeft een vervolggesprek plaatsgevonden tussen het Flevoziekenhuis en [verwerende partij], waarin het Flevoziekenhuis een toelichting heeft gegeven op de non-actiefstelling. Ook heeft het Flevoziekenhuis aan [verwerende partij] meegedeeld dat zij streefde naar beëindiging van zijn dienstverband, omdat [verwerende partij] meermalen de nadrukkelijke werkinstructies om geen ongevraagde religieuze uitlatingen te doen tegenover patiënten heeft genegeerd.

2.

Het Flevoziekenhuis heeft aan haar verzoek tot ontbinding ten grondslag gelegd dat zij het vertrouwen is verloren dat [verwerende partij] zich aan haar instructies zal houden en daarom sprake is van een zodanige wijziging van omstandigheden, dat de arbeidsovereenkomst van [verwerende partij] op korte termijn moet worden beëindigd. In dat kader heeft het Flevoziekenhuis naar voren gebracht dat zij een algemeen ziekenhuis drijft en het naar haar opvatting volstrekt onacceptabel is dat haar medewerkers ongevraagd religieuze uitingen doen naar patiënten danwel hun eigen geloof of hun ethiek aan patiënten verkondigen, waarbij zij van belang acht dat patiënten geen gelijkwaardige gesprekspartner zijn, omdat zij in een afhankelijke relatie tot de verpleegkundige staan en niet altijd in staat zijn zich te wapenen tegen ongewenste beïnvloeding. Volgens het Flevoziekenhuis kan zij er niet meer op vertrouwen dat [verwerende partij] zich zal houden aan de door haar bij herhaling aan hem gegeven instructie niet ongevraagd met patiënten over zijn geloof te spreken, omdat [verwerende partij] op 22 februari 2007 ondanks deze uitdrukkelijke en herhaalde instructie en ondanks eerdere officiële waarschuwingen op dit punt, ongevraagd vanuit zijn geloofsovertuiging met een ernstig zieke patiënte heeft gesproken. Volgens het Flevoziekenhuis heeft [verwerende partij] op eigen initiatief tegen die patiënte gezegd: “Jezus is aan het kruis gestorven voor onze zonden omdat Hij de goedheid in de mensen wilde brengen, zodat zij die goedheid weer zouden kunnen overbrengen” en heeft [verwerende partij] de patiënte daarbij gesuggereerd dat God een wonder zou verrichten waardoor zij weer zou genezen. De patiënte was zeer ontdaan door het gesprek en heeft zich daarover beklaagd. In het gesprek dat [A] en [C] op 1 maart 2007 met de patiënte hadden, is hen gebleken dat zij zeer aangeslagen was door het gesprek met [verwerende partij].

Het Flevoziekenhuis heeft in dit verband ook nog gesteld dat zij [verwerende partij], naast de uitdrukkelijke instructies en waarschuwingen, coaching en begeleiding heeft gegeven door haar pastor.

Naar de mening van het Flevoziekenhuis moet de door [verwerende partij] veroorzaakte vertrouwensbreuk ertoe leiden dat zijn arbeidsovereenkomst zonder vergoeding wordt ontbonden, omdat [verwerende partij] ter zake een ernstig verwijt kan worden gemaakt, althans omdat het ontstaan van die vertrouwensbreuk in zijn risicosfeer ligt.

3.

[verwerende partij] heeft verweer gevoerd tegen het verzoek van het Flevoziekenhuis met als conclusie dat het verzoek moet worden afgewezen. Op het verweer van [verwerende partij] zal, voor zover nodig, bij de beoordeling van het verzoek worden ingegaan. Naast de afwijzing van het verzoek heeft [verwerende partij] verzocht het Flevoziekenhuis te veroordelen aan hem te betalen de weggevallen onregelmatigheidstoeslag in de periode dat de arbeidsovereenkomst voortduurt en € 11.111,75 als vergoeding van zijn kosten van rechtsbijstand.

Voor het geval de ontbinding zal worden uitgesproken, heeft [verwerende partij] verzocht aan die ontbinding een vergoeding op basis van de factor C=2 te verbinden, derhalve een vergoeding van € 74.370,00 alsmede een vergoeding wegens immateriële schade van € 10.000,00. Tevens heeft [verwerende partij] verzocht om het Flevoziekenhuis ook in dit geval te veroordelen tot betaling van € 11.111,75 wegens kosten voor rechtsbijstand, alsmede tot betaling van de weggevallen onregelmatigheidsvergoeding vanaf zijn non-actiefstelling tot aan de ontbinding van de arbeidsovereenkomst.

De beoordeling

4.

Geoordeeld moet worden dat in dit geding vast staat dat [verwerende partij] meerdere malen ongevraagd met patiënten aan wie hij verpleegkundige zorg verleende, over zijn geloof heeft gesproken. [verwerende partij] heeft dat in de gesprekken met het Flevoziekenhuis erkend. Ook ter zitting heeft [verwerende partij] erkend dat hij de bewuste gesprekken heeft gevoerd. Weliswaar heeft [verwerende partij] aangevoerd dat hij met die gesprekken goede bedoelingen had, en gaat de kantonrechter daar ook zonder meer van uit, maar die goede bedoelingen van [verwerende partij] kunnen er niet aan af doen dat de desbetreffende patiënten over die gesprekken hebben geklaagd omdat zij -kort gezegd- daarvan niet gediend waren en deze als onaangenaam en verwarrend of zelfs als bedreigend hebben ervaren. Met het Flevoziekenhuis is de kantonrechter voorts van oordeel dat de ervaring van de patiënt hier voorop moet staan. Deze bevindt zich in het Flevoziekenhuis omdat hij of zij ziek is en medische verzorging behoeft. Alleen daarom al verkeert de patiënt in een afhankelijke positie. Het is daarom dat hier de ervaring van de patiënt en niet de bedoelingen van [verwerende partij] of het door hem ervaren succes van zijn door zijn geloof ingegeven religieuze gesprekken centraal moet staan. Het verweer van [verwerende partij] dat zijn beleving even zwaar moet worden gewogen als die van de patiënt, wordt daarom verworpen.

5.

Ook het verweer dat de beleving van de patiënten als gevolg van mogelijk medicijngebruik of hun ziekte niet altijd betrouwbaar is, kan niet slagen. Vast staat dat [verwerende partij] de bewuste gesprekken heeft gehad en hiervoor is al geoordeeld dat het zwaartepunt moet worden gelegd bij de beleving van de patiënt van die gesprekken, juist omdat de patiënten, mede als gevolg van hun ziekte en medicijngebruik kwetsbaar zijn en licht uit hun evenwicht gebracht kunnen worden. Overigens geldt dat de instructie van het Flevoziekenhuis aan [verwerende partij] om niet ongevraagd gesprekken te voeren met patiënten over zijn geloofsopvattingen, ook [verwerende partij] als werknemer zou hebben beschermd indien hij zich daaraan had gehouden. Dan zou [verwerende partij] immers niet kunnen worden verweten dat hij de negatieve gevoelens bij de desbetreffende patiënten heeft opgeroepen. Niet gezegd kan daarom worden dat het Flevoziekenhuis onzorgvuldig heeft gehandeld door het zwaartepunt te leggen bij de beleving van de patiënten. Dat Flevoziekenhuis dat zou doen, heeft zij [verwerende partij] bovendien bij de eerste officiële waarschuwing expliciet meegedeeld.

6.

Ook overigens heeft de procedure die het Flevoziekenhuis heeft gevolgd nadat de desbetreffende patiënte had geklaagd over het gesprek dat [verwerende partij] met haar op 22 februari 2007 had gevoerd, een behoorlijk verloop heeft gehad. Dat de klacht niet via de klachtenregeling is ingediend, doet daar niet aan af. De klacht van deze patiënte is via een collega van [verwerende partij] bij zijn leidinggevende en het management terecht gekomen, vervolgens is er eerst een gesprek geweest met de desbetreffende patiënte om de klacht te verifiëren, waarna een gesprek is geregeld waarin [verwerende partij] zijn visie kon geven. Voor het tijdsverloop tussen de 22e februari 2007 en het gesprek met [verwerende partij], waarin [verwerende partij] gewoon en zelfs met de desbetreffende patiënte heeft gewerkt, heeft Flevoziekenhuis een duidelijke en alleszins plausibele verklaring gegeven. Juist vanwege de door haar in acht te nemen zorgvuldigheid, was het zaak eerst met de ernstig zieke patiënte te spreken en [verwerende partij] te horen, alvorens verder te beslissen. Dat het management intussen ruggespraak heeft gehouden met de heer [E] van de Raad van bestuur van Flevoziekenhuis is begrijpelijk. De Raad van Bestuur van Flevoziekenhuis dient toch op de hoogte te zijn van hetgeen in zijn organisatie speelt als het om zaken als de onderhavige gaat. Ook begrijpelijk is dat in het gesprek de mogelijke maatregelen die het Flevoziekenhuis zou kunnen nemen aan de orde zijn geweest. Niet goed voorstelbaar is immers dat het management daarin, buiten de Raad van Bestuur om, zijn eigen gang zou kunnen gaan. Dat betekent niet dat al voor het gesprek met [verwerende partij] vast stond dat het Flevoziekenhuis hem zou ontslaan. De beslissing om [verwerende partij] eerst op non-actief te stellen alvorens te bepalen welke weg zou worden gevolgd, wijst daar ook op. Dat ook gedacht is aan beëindiging van de arbeidsovereenkomst van [verwerende partij] en daarover is overlegd, ligt gezien de zaak voor de hand.

7.

[verwerende partij] heeft ook nog aangevoerd dat de instructie van het Flevoziekenhuis niet berust op schriftelijk beleid en regelgeving en dat deze in strijd is met het eigen beleid van het Flevoziekenhuis, waarin de holistische visie op de mens centraal staat.

Deze verweren van [verwerende partij] kunnen er evenwel niet toe leiden dat aangenomen moet worden dat [verwerende partij] niet gehouden was zich aan de instructie van het Flevoziekenhuis te houden. Voorop staat immers dat het Flevoziekenhuis als werkgever de bevoegdheid heeft om [verwerende partij] instructies te geven en dat [verwerende partij] deze instructies, mits redelijk, dient op te volgen. Niet van belang is daarbij of de instructies berusten op schriftelijk beleid of regelgeving. Bovendien kan voor de instructie aan [verwerende partij] een grondslag worden gevonden in de hiervoor onder 1.3 vermelde Beroepscode. Dat [verwerende partij] niet gebonden is aan die code doet niet ter zake. Aangenomen moet immers worden dat de daarin verwoorde uitgangspunten, voor zover hiervoor onder 1.3 verwoord, algemene uitgangspunten zijn die voor elke verpleegkundige gelden.

De beperking, dat het om een redelijke opdracht moet gaan, betekent niet dat [verwerende partij] de vrijheid toekomt om die instructie te toetsen aan wat hij als juist beleid ziet. Het was niet aan [verwerende partij] om te bepalen dat ook het verlenen van ongevraagde geestelijke steun op het vlak van zijn geloof tot zijn taak als verpleegkundige behoorde, zoals door [verwerende partij] is bepleit.

In de relatie tussen het Flevoziekenhuis en [verwerende partij] ligt het gezag immers bij het Flevoziekenhuis.

8.

Indien echter de instructie van het Flevoziekenhuis, zoals [verwerende partij] heeft gesteld en door Flevoziekenhuis gemotiveerd is bestreden, in strijd komt zijn vrijheid van meningsuiting of zijn vrijheid van Godsdienst, kan niet meer gesproken worden van een redelijke instructie. In dat geval kunnen de overtredingen van die instructie door [verwerende partij] niet de grondslag zijn voor toewijzing van het ontbindingsverzoek.

9.

Het recht op het belijden van het geloof, waaronder begrepen het verkondigen van geloofsuitingen, is geen absoluut recht. Deze rechten van [verwerende partij] eindigen waar de belangen van de patiënten van het Flevoziekenhuis in het gedrang komen. Zoals hiervoor onder punt 4 en 5 al is overwogen, verkeren die patiënten in een kwetsbare positie waarin zij afhankelijk zijn van de zorg van het Flevoziekenhuis en van [verwerende partij]. Als gevolg van hun ziekte, de operatie die zij hebben ondergaan of het niet in hun eigen omgeving verkeren, zullen de patiënten sneller in de war kunnen raken of minder goed kunnen reageren. Het recht van de patiënten op welbevinden en bescherming van hun persoonlijke levenssfeer moet daarom voorop gesteld worden. Deze rechten begrenzen daarom het recht van [verwerende partij] om te getuigen van zijn geloofsopvattingen. Tot het recht op bescherming van de persoonlijke levenssfeer behoort ook het recht op bescherming tegen ongewenste informatie en propaganda. De bij het Flevoziekenhuis ingediende klachten maken duidelijk dat de ongevraagde gesprekken met [verwerende partij] over zijn geloofsopvattingen bij verschillende patiënten tot onrust, angst en verwarring hebben geleid en hun welbevinden hebben aangetast. De kantonrechter is daarom van oordeel dat de instructie van het Flevoziekenhuis aan [verwerende partij], om niet ongevraagd met patiënten over zijn geloofsopvatting te spreken, redelijk is. Deze instructie begrenst de rechten van [verwerende partij] niet verder dan nodig is en beoogt de patiënten van het Flevoziekenhuis te beschermen en zo hun welbevinden te bevorderen. Hierbij weegt mee dat de instructie niet elke geloofsuiting van [verwerende partij] verbiedt. De slotsom is daarom, dat het Flevoziekenhuis haar bevoegdheid met de instructie aan [verwerende partij] niet heeft overschreden en [verwerende partij] haar gezag op dit punt had moeten accepteren en zich aan die instructie had moeten houden.

10.

[verwerende partij] heeft ook nog betoogd dat ontbinding van zijn arbeidsovereenkomst op de door het Flevoziekenhuis aangegeven gronden verboden is, omdat sprake is van directe danwel indirecte discriminatie op grond van Godsdienst. Het Flevoziekenhuis heeft gemotiveerd bestreden dat daarvan sprake is.

11.

Het Flevoziekenhuis heeft zeer aannemelijk gemaakt dat zij het uiten van geloofsovertuigingen in zijn algemeenheid niet verbiedt en dat zij geen bezwaar heeft tegen de geloofsovertuiging als zodanig van [verwerende partij]. Het Flevoziekenhuis heeft [verwerende partij] ook niet verboden om desgevraagd met patiënten over zijn geloofsovertuiging te spreken. Geoordeeld moet daarom worden dat de instructie aan [verwerende partij] enkel ten doel heeft haar patiënten te beschermen tegen onrustgevoelens, verwarring en angst, het welbevinden haar patiënten zoveel mogelijk te waarborgen en zo hun herstel te bevorderen. Het ontbindingsverzoek van het Flevoziekenhuis is ingegeven door de herhaalde overtreding door [verwerende partij] van de instructie om niet ongevraagd met patiënten over zijn geloof te spreken, waardoor het welbevinden van verschillende patiënten is aangetast. Met haar ontbindingsverzoek beoogt het Flevoziekenhuis herhaling hiervan te voorkomen.

De kantonrechter is daarom van oordeel dat bij het verzoek tot ontbinding van de arbeidsovereenkomst van [verwerende partij] geen sprake is van direct onderscheid op grond van Godsdienst.

Hetgeen [verwerende partij] heeft betoogd over discriminatie op grond van zijn geloof door zijn leidinggevende clustermanager, namelijk dat er onder zijn vorige manager geen probleem was en dus sprake is van discriminatie op grond van zijn geloof door [A], overtuigt niet. Daar komt bij dat (het uitgangspunt van) de instructie aan [verwerende partij] ook door anderen in het Flevoziekenhuis wordt ondersteund, waaronder de pastor die [verwerende partij] daarin heeft begeleid. Dit standpunt van [verwerende partij] wordt daarom verworpen en kan niet tot een ander oordeel leiden.

12.

Voor zover sprake is van indirect onderscheid op grond van Godsdienst, geldt dat dit een verboden onderscheid is, tenzij voor dat onderscheid een objectieve rechtvaardigingsgrond aanwezig is. Flevoziekenhuis heeft gesteld dat daarvan sprake is.

13.

Het doel dat Flevoziekenhuis nastreeft is een ziekenhuis in stand te houden waarin haar patiënten zich op hun gemak en veilig voelen en waar hun kwetsbare positie beschermd wordt. De instructie aan [verwerende partij] voorziet in een werkelijke behoefte van het Flevoziekenhuis en is geschikt en noodzakelijk om het gestelde doel te bereiken. Deze instructie beperkt [verwerende partij] ook niet meer dan noodzakelijk is om dat doel te bereiken. Zoals hiervoor al is vastgesteld heeft de wijze waarop [verwerende partij] tegenover verschillende patiënten uiting heeft gegeven aan zijn geloofsopvattingen ertoe geleid, dat zij in de war zijn geraakt of zich angstig en bedreigd hebben gevoeld en zich later over die gesprekken hebben geklaagd. Vast staat ook dat [verwerende partij] met zijn gesprekken met patiënten die instructie verschillende malen heeft overtreden. Van Flevoziekenhuis kan niet worden verwacht dat zij de gedragingen van [verwerende partij] nog langer accepteert. Dat betekent dat, ingeval het Flevoziekenhuis door haar ontbindingsverzoek indirect onderscheid op grond van Godsdienst maakt, daarvoor een objectieve rechtvaardigingsgrond aanwezig is. Er is daarom geen sprake van verboden onderscheid.

14.

Ook het verweer van [verwerende partij] dat de instructie van het Flevoziekenhuis niet duidelijk en verwarrend was en hem daarom niet verweten kan worden dat hij deze heeft overtreden, wordt verworpen. De kantonrechter is van oordeel dat de desbetreffende instructie volstrekt duidelijk was en geen enkele ruimte voor misverstand open liet. De instructie is zowel mondeling toegelicht als schriftelijk vastgelegd en bovendien heeft [verwerende partij] begeleiding gehad om het voor hem makkelijker te maken aan de instructie te voldoen. Uit de schriftelijke verklaring van pastor [B] volgt overigens ook dat de instructie voor [verwerende partij] duidelijk was.

15.

Het probleem was veeleer dat [verwerende partij] vanuit zijn geloofsovertuiging moeite had en heeft met die instructie en dat de grond is voor zijn herhaalde overtreding daarvan. [verwerende partij] beschouwt het immers als zijn door God gegeven opdracht om de boodschap van de Bijbel aan andere mensen te verkondigen. Het lijkt erop dat [verwerende partij] de mededeling van de patiënte die vertelde dat zij met haar huisarts over euthanasie had gesproken, heeft opgevat als een uitnodiging om vanuit zijn geloofsovertuiging te spreken over een wonder van God. Euthanasie mag dan voor [verwerende partij] onverbrekelijk met zijn geloofsopvattingen verbonden zijn, dat geldt niet voor alle andere mensen. Duidelijk is dat [verwerende partij] zich dat toen niet heeft gerealiseerd en dit ook ter zitting nog het geval was. [verwerende partij] ziet geen probleem in zijn handelwijze en meent nog steeds dat hij correct heeft gehandeld omdat hij, vanuit de Bijbel, de opdracht heeft om tegen anderen van zijn geloof te getuigen en daarmee pas op te houden als die anderen aangeven daarvan niet gediend te zijn. Daarmee legt [verwerende partij] de grens nog steeds verder dan waar die volgens de instructie van het Flevoziekenhuis ligt. [verwerende partij] heeft immers ook in deze procedure nog aangegeven, dat hij zich wel wil conformeren aan de richtlijnen van het Flevoziekenhuis, maar alleen voor zover deze eenduidig, bruikbaar en legitiem zijn. Ook uit het voorstel van [verwerende partij] voor mediation kan niet anders worden opgemaakt dan dat [verwerende partij] nog steeds vindt dat hij patiënten vanuit zijn christelijke opvattingen mag benaderen en de grens ligt waar deze een gesprek over het geloof weigeren. De vrees van het Flevoziekenhuis dat [verwerende partij] zich ook in de toekomst niet aan haar instructie zal (kunnen) houden en die instructie wederom zal overtreden, acht de kantonrechter daarom reëel. Geoordeeld moet dan ook worden dat het Flevoziekenhuis op goede gronden heeft gesteld dat sprake is van een breuk in haar vertrouwen in [verwerende partij]. Die vertrouwensbreuk leidt ertoe dat de arbeidsovereenkomst van [verwerende partij] moet worden ontbonden. Het gewicht dat het Flevoziekenhuis toekent aan de bescherming van de belangen en het welbevinden van haar patiënten rechtvaardigt dit ingrijpende gevolg.

16.

De vraag is of aan die ontbinding een vergoeding voor [verwerende partij] moet worden verbonden.

Voor het antwoord op die vraag moeten alle omstandigheden van het geval worden meegewogen.

17.

Allereerst is daarbij van belang dat de reden voor de ontbinding geheel in de risicosfeer van [verwerende partij] ligt.

Voorts weegt mee dat het Flevoziekenhuis ter zake geen verwijt kan worden gemaakt. Het Flevoziekenhuis heeft [verwerende partij] eerst een officiële waarschuwing gegeven, hem er daarbij op gewezen dat een volgende keer ontslag tot gevolg kan hebben, coaching verzorgd, bij een volgend incident [verwerende partij] nog een kans gegund, nogmaals de instructie met hem besproken en hem gewaarschuwd voor de gevolgen van herhaling. Evenmin treft het Flevoziekenhuis een verwijt ter zake de non-actiefstelling/schorsing van [verwerende partij]. Duidelijk is immers dat het Flevoziekenhuis voor vreesde voor herhaling van overtreding van haar instructie door [verwerende partij], met alle risico’s van dien en dat zij tijd nodig had om zich te beraden op de door haar te nemen stappen. Dat levert een voldoende zwaarwichtig belang op voor het Flevoziekenhuis om [verwerende partij] op non-actief te stellen of te schorsen. Geoordeeld moet voorts worden dat het Flevoziekenhuis, met het oog op de door haar ingezette procedure tot beëindiging van de dienstbetrekking van [verwerende partij] en haar doelstelling de belangen van de patiënten te waarborgen, de schorsing/op non-actiefstelling van [verwerende partij] in redelijkheid ook heeft kunnen handhaven.

Dat het Flevoziekenhuis niet heeft willen meewerken aan mediation tenslotte, acht de kantonrechter begrijpelijk en evenmin verwijtbaar. Flevoziekenhuis had immers al verschillende keren en zonder resultaat met [verwerende partij] afspraken gemaakt over de door hem in acht te nemen terughoudendheid tegenover patiënten wat betreft zijn geloofsopvattingen. In de relatie tussen Flevoziekenhuis en [verwerende partij], ligt het gezag bij Flevoziekenhuis en is [verwerende partij] de ondergeschikte. Wat betreft zaken die zijn geloof aangaan, accepteert [verwerende partij] het gezag van Flevoziekenhuis echter niet. Dat volgt ook uit zijn voorstel tot mediation. Dat voorstel komt er immers op neer te bewerkstelligen dat het Flevoziekenhuis alsnog de opvattingen van [verwerende partij] wat betreft de door hem in acht te nemen grens aanvaardt.

Aan de andere kant staat vast dat [verwerende partij], met uitzondering van de incidenten die in deze zaak aan de orde zijn, altijd naar tevredenheid van Flevoziekenhuis heeft gewerkt en op zijn vakinhoudelijke functioneren niets valt aan te merken. Als laatste heeft de kantonrechter meegewogen dat [verwerende partij] inmiddels [X] jaar oud is en daarom verwacht moet worden dat [verwerende partij] niet zo makkelijk weer een nieuwe baan op vergelijkbare condities als zijn huidige baan zal vinden. Alles afwegend is de kantonrechter van oordeel dat het billijk is aan de ontbinding een door het Flevoziekenhuis te betalen vergoeding te verbinden op basis van de factor C= 0,2 derhalve van € 8.140,00.

Niet aannemelijk is geworden dat het Flevoziekenhuis de eer en goede naam van [verwerende partij] heeft geschonden, zoals ook niet aannemelijk is geworden dat [verwerende partij] zich op de door Flevoziekenhuis gestelde wijze heeft uitgelaten over zijn leidinggevende. Wat betreft de door het Flevoziekenhuis gestelde schending van de geheimhouding door [verwerende partij], overweegt de kantonrechter dat [verwerende partij] geen verwijt treft. Flevoziekenhuis heeft in deze procedure meer gegevens naar buiten gebracht dan [verwerende partij] heeft gedaan, zonder dat een noodzaak daarvoor is gebleken en heeft niet verzocht deze gegevens in de beschikking te anonimiseren.

18.

De kantonrechter heeft zich ervan overtuigd dat het verzoek van het Flevoziekenhuis geen verband houdt met een wettelijk opzegverbod.

19.

Overeenkomstig het daaromtrent in de wet bepaalde zal het Flevoziekenhuis in de gelegenheid worden gesteld haar verzoek in trekken nu aan de ontbinding van de arbeidsovereenkomst, anders dan zij heeft verzocht, een door haar aan [verwerende partij] te betalen vergoeding zal worden verbonden.

20.

De door [verwerende partij] verzochte betaling van onregelmatigheidstoeslag kan in deze procedure niet worden gevorderd. [verwerende partij] is daarom in dat verzoek niet ontvankelijk.

21.

Er is aanleiding over de proceskosten te beslissen zoals hierna is aangegeven. Opgemerkt wordt dat ook indien Flevoziekenhuis haar verzoek intrekt, de door [verwerende partij] verzochte vergoeding van kosten voor rechtbijstand niet toewijsbaar is omdat bij de proceskosten, zoals gebruikelijk is, uitgegaan wordt van een forfaitair tarief.

De beslissing

De kantonrechter:

- stelt partijen in kennis van het voornemen de tussen hen bestaande arbeidsovereenkomst te ontbinden per 4 juli 2007 onder toekenning aan [verwerende partij] ten laste van Flevoziekenhuis van een vergoeding van € 8.140,00 bruto;

- stelt Flevoziekenhuis in de gelegenheid het verzoek in te trekken uiterlijk op 3 juli 2007 door middel van een schriftelijke verklaring ter griffie van de sector kanton, onder onverwijlde mededeling daarvan aan de wederpartij;

voor het geval Flevoziekenhuis het verzoek niet intrekt:

- ontbindt de tussen partijen bestaande arbeidsovereenkomst en bepaalt dat deze eindigt op 4 juli 2007 onder toekenning aan [verwerende partij] ten laste van Flevoziekenhuis van een vergoeding van € 8.140,00 bruto en veroordeelt Flevoziekenhuis tot betaling van dat bedrag aan [verwerende partij] tegen bewijs van kwijting;

- compenseert de kosten van het geding in die zin dat iedere partij de eigen kosten draagt;

voor het geval Flevoziekenhuis het verzoek intrekt:

- veroordeelt Flevoziekenhuis in de kosten van deze procedure, tot op heden aan de zijde van [verwerende partij] vastgesteld op € 400,00 voor salaris gemachtigde.

Aldus gegeven door mr. E.T.M. Schoevaars, kantonrechter, en uitgesproken in de openbare terechtzitting van 27 juni 2007, in tegenwoordigheid van de griffier.