Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBZLY:2007:BA8254

Instantie
Rechtbank Zwolle-Lelystad
Datum uitspraak
24-04-2007
Datum publicatie
28-06-2007
Zaaknummer
349603 HA 07-71
Rechtsgebieden
Civiel recht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - enkelvoudig
Inhoudsindicatie

kantonzaak, arbeidsrecht. Ontbinding voor zover vereist wegens onherstelbare vertrouwensbreuk nu werknemer na waarschuwing voor de tweede keer probleem heeft met verantwoording van beheerde gelden.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl

Uitspraak

RECHTBANK ZWOLLE – LELYSTAD

sector kanton – locatie Zwolle

zaaknr. : 349603 HA VERZ 07-71

datum : 24 april 2007

Beschikking op een verzoek tot ontbinding van de arbeidsovereenkomst

in de zaak van:

de stichting STICHTING PHILADELPHIA ZORG,

gevestigd en kantoorhoudende te Nunspeet,

verzoekende partij, verder te noemen: “Philadelphia”,

gemachtigde mw. mr. A.E.G. IJff, bedrijfsjurist bij Philadelphia,

tegen

[VERWERENDE PARTIJ],

wonende te [woonplaats],

verwerende partij, verder te noemen: “[verwerende partij]”,

gemachtigde mr. M.J. Jansma, advocaat te Zwolle,

toegevoegd d.d. 10 april 2007 onder nummer 2CY5780.

De procedure

De kantonrechter heeft kennis genomen van:

- het verzoekschrift d.d. 26 februari 2007 met aangehechte producties,

- het verweerschrift d.d. 16 maart 2007 met aangehechte producties en

- de bij faxbrief van 6 april 2007 nader door Philadelphia ingezonden producties.

De mondelinge behandeling is gehouden op 10 april 2007.

Verschenen zijn:

- namens Philadelphia de heer [C], locatiemanager, en mevrouw [D], teamcoördinator, beiden vergezeld door mw. mr. IJff voormeld,

- [verwerende partij], vergezeld door mr. Jansma voormeld.

Het geschil

Philadelphia heeft verzocht om ontbinding van de arbeidsovereenkomst met [verwerende partij] wegens gewichtige redenen, voor het geval deze arbeidsovereenkomst nog mocht blijken te bestaan.

[verwerende partij] heeft zich verzet tegen een ontbinding op grond van een dringende reden doch harerzijds verzocht de arbeidsovereenkomst te ontbinden op grond van een verandering in de omstandigheden, onder toekenning aan haar van een vergoeding naar billijkheid ad € 50.119,66 bruto.

De vaststaande feiten

Tussen partijen staat als gesteld en erkend dan wel niet (voldoende) betwist, mede op grond van de overgelegde en in zoverre niet bestreden bescheiden, het volgende vast.

a. Philadelphia is een organisatie die begeleiding, zorg en ondersteuning biedt aan cliënten met een handicap en aan anderen die zorg behoeven.

b. [verwerende partij], geboren op [datum], is per [datum] bij Philadelphia in dienst getreden. Zij is laatstelijk bij Philadelphia werkzaam geweest als “zorgkundige/coach”. Het laatst door haar verdiende salaris bedraagt € 1.395,00 bruto per maand exclusief vakantietoeslag en andere emolumenten op basis van een aanstelling van 21,6 uur per week.

c. De functie van “zorgkundige/coach” houdt in het begeleiden, ondersteunen en verzorgen van cliënten met een verstandelijke / meervoudige beperking, waarbij de “zorgkundige/coach” voor de cliënt het eerste aanspreekpunt en eerstverantwoordelijke is voor de (uitvoering van de) zorgverlening.

d. [verwerende partij] werkt ten behoeve van vier cliënten die wonen aan [adres] te [gemeente] die samen gemiddeld 30 uur per week zorg krijgen. Die zorg bestaat uit het ondersteunen en begeleiden van die cliënten zodanig dat zij zo zelfstandig mogelijk wonen en leven. Het verzorgen van de financiële administratie van deze cliënten en van hun samenleving maakt deel uit van deze zorg. Uit hoofde van haar functie en de daaruit te leveren zorg is [verwerende partij] gemachtigd om te beschikken over geldelijke tegoeden van cliënten, waaronder mw. [A] en mw. [B].

e. In december 2004 / januari 2005 is vastgesteld dat van de bankrekeningen van mw. [A] en mw. [B] gelden zijn opgenomen, welke opnames niet in de kasboeken zijn verwerkt. Het gaat om een bedrag van in totaal € 600,00 van de rekening van mw. [A] en € 2.750,00 van de rekening van mw. [B]. Een aangifte van verduistering bij de politie heeft niet tot een helderheid geleid.

f. Bij brief van 9 februari 2005 is [verwerende partij] in verband met de vermissing van de gelden van de cliënten [A] en [B] berispt. In de brief is daarover, voor zover relevant, verwoord: “(..) Inmiddels is duidelijk geworden dat jij als coach in dit verhaal onvoldoende alert bent geweest. Tijdens de periodieke controles had jij deze misstanden gelijk moeten opmerken en terstond bij mij melden. Ook bij de informatie verstrekking naar de familie ben je tekort geschoten. Zonder inzage in de bankafschriften valt er tenslotte niets te controleren. Verder is het geld zoek wat jij in twee termijnen in [gemeente] gepind hebt. Volgens jou heb jij deze transacties vergeten in te boeken maar dan had er nu een kasoverschot moeten zijn. Zoals je weet is dit niet het geval en had/heb jij hiervoor geen verklaring. Ook voor de overige niet ingeboekte transacties heb jij geen verklaring. Ik neem je bovengenoemde zaken zeer kwalijk en heb je daarvoor een berisping gegeven. (..)” Philadelphia heeft daarop aan [verwerende partij] aangegeven dat [verwerende partij] zich geen onduidelijkheden in de boekhouding van de cliënten meer kan veroorloven, dat [verwerende partij] onduidelijkheden onmiddellijk moet melden en dat in geval van herhaling er consequenties zouden zijn voor haar dienstverband.

g. Philadelphia heeft de cliënten [A] en [B] schadeloos gesteld voor de verdwenen bedragen.

h. Eind oktober 2006 is op klacht van Philadelphia’s cliënte [A] opnieuw onderzoek ingesteld naar de (kas)administratie van haar bankrekening. Na dat onderzoek heeft Philadelphia op 8 november 2006 aan [verwerende partij] een verklaring gevraagd voor de volgende onduidelijkheden in de financiële administratie van mw. [A]: a) een kasboeking die niet terug te vinden is op een bankafschrift, b) het veel later inboeken en in de kas storten van pinopnamen, c) een niet ingeboekte pinopname, d) ontbrekende bankafschriften en e) geen sluitend saldo in het kasboek. [verwerende partij] heeft op 8 november 2006 geen verklaring kunnen geven waarna is afgesproken dat zij een en ander zou uitzoeken en dat partijen daarover op 10 november 2006 verder zouden spreken.

i. Op 10 november 2006 heeft [verwerende partij] over alle punten een verklaring gegeven, onder meer inhoudende dat cliënte een aantal malen onjuist heeft gepind waardoor de pinpas onbruikbaar geworden was, dat [verwerende partij] haar eigen geld aan cliënte heeft gegeven, waarna zij is vergeten een en ander in te boeken en te corrigeren en dat cliënte de bankafschriften al aan familie had gegeven. Deze verklaring is niet door Philadelphia, bij monde van haar locatiemanager [C], geaccepteerd, waarna [verwerende partij] is meegedeeld dat Philadelphia het dienstverband niet meer wilde voortzetten en dat [verwerende partij] de gelegenheid kreeg om de eer aan zichzelf te houden door zelf ontslag te nemen.

j. [verwerende partij] heeft daarop in het gesprek van 10 november 2006 aan Philadelphia meegedeeld zelf ontslag te nemen, welk ontslag [verwerende partij] gelijk schriftelijk heeft bevestigd: “Hierbij neem ik ontslag met onmiddellijke ingang: dit om persoonlijke reden, welke is besproken in een persoonlijk gesprek met de heer [C].” [verwerende partij] heeft haar ontslagname zelf op 12 november 2006 aan de cliënten en hun familie en aan haar collega’s meegedeeld.

k. Philadelphia heeft bij brief van 22 november 2006 aan [verwerende partij] het gesprek van 10 november 2006 bevestigd. In die brief is onder meer meegedeeld dat de door haar gegeven verklaring voor de gevonden onduidelijkheden in de financiële administratie onvoldoende is en dat daardoor, tezamen met de eerdere berisping, het vertrouwen in haar is verdwenen, dat aan [verwerende partij] de keus is gelaten om ontslag te krijgen of te nemen en dat zij heeft gekozen voor een ontslagname.

l. Bij brief van 8 januari 2007 aan Philadelphia heeft [verwerende partij] via haar gemachtigde gesteld dat haar mededeling van 10 november 2006 niet mag worden opgevat als een opzegging omdat zij tijdens een onaangekondigd gesprek met haar leidinggevende valselijk is beschuldigd van diefstal, dat zij onder druk is gezet om te kiezen tussen ontslagen te worden of ontslag te nemen en dat zij er niet van op de hoogte was dat zij door een opzegging geen aanspraak meer kon maken op een WW-uitkering. [verwerende partij] heeft zich vervolgens beschikbaar gesteld voor haar arbeid en aanspraak gemaakt op doorbetaling van loon.

Het verzoek en het daartegen gevoerde verweer

Philadelphia heeft aan haar voorwaardelijk verzoek ten grondslag gelegd dat in november 2006 is gebleken dat [verwerende partij] opnieuw ernstig nalatig is geweest in het beheer en de controle van de boekhouding van de aan haar toevertrouwde cliënten, nadat zij al in februari 2005 is berispt voor haar rol in een eerdere vermissing van cliëntgelden. Daarmee is volgens Philadelphia sprake van een dringende reden die ertoe leidt dat redelijkerwijs niet van Philadelphia kan worden gevergd het dienstverband te laten voortduren. Voor zover voormelde omstandigheden geen dringende reden opleveren, is er in ieder geval sprake van veranderingen in de omstandigheden die van dien aard zijn dat de arbeidsovereenkomst met [verwerende partij] op een zo kort mogelijke termijn dient te eindigen. Nu zich opnieuw de situatie voordoet dat [verwerende partij] vermiste cliëntgelden niet kan verantwoorden en de door haar daarvoor aangevoerde verklaring ontoereikend is, is het vertrouwen in [verwerende partij] volledig verdwenen en is de verdere samenwerking met collega’s volledig onmogelijk geworden. Nu de oorzaak voor de ontbinding van de arbeidsovereenkomst, voor zover deze nog mocht blijken te bestaan, geheel in de risicosfeer van [verwerende partij] ligt, is er geen reden voor een vergoeding naar billijkheid, aldus Philadelphia.

[verwerende partij] heeft het verzoek bestreden en daartoe aangevoerd dat zij zowel in februari 2005 als in november 2006 valselijk is beschuldigd van diefstal. Op 8 november 2006 zijn haar een aantal vragen voorgelegd over de financiële administratie van een cliënte die zij op 10 november 2006 heeft kunnen beantwoorden. Ondanks de weerlegging van de gestelde onduidelijkheden, is zij vervolgens op 10 november 2006 onder druk gezet om zelf ontslag te nemen, wat zij in een vlaag van verstandsverbijstering en overrompeld door de insinuaties ook heeft gedaan. Inmiddels heeft zij over die geforceerde ontslagname een bodemprocedure aangespannen. Er is geen grond voor ontbinding van de arbeidsovereenkomst wegens een dringende reden. Niet alleen zijn de verwijten onjuist doch inmiddels ook al deels afgedaan met de berisping van februari 2005. Een herhaaldelijk maken van administratieve fouten en het niet stipt houden aan gegeven instructies geeft ook geen grond voor een dringende reden. Met Philadelphia is [verwerende partij] het wel eens dat er sprake is van een verandering van omstandigheden. Er is immers over en weer geen vertrouwen meer. Philadelphia blijft insinueren dat [verwerende partij] diefstal heeft gepleegd terwijl daarvoor geen bewijs is. Deze ontbinding ligt dan ook in de risicosfeer van Philadelphia. Er is dan alleszins aanleiding voor een vergoeding naar billijkheid. Uitgaande van de kantonrechterformule onder toepassing van factor A op 22, factor B op € 1.822,53 en C op 1,25 moet een vergoeding van € 50.119,56 bruto billijk worden geacht, aldus [verwerende partij].

De beoordeling

1.

De kantonrechter heeft zich op basis van de door partijen gegeven informatie ervan vergewist dat het verzoek geen verband houdt met enig verbod tot opzegging van de arbeidsovereenkomst.

2.

De kantonrechter heeft te beantwoorden de vraag of, het debat van partijen weggedacht of [verwerende partij] kan worden gehouden aan haar ontslagname per 10 november 2006, zich voordoet een gewichtige reden bestaande uit omstandigheden die een (uitgestelde) dringende reden als bedoeld in artikel 7:677 BW zouden hebben opgeleverd dan wel dat die veranderingen in de omstandigheden opleveren, die van dien aard zijn dat het dienstverband billijkheidshalve op korte termijn behoort te eindigen.

3.

Het beroep van Philadelphia op het bestaan van een (uitgestelde) dringende reden kan in het midden blijven.

Daarvoor is allereerst redengevend dat [verwerende partij] de aan haar adres gemaakte verwijten (deels) heeft bestreden, zodat niet kan worden uitgesloten dat nadere bewijslevering in de rede ligt, waarvoor in deze procedure in beginsel geen plaats is en waarvan de uitkomst voor [verwerende partij] (in enige mate) positief kan blijken te zijn.

Voorts moet worden ingeschat dat ook bij een negatieve uitkomst van voormelde bewijslevering, hoewel [verwerende partij] op aantal punten de schijn tegen heeft van een grotere rol bij de (herhaalde) vermissing van cliëntgelden, vooralsnog tot niet meer kan worden geconcludeerd dan dat [verwerende partij] herhaaldelijk serieuze administratieve fouten heeft gemaakt en haar (controle)taken ernstig heeft verzuimd. Betwijfeld moet worden of deze verwijten voldoende grond opleveren voor een dringende reden.

Tot slot moet worden vastgesteld dat het vertrouwen tussen Philadelphia en [verwerende partij] die noodzakelijk is voor een samenwerking blijvend is komen te ontbreken en dat [verwerende partij] daarenboven niet langer bereid is om in de toekomst arbeid voor Philadelphia te verrichten. Er is hoe dan ook sprake van een verandering van omstandigheden die een ontbinding van de arbeidsovereenkomst op korte termijn rechtvaardigt.

4.

Wat betreft de vraag of er redenen zijn om aan [verwerende partij] een vergoeding toe te kennen, wordt het navolgende overwogen.

5.

Wat betreft het begin 2005 aan het adres van [verwerende partij] gemaakte verwijt van onvoldoende zorg voor de financiële administratie van de door Philadelphia aan haar toevertrouwde cliënten [A] en [B], geldt dat [verwerende partij] daarvoor al bij brief van 9 februari 2005 is berispt. Nu dat verwijt en de daarvoor gegeven berisping door [verwerende partij] tot deze procedure onweersproken zijn gelaten, ziet de kantonrechter geen aanleiding om die thans te beoordelen. De kantonrechter neemt dan ook tot uitgangspunt de in de brief van 9 februari 2005 neergelegde grieven dat [verwerende partij] onvoldoende alert is geweest doordat zij bij periodieke controles de vermissing had moeten opmerken, dat zij tekort is geschoten in de informatieverstrekking aan de familieleden van de cliënten doordat bankafschriften ontbraken, dat zij ten onrechte twee pinopnames niet in het kasboek heeft geboekt en voor de besteding van die opnames geen verklaring heeft kunnen geven en dat er overigens niet ingeboekte transacties zijn die niet door haar verklaard zijn.

6.

Anders dan [verwerende partij] aanvoert, kon de kwestie van begin 2005 met de door Philadelphia schriftelijke gegeven reprimande van 9 februari 2005 niet al als afgedaan worden beschouwd. Te billijken is immers dat met deze kwestie het vertrouwen van Philadelphia in [verwerende partij] onder druk is komen te staan en dat bij Philadelphia een zekere vrees voor verdere financiële onregelmatigheden en/of wanordelijkheden was ontstaan. Die druk op het vertrouwen en die vrees voor de toekomst zijn dan ook alleszins redelijke argumenten voor de vervolgens door Philadelphia aan [verwerende partij] gegeven waarschuwing dat een herhaling van dergelijke onjuistheden gevolgen zou hebben voor het dienstverband van [verwerende partij].

7.

Naar het oordeel van de kantonrechter is, anders dan [verwerende partij] betoogt, in voldoende mate aannemelijk geworden dat zij in november 2006 opnieuw de financiële administratie van en het financiële beheer voor Philadelphia’s cliënte [A] niet op orde had.

a. In de eerste plaats geldt dat [verwerende partij] heeft erkend dat zij voor haar vakantie ten behoeve van [A] een bedrag van € 150,00 heeft gepind en dat zij dat bedrag niet heeft ingeboekt. Over dat bedrag heeft zij voorts gesteld dat zij dat in het voor [A] bestemde postvak heeft gelegd, wat evenmin als zorgvuldig kan worden betiteld, te minder nu Philadelphia omstandig heeft betoogd dat er op geen moment geld in het postvak van [A] is aangetroffen. Daarmee is ook niet geloofwaardig de stelling van [verwerende partij] dat zij na terugkeer van haar vakantie het gepinde geld wel in het postvak van [A] heeft teruggevonden. Een en ander laat overigens onverlet dat die opname niet (tijdig) door [verwerende partij] in de financiële administratie van [A] is verwerkt.

b. Voorts heeft [verwerende partij] erkend dat er bankafschriften ontbraken, waarover zij heeft aangevoerd dat zij één bankafschrift aan een familielid heeft meegegeven. [verwerende partij] heeft niet bestreden dat zij zulk meegeven had moeten noteren en van het mee te geven bankafschrift zo mogelijk een fotokopie had moeten maken. Vast staat dat [verwerende partij] het een noch het ander heeft gedaan.

c. Daarnaast heeft [verwerende partij] erkend dat zij bij een kasafsluiting tot een incorrect saldo is gekomen. Dat zulks berust op een optelfout, maakt dat niet anders, te minder nu zo’n fout bij een hele simpele vergelijking van kasinkomsten minus uitgaven met het feitelijk aanwezige kasgeld geconstateerd had kunnen worden. Dat [verwerende partij] met zulke fouten het al onder druk staande vertrouwen in haar geen goed heeft gedaan, staat buiten discussie.

d. Opmerkelijk is het betoog van [verwerende partij] over een aanvulling van de huishoudkas van de woning aan de [adres] van 30 juni 2006 met een bedrag van € 150,00, zoals opgenomen in het kasboek. In eerste instantie heeft [verwerende partij] de stelling betrokken dat er sprake was van een kasaanvulling van € 100,00, dat dit haar eigen geld betrof omdat er onvoldoende saldo op de gezamenlijke huishoudrekening stond, dat zij dat geld in verband met de te kopen boodschappen heeft voorgeschoten en dat zij vergeten is om dat voorschot te noteren en het voorgeschoten geld terug te nemen. Dat betoog is al niet te verifiëren nu die handelwijze niet is vastgelegd, wat [verwerende partij] op zich al verweten mag worden. Zij laat daarbij onverklaard dat het feitelijk ging om een bedrag van € 150,00 en dat de boodschappen die dag blijkens het kasboek slechts € 77,70 hebben bedragen. Het is voorts nauwelijks voorstelbaar dat [verwerende partij] met haar inkomen een dergelijk voorgeschoten bedrag zou zijn vergeten. Overigens is niet vastgesteld kunnen worden of, en zo ja wanneer, [verwerende partij] dat naar haar zeggen voorgeschoten bedrag van de gezamenlijke bankrekening van de bewoners van de Scheldelaan heeft teruggenomen. Met een en ander heeft [verwerende partij] hoe dan ook haar positie verder ondergraven.

e. Tot slot geldt dat [verwerende partij] stelt dat zij in juli 2006 niet heeft genoteerd dat zij een bedrag van € 50,00 van (kennelijk) de gezamenlijke rekening van de bewoners van de Scheldelaan heeft gepind en dat bedrag aan [A] heeft gegeven omdat [A] zelf driemaal een foute pincode had ingetoetst bij haar eigen bankrekening. Uit de overgelegde bankafschriften blijkt dit echter niet. Dit blijkt evenmin uit het kasboek. Onduidelijk is gebleven of ([verwerende partij] voor) [A] de gezamenlijke rekening weer heeft gecompenseerd voor die privé-opname. Ook in dit geval kan de handelwijze van [verwerende partij] de toets der kritiek niet doorstaan.

8.

Anders dan [verwerende partij] kennelijk stelt, kunnen deze onvolkomenheden niet als marginaal of als ondergeschikt en daarmee als niet voldoende relevant worden afgedaan. Het gegeven dat [verwerende partij] in de eerste plaats een “zorgkundige/coach” is met een verpleegkundigen-opleiding en niet een administratief medewerker, doet daar evenmin iets aan af. Vast staat immers dat de financiële en administratieve taken tot die functie van [verwerende partij] behoorden. Gesteld noch gebleken is dat [verwerende partij] ooit, bijvoorbeeld na de berisping van 9 februari 2005, bij Philadelphia aan de orde heeft gesteld dat de dienaangaande aan haar gestelde eisen / verantwoordelijkheden onduidelijk waren dan wel dat zij ondersteuning, begeleiding en/of een verdere opleiding nodig achtte. Evenmin is gebleken dat [verwerende partij] ooit bij Philadelphia heeft gemeld dat de door haar beleefde werkdruk aan een juiste en volledige nakoming van bedoelde - overigens eenvoudige en overzichtelijke - financieel-administratieve verplichtingen in de weg stonden, zoals zij ter zitting heeft aangevoerd. Deze argumenten van [verwerende partij] moeten dan ook als gezocht worden aangemerkt.

9.

Met de bovenstaande onregelmatigheden en onduidelijkheden, waarbij in het bijzonder de punten 7. a. en d. de schijn wekken van door [verwerende partij] gepleegde onrechtmatigheden, en de in februari 2005 voor soortgelijke onjuistheden gegeven berisping en de daaraan verbonden waarschuwing is te begrijpen dat [verwerende partij] door Philadelphia, en met name door haar directe collega’s en de cliënten, niet meer wordt vertrouwd.

10.

Philadelphia stond dan ook volledig in haar recht om een en ander bij [verwerende partij] aan de orde te stellen, aan haar daarvoor een verklaring te vragen en op basis van die - naar ook het oordeel van de kantonrechter tekortschietende - verklaring haar vertrouwen in [verwerende partij] op te zeggen. Anders dan [verwerende partij] betoogt, is haar voldoende gelegenheid geboden om zich te verklaren. Evenmin is juist het verwijt van [verwerende partij] dat Philadelphia haar in feite vanaf februari 2005 is blijven verdenken en beschuldigen van diefstal en dat zij in november 2006 al door Philadelphia was veroordeeld zonder dat haar om een verklaring was gevraagd.

11.

Het moet dan ook aan [verwerende partij] worden geweten dat het voortduren van het dienstverband geen serieus te nemen mogelijkheid meer is. Daarmee ligt in het bovenstaande evenmin een aanleiding voor een vergoeding aan [verwerende partij] ten laste van Philadelphia.

12.

Anders dan Philadelphia betoogt, is er naar het oordeel van de kantonrechter echter wel grond voor een vergoeding voor [verwerende partij], indien de arbeidsovereenkomst door deze ontbinding zou eindigen. Indien dat het geval zou zijn, moet immers geoordeeld worden dat Philadelphia [verwerende partij] op 10 november 2006 ten onrechte tot een ontslagname heeft bewogen en dat zij [verwerende partij] daar nadien aan heeft willen houden. Gelet daarop en gezien de duur van het dienstverband en [verwerende partij] leeftijd is het, ondanks het bovenstaande, waarmee ook uitdrukkelijk rekening wordt gehouden, niet redelijk dat [verwerende partij] in een dergelijke situatie zonder enige vergoeding ontslagen zou worden.

13.

Er zal dan ook een vergoeding worden bepaald conform de kantonrechtersformule met, gelet op het aan [verwerende partij] te maken verwijt althans op de voor haar rekening komende feitelijkheden, als correctiefactor 0,1. Daarbij zal voor factor B worden uitgegaan van een bedrag van € 1.571,73. Factor A wordt na weging van [verwerende partij] leeftijd op 22 gesteld. Dit betekent in dit geval een vergoeding van afgerond € 3.500,00 bruto.

14.

Voor een goed begrip van partijen wordt nog opgemerkt dat eerst in een eventuele bodemprocedure vastgesteld zal kunnen worden of Philadelphia [verwerende partij] op goede gronden aan haar ontslagname kan houden. Dit brengt mee dat de in deze procedure vastgestelde vergoeding eerst verschuldigd zal worden indien (onherroepelijk) in rechte komt vast te staan dat het dienstverband na 10 november 2006 nog heeft voortgeduurd.

15.

Bovenstaande beslissing brengt mee dat Philadelphia in overeenstemming met het bepaalde in het negende lid van artikel 7:685 BW de gelegenheid krijgt het verzoek in te trekken.

16.

Voor het geval het verzoek tot ontbinding niet wordt ingetrokken, wordt in de omstandigheden van het geval aanleiding gevonden voor compensatie van de proceskosten op na te melden wijze.

De beslissing

De kantonrechter:

- stelt partijen in kennis van zijn voornemen de tussen hen bestaande arbeidsovereenkomst, voor zover deze nog mocht blijken te bestaan, te ontbinden per 7 mei 2007 onder toekenning, voor het geval de arbeidsovereenkomst door deze ontbinding eindigt, aan [verwerende partij] ten laste van Philadelphia van een vergoeding van € 3.500,00 bruto;

- stelt Philadelphia in de gelegenheid het verzoek in te trekken uiterlijk op 4 mei 2007 door middel van een schriftelijke verklaring ter griffie van de sector kanton, onder onverwijlde mededeling daarvan aan de wederpartij;

voor het geval Philadelphia het verzoek niet intrekt:

- ontbindt de tussen partijen bestaande arbeidsovereenkomst, voor zover deze nog mocht blijken te bestaan, en bepaalt dat deze eindigt op 7 mei 2007 onder toekenning, voor het geval de arbeidsovereenkomst door deze ontbinding eindigt, aan [verwerende partij] ten laste van Philadelphia van een vergoeding van € 3.500,00 bruto en veroordeelt Philadelphia tot betaling van dat bedrag aan [verwerende partij] tegen bewijs van kwijting;

- compenseert de kosten van het geding in die zin dat iedere partij de eigen kosten draagt;

voor het geval Philadelphia het verzoek intrekt:

- veroordeelt Philadelphia in de kosten van deze procedure, tot op heden aan de zijde van [verwerende partij] vastgesteld op € 400,00 voor salaris gemachtigde, welk bedrag Philadelphia op de voet van artikel 243 van het Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering heeft te betalen aan de griffier van de sector kanton te Zwolle, over te maken op de rekening met het nummer 1923.25.930 ten name van MvJ Arrondissement Zwolle, Postbus 10067, 8000 GB Zwolle, onder vermelding van bovenstaand kenmerk.

Aldus gegeven door mr. W.F. Boele, kantonrechter, en uitgesproken in de openbare terechtzitting van 24 april 2007, in tegenwoordigheid van de griffier.