Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBZLY:2007:BA8243

Instantie
Rechtbank Zwolle-Lelystad
Datum uitspraak
19-06-2007
Datum publicatie
28-06-2007
Zaaknummer
316427 CV 06-1315
Rechtsgebieden
Civiel recht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - enkelvoudig
Inhoudsindicatie

kantonzaak, arbeidsrecht. ID-baan. Geen vereenzelviging van werkgevers (tussenvonnis). Vordering kennelijk onredelijk ontslag verjaard (eindvonnis).

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK ZWOLLE – LELYSTAD

sector kanton – locatie Deventer

zaaknr.: 316427 CV 06-1315

datum : 19 april 2007

Vonnis in de zaak van:

[EISENDE PARTIJ],

wonende te [woonplaats],

eisende partij, verder te noemen: “[eisende partij]”,

gemachtigde mw. mr. L.Th.M. den Teuling-Caarls, advocaat te Zutphen,

voorwaardelijk toegevoegd d.d. 24 november 2004 onder nr. 2CI1280,

tegen

de stichting STICHTING “HET GOED” vestiging Deventer, en

de besloten vennootschap HET GOED B.V. vestiging Deventer,

beiden statutair gevestigd te Deventer,

gedaagde partijen, verder te noemen: “de stichting Het Goed” respectievelijk “de vennootschap Het Goed”,

gemachtigde mw. mr. G. Aufderhaar, advocaat te Enschede.

Het verdere verloop van de procedure

Eerder is in deze zaak een tussenvonnis gewezen dat op 25 januari 2007 is uitgesproken. Ter uitvoering van dat tussenvonnis hebben beide partijen zich bij akte ter rolle d.d. 22 februari 2007 uitgelaten en daarbij nadere producties in het geding gebracht. Iedere partij heeft zich vervolgens uitgelaten over de akte van de andere partij op de rol van 22 maart 2007.

De verdere beoordeling

1.

Bij voormeld tussenvonnis is aan [eisende partij] opgedragen te bewijzen feiten en omstandigheden waaruit kan voortvloeien dat de faxbrief van 14 december 2004 én de brief van 25 mei 2005 op of omstreeks die data door de gemachtigde van de stichting Het Goed zijn ontvangen.

In het kader van dat aan [eisende partij] opgedragen bewijs, is van de stichting Het Goed verlangd dat zij de originelen van de door haar gemachtigde ontvangen faxbrieven van 14 december 2004 in het geding brengt.

2.

Ter uitvoering van die bewijsopdracht heeft [eisende partij] zeven nadere producties in het geding gebracht. Hij heeft niet om een verhoor van getuigen verzocht.

3.

De stichting Het Goed heeft zich in strijd met voormeld bevel beperkt tot het overleggen van kopieën van de door haar gemachtigde ontvangen faxbrieven van 14 december 2004 en aangeboden de originelen ter griffie te deponeren of ter comparitie te tonen. De door haar daarvoor gegeven rechtvaardiging, te weten dat zij de originelen niet toevertrouwt aan TNT-Post en dat zij vooralsnog geen mogelijkheid en/of gelegenheid heeft gezien om die originelen ter griffie te deponeren, levert naar het oordeel van de kantonrechter geen voldoende gewichtige reden op als bedoeld in artikel 22 Rv. Uit het uitblijven van de originelen kan de kantonrechter aldus de gevolgtrekking maken die hij geraden acht.

4.

De stichting Het Goed heeft aldus niet voldaan aan haar verplichting tot overlegging van de originelen. Voorts staat vast dat de gemachtigde van [eisende partij] op 14 december 2004 drie brieven aan de gemachtigde van de stichting Het Goed heeft toegefaxed waarin ten behoeve van in ieder geval twee andere ex-werknemers van de stichting Het Goed de stuiting van de verjaring van een vordering uit kennelijk onredelijk ontslag is ingeroepen. Tot slot geldt dat de toenmalige gemachtigde van de stichting Het Goed bij brief van 30 november 2005 aan de gemachtigde van [eisende partij] zonder voorbehoud en/of kanttekening de stuiting voor “alle drie de eisers”, daarbij [eisende partij] expliciet noemende, heeft erkend. Alles samengenomen overziende is de kantonrechter van oordeel dat in voldoende mate aannemelijk is geworden dat met de faxbrieven van 14 december 2004 ook de vordering van [eisende partij] is gestuit. In zoverre is hij in het aan hem opgedragen bewijs geslaagd.

5.

Wat betreft de door [eisende partij] te bewijzen ontvangst aan de zijde van (de gemachtigde van) de stichting Het Goed geldt dat hij alleen in het geding heeft gebracht de kopieën van de stuitingsbrieven van 25 mei 2005 en de briefjes van zijn gemachtigde d.d. 25 mei 2005 aan hem en de twee andere ex-werknemers van de stichting Het Goed waarmee afschriften van die stuitingsbrieven zijn toegezonden.

Zoals in de eerste alinea van r.o. 3.5 van het vonnis van 25 januari 2007 is overwogen, is voor een aanname dat de brief van 25 mei 2005 door de gemachtigde van de stichting Het Goed is ontvangen onvoldoende dat komt vast te staan dat die brief is verzonden. Met de overgelegde brieven kan wel die verzending aannemelijk worden gemaakt doch niet de ontvangst daarvan.

Anders dan met betrekking tot de faxbrief van 14 december 2004 is in de brief van de toenmalige gemachtigde van de stichting Het Goed van 30 november 2005 geen aanwijzing te vinden dat op of omstreeks 25 mei 2005 een nadere stuitingsverklaring ten behoeve van [eisende partij] is ontvangen. Over de brief van 25 mei 2005 wordt immers slechts in algemene zin gesproken zonder dat de ontvangst daarvan op of omstreeks 25 mei 2005 is erkend.

Een omstandigheid dat de stichting Het Goed niet al tijdens de kennelijk gevoerde schikkings-onderhandelingen zich heeft beroepen op het ontbreken van een (herhaalde) stuiting voor 14 juni 2005, levert evenmin steun op voor de door [eisende partij] te bewijzen stelling. In de aan die onderhandelingen voorafgegane brief van 30 november 2005 is immers wel aangevoerd dat de vordering van onder meer [eisende partij] was verjaard, zij het deels op andere gronden.

Aangezien [eisende partij] geen andere stukken, daaronder begrepen andere correspondentie tussen partijen, heeft overgelegd waaruit kan volgen dat (de gemachtigde van) de stichting Het Goed de te zijner behoeve uitgebrachte stuitingsverklaring d.d. 25 mei 2005 heeft ontvangen en [eisende partij] daarover evenmin getuigen heeft voorgebracht, is de door hem te bewijzen ontvangst van die stuitingsbrief naar het oordeel van de kantonrechter in onvoldoende mate aannemelijk geworden.

6.

Het bovenstaande leidt ertoe dat de vordering van [eisende partij] in de eerste verjaringstermijn van zes maanden, te rekenen vanaf 1 oktober 2004, bij faxbrief 14 december 2004 is gestuit, zodat zijn vordering zonder nadere stuiting zou verjaren per 15 juni 2005.

Zoals overwogen, is echter onvoldoende aannemelijk geworden dat (de gemachtigde van) de stichting Het Goed de ten behoeve van [eisende partij] uitgebrachte stuitingsverklaring, zoals vervat in de brief van 25 mei 2005 heeft ontvangen.

Nu gesteld noch gebleken is dat [eisende partij] voorafgaande aan 15 juni 2005 op andere wijze in de richting van (de gemachtigde van) de stichting Het Goed heeft laten merken dat hij zijn aanspraken wegens kennelijk onredelijke opzegging voorbehield, moet de slotsom zijn dat de vordering van [eisende partij] op stichting Het Goed per 15 juni 2005 is verjaard.

De omstandigheden dat [eisende partij] nadien bij aangetekende brief van 19 oktober 2005 zijn vordering nogmaals heeft doen stuiten en hij ter zake op 29 november 2005 (een nadien ingetrokken) dagvaarding heeft laten uitbrengen, kunnen dat niet anders maken.

7.

Tot slot stelt de kantonrechter vast dat [eisende partij] geen feiten en omstandigheden heeft gesteld en dat die evenmin anderszins gebleken zijn, waaruit kan voortvloeien dat het beroep van de stichting Het Goed op verjaring naar maatstaven van redelijkheid en billijkheid als onaanvaardbaar gepasseerd zou moeten worden

8.

De conclusie is dat de vordering van [eisende partij] tegen de stichting Het Goed moet worden afgewezen.

9.

Zoals in r.o. 2.4 van het vonnis van 25 januari 2007 is overwogen, zal [eisende partij] in zijn vordering tegen de vennootschap Het Goed niet ontvankelijk worden verklaard.

10.

[eisende partij] zal als de in het ongelijk gestelde partij in de aan de zijde van de stichting Het Goed gevallen proceskosten worden veroordeeld als nader in het dictum te melden. Op de voet van hetgeen in r.o. 2.5 van het vonnis van 25 januari 2007 is overwogen, is er, wat betreft proceskosten, geen grond voor een afzonderlijke veroordeling van [eisende partij] ten gunste van de vennootschap Het Goed.

De beslissing

De kantonrechter:

- verklaart [eisende partij] niet ontvankelijk in zijn vordering tegen de vennootschap Het Goed;

- wijst de vordering van [eisende partij] tegen de stichting Het Goed af;

- veroordeelt [eisende partij] in de kosten van het geding, tot op heden aan de zijde van de stichting Het Goed begroot op € 1.500,00 voor salaris gemachtigde en tot op heden aan de zijde van de vennootschap Het Goed begroot op nihil;

- verklaart deze proceskostenveroordeling uitvoerbaar bij voorraad.

Aldus gewezen door mr. W.F. Boele, kantonrechter, en uitgesproken in de openbare terechtzitting van 19 april 2007 in tegenwoordigheid van de griffier.

#################################################

RECHTBANK ZWOLLE – LELYSTAD

sector kanton – locatie Deventer

zaaknr.: 316427 CV 06-1315

datum : 25 januari 2007

Vonnis in de zaak van:

[EISENDE PARTIJ],

wonende te [woonplaats],

eisende partij, verder te noemen: “[eisende partij]”,

gemachtigde mw. mr. L.Th.M. den Teuling-Caarls, advocaat te Zutphen,

voorwaardelijk toegevoegd d.d. 24 november 2004 onder nr. 2CI1280,

tegen

de stichting STICHTING “HET GOED” vestiging Deventer, en

de besloten vennootschap HET GOED B.V. vestiging Deventer,

beiden statutair gevestigd te Deventer,

gedaagde partijen, verder te noemen: “de stichting Het Goed” respectievelijk “de vennootschap Het Goed”,

gemachtigde mw. mr. G. Aufderhaar, advocaat te Enschede.

De procedure

De kantonrechter heeft kennisgenomen van:

- de dagvaarding d.d. 11 april 2006,

- het antwoord van de stichting Het Goed en de vennootschap Het Goed,

- de repliek van [eisende partij] en

- de dupliek van de stichting Het Goed en de vennootschap Het Goed.

De zaak is vervolgens vergeefs bij het mediationbureau van de rechtbank ter mediation aangemeld, waarna - opnieuw - vonnis is bepaald.

Het geschil

De vordering van [eisende partij] strekt ertoe dat de kantonrechter bij vonnis, uitvoerbaar bij voorraad:

primair:

1. zal verklaren voor recht dat het door de stichting Het Goed aan [eisende partij] verleende ontslag kennelijk onredelijk is ex artikel 7:681 lid 1 BW;

2. de stichting Het Goed en de vennootschap Het Goed zal veroordelen tot herstel van de dienstbetrekking voor onbepaalde tijd met terugwerkende kracht tot 1 oktober 2004 op straffe van een dwangsom van € 1.000,00 voor iedere dag of gedeelte daarvan, onder het treffen van een voorziening voor de rechtsgevolgen van de onderbreking;

subsidiair:

1. zal verklaren voor recht dat het door de stichting Het Goed aan [eisende partij] verleende ontslag kennelijk onredelijk is ex artikel 7:681 lid 1 BW;

2. de stichting Het Goed en de vennootschap Het Goed zal veroordelen tot betaling van een schadevergoeding aan [eisende partij] op grond van artikel 7:681 lid 1 BW van een bedrag van € 47.256,10, te vermeerderen met de wettelijke rente vanaf 1 oktober 2004 althans vanaf de dag der dagvaarding;

meer subsidiair:

de stichting Het Goed en de vennootschap Het Goed zal veroordelen aan [eisende partij] te betalen de gefixeerde schadevergoeding ex artikel 7:680 jo 677 BW ad € 1.750,23;

primair, subsidiair en meer subsidiair:

de stichting Het Goed en de vennootschap Het Goed zal veroordelen in de proceskosten.

De stichting Het Goed en de vennootschap Het Goed hebben de vorderingen bestreden met conclusie dat [eisende partij] in zijn vorderingen niet ontvankelijk wordt verklaard althans deze vorderingen af te wijzen, met veroordeling bij vonnis, uitvoerbaar bij voorraad, van [eisende partij] in de proceskosten.

De vaststaande feiten

Tussen partijen staat als gesteld en erkend dan wel niet (voldoende) betwist, mede op grond van de overgelegde en in zoverre niet bestreden bescheiden, het volgende vast.

a. De stichting Het Goed is actief op het gebied van arbeidsreïntegratie via kringloop-bedrijvigheid. Zij beoogd op die wijze werk te creëren voor kansarmen op de arbeidsmarkt door middel van zogenaamde “in- en doorstroombanen” (ID-banen) in welk kader zij haar arbeids-krachten ter beschikking stelt aan de vennootschap Het Goed. De vennootschap Het Goed houdt zich bezig met de inzameling, hergebruik en verkoop van gebruikte goederen. Tussen de stichting Het Goed en de vennootschap Het Goed is een dienstverleningsovereenkomst gesloten.

b. [eisende partij] is als langdurig werkloze met ingang van 1 mei 1993 in dienst getreden bij de stichting “Deventer Werkt”, welke organisatie hem vervolgens bij de stichting Het Goed heeft gedetacheerd. Per 1 januari 1999 heeft de stichting Het Goed [eisende partij] in dienst genomen. Laatstelijk heeft [eisende partij] bij de stichting Het Goed de functie vervuld van 2e voorman tegen een salaris van € 1.620,58 bruto per maand exclusief vakantietoeslag.

c. Voor het loon van - onder meer - [eisende partij] ontving de stichting Het Goed van de gemeente Deventer een loonkostensubsidie alsmede een subsidie voor aanvullende arbeidskosten, zoals begeleiding, opleiding en organisatie- en bureaukosten.

d. Bij beschikking van 11 juli 2003 heeft de gemeente Deventer, zulks wegens gewijzigd landelijk subsidiebeleid omtrent ID-banen, ten aanzien van de per 1 januari 2003 bij de stichting Het Goed ingevulde ID-banen besloten onder meer dat 14 banen uiterlijk per 31 december 2003 dienen te vervallen en dat 13 banen vooralsnog tot 1 april 2004 behouden kunnen worden. Na daartegen door de stichting Het Goed gemaakt bezwaar heeft de gemeente Deventer de beschikking van 11 juli 2003 ingetrokken en in overleg met de stichting Het Goed besloten - samengevat - dat 2 banen regulier gemaakt kunnen worden. Voorts is voor 25 personen een sociaal plan opgesteld op grond waarvan aan hen een mobiliteitscontract is aangeboden, dat 15 personen dat contract hebben aangenomen, inhoudende een outplacementplaatsing bij Sallcon b.v. te Deventer en dat voor de 10 personen die geen gebruik wilden maken van het mobiliteitscontract de loonkostensubsidie per 1 juli 2004 wordt stopgezet.

e. [eisende partij] heeft het aanbod tot het aangaan van een mobiliteitscontract niet geaccepteerd.

f. Het CWI heeft op de aanvraag van de stichting Het Goed d.d. 26 mei 2004 op 6 augustus 2004 aan de stichting Het Goed toestemming verleend om de arbeidsverhouding met [eisende partij] op te zeggen. Daartoe heeft het CWI onder meer - samengevat - overwogen dat de stichting Het Goed in voldoende mate aannemelijk heeft gemaakt dat er een structureel van aard zijnde bedrijfseconomische noodzaak bestaat die noopt tot het treffen van maatregelen, dat de stichting Het Goed in voldoende mate heeft aangetoond dat de arbeidsplaats van [eisende partij] wegens bedrijfseconomische redenen dient te vervallen, dat de functies van de reguliere krachten niet wederkerig vergelijkbaar en gelijkwaardig zijn aan de functies die door de ID-baners worden verricht, dat de stichting Het Goed met het ontslag van [eisende partij] het anciënniteitsbeginsel heeft gehanteerd, dat voldoende aannemelijk is geworden dat er geen herplaatsingmogelijkheden voor [eisende partij] aanwezig zijn en dat herplaatsing eventueel had kunnen plaatsvinden via het mobiliteitstraject bij Sallcon b.v. doch dat [eisende partij] dit traject niet heeft geaccepteerd. Het CWI heeft aan haar toestemming de wederindienst-tredingsvoorwaarde verbonden als bedoeld in artikel 2:7 jo 4:5 van het Ontslagbesluit.

g. Bij brief van 11 augustus 2004 heeft de stichting Het Goed onder gebruikmaking van voormelde toestemming de arbeidsverhouding met [eisende partij] opgezegd tegen 1 oktober 2004.

De standpunten van partijen

[eisende partij] heeft aan zijn vorderingen op de stichting Het Goed ten grondslag gelegd dat het aan hem gegeven ontslag kennelijk onredelijk is omdat deze berust op een valse althans voorgewende reden. Anders dan de stichting Het Goed voorwendt, heeft zij niet in haar eigen belang gehandeld doch in het belang van de vennootschap Het Goed. Zijn functie is evenmin vervallen nu zijn werk is overgenomen door een andere langdurige werkloze. Daarnaast is het ontslag kennelijk onredelijk omdat de gevolgen van de opzegging voor hem te ernstig zijn in vergelijking met het belang van de stichting Het Goed bij de opzegging. De stichting is dan ook gehouden om het dienstverband te herstellen althans aan hem een schadevergoeding te betalen, die aan de hand van de kantonrechtersformule kan worden berekend op een bedrag van € 47.256,10. Aan hem komt voorts de gefixeerde schadevergoeding toe als bedoeld in artikel 7:680 BW aangezien de stichting Het Goed bij de opzegging niet de juiste opzegtermijn in acht heeft genomen. De stichting Het Goed had immers voor de berekening van die termijn de tijd dat [eisende partij] via de stichting “Deventer Werkt” bij haar heeft gewerkt, moeten meetellen. Tot slot heeft [eisende partij] aangevoerd dat de vennootschap Het Goed met de stichting Het Goed moet worden vereenzelvigd gelet op de verwevenheid tussen hen, zowel naar werkzaamheden, als financieel en als naar het bestuur, en gelet op de tussen hen afgestemde gedragingen.

Allereerst is ten verwere aangevoerd dat [eisende partij] in zijn vorderingen jegens de vennootschap Het Goed niet ontvankelijk moet worden verklaard nu die vennootschap nimmer zijn werkgever is geweest en die vennootschap evenmin met de stichting kan worden vereenzelvigd. De stichting Het Goed heeft vervolgens aangevoerd dat de vorderingen zijn verjaard. Zij heeft voorts bestreden dat zij zich bij de opzegging van de arbeidsovereenkomst heeft bediend van een valse of voorgewende reden. Voorts heeft de stichting Het Goed betwist dat de functie van [eisende partij] feitelijk is gehandhaafd. Er is dan ook geen sprake van een kennelijk onredelijk ontslag zodat er geen reden is voor een herstel van het dienstverband of voor een schadever-goeding. Wat betreft de gevorderde vergoeding geldt dat er geen reden is om in procedures als deze de kantonrechtersformule te gebruiken, laat staan om de correctiefactor op 2 te stellen, zoals [eisende partij] heeft gedaan. Ten onrechte heeft [eisende partij] daarbij buiten beschouwing gelaten dat hij het hem aangeboden mobiliteitscontract heeft geweigerd. De stichting Het Goed heeft tot slot bestreden dat zij geen juiste opzegtermijn in acht heeft genomen.

De beoordeling

1.

In debat is in de eerste plaats of de stichting Het Goed de arbeidsovereenkomst met [eisende partij] kennelijk onredelijk heeft opgezegd en of ook de vennootschap Het Goed de gevolgen daarvan heeft te dragen, zoals [eisende partij] aanvoert.

2.

Wat betreft het laatstgenoemde strijdpunt geldt dat [eisende partij] heeft aangevoerd dat de vennootschap Het Goed vanwege haar verwevenheid met de stichting Het Goed tezamen met die laatste rechtspersoon aansprakelijk kan worden gehouden.

2.1

Vast staat dat de stichting Het Goed als de werkgever van [eisende partij] moet worden aangemerkt, gezien de tussen hen gesloten arbeidsovereenkomst en (onder meer) het gegeven dat het de stichting Het Goed is geweest die de loonbetalingen aan [eisende partij] heeft gedaan. Overigens is gesteld noch gebleken dat [eisende partij] ooit kenbaar heeft gemaakt dat hij zichzelf als werknemer van de vennootschap Het Goed beschouwde.

2.2

Voor zover [eisende partij] betoogt dat de vennootschap Het Goed met de stichting Het Goed moet worden vereenzelvigd, geldt dat op de voet van HR 13 oktober 2000, NJ 2000, 698, vereenzelviging slechts onder zeer uitzonderlijke omstandigheden kan worden aangenomen, zoals misbruik van identiteitsverschil met als geen ander doel dan om derden te benadelen.

Het gegeven dat beide rechtspersonen zich richten op dezelfde feitelijke kringloopbedrijvigheid, dat tussen hen een dienstverlenings- althans een samenwerkingsovereenkomst bestaat, dat tussen hen een financiële en/of fiscale samenwerking bestaat althans heeft bestaan, dat een of meer beslissingen van de ene rechtspersoon (ook) gevolgen heeft gehad voor de andere rechts-persoon, dat twee van de vijf bestuurleden van de stichting Het Goed het bestuur vormen van de vennootschap Het Goed, zoals is aangevoerd, brengt afzonderlijk noch in samenhang bezien mee dat van zulke zeer uitzonderlijke omstandigheden kan worden gesproken.

2.3

Voor zover [eisende partij] betoogt dat de vennootschap Het Goed op basis van het leerstuk van doorbraak van aansprakelijkheid kan worden aangesproken voor de verplichtingen uit de met de stichting Het Goed bestaand hebbende arbeidsovereenkomst, is dat evenmin met succes.

Indien en voor zover er reden zou bestaan voor een dergelijke doorbraak heeft dat slechts tot gevolg dat de bestuurders van de stichting Het Goed dan wel de feitelijke beleidsbepalers, naast de stichting zelve, aansprakelijk zou kunnen worden gehouden. Gesteld noch gebleken is dat de vennootschap Het Goed op enig moment (één van de) bestuurder(s) van de stichting Het Goed is geweest. Anders dan [eisende partij] veronderstelt, levert het enkele feit dat twee van de vijf bestuursleden van de stichting Het Goed tevens bestuurder waren van de besloten vennootschap Het Goed nog niet op dat de besloten vennootschap Het Goed als een feitelijke beleidsbepaler in voormelde zin moet worden aangemerkt. Andere bijkomende omstandigheden die zo’n conclusie zouden kunnen rechtvaardigen, zijn gesteld noch gebleken.

2.4

Er kan dan ook niet tot de conclusie worden gekomen dat [eisende partij] een rechtsvordering, wat

daar verder ook van zij, heeft jegens de vennootschap Het Goed, zodat hij in zoverre daarin jegens de vennootschap Het Goed niet ontvankelijk moet worden verklaard.

2.5

Wat betreft de proceskosten geldt dat de vennootschap Het Goed is bijgestaan door dezelfde gemachtigde die voor de stichting Het Goed optreedt, dat beide rechtspersonen bij dezelfde stukken hebben geconcludeerd en dat gesteld noch gebleken is dat de vennootschap Het Goed meer of andere proceskosten heeft moeten maken dan de stichting Het Goed. De proceskosten van de vennootschap Het Goed moeten dan ook worden begroot op nihil.

3.

Aan de beoordeling van het eerste in r.o. 1. verwoorde strijdpunt gaat vooraf de beoordeling van het door de stichting Het Goed gedane beroep op verjaring van [eisende partij]’s vorderingen.

3.1

Ingevolge het bepaalde in artikel 7:683 BW verjaart zowel een schadevordering wegens kennelijk onredelijke opzegging als een vordering tot herstel van de arbeidsovereenkomst na verloop van zes maanden, welke termijn begint te lopen daags nadat de arbeidsovereenkomst feitelijk is geëindigd.

3.2

Gelet op de opzegging van de arbeidsovereenkomst tegen 1 oktober 2004 nam de termijn van zes maanden aldus per die datum een aanvang zodat eventuele aanspraken zonder stuiting als bedoeld in de artikelen 3:316 e.v. BW zouden verjaren per 1 april 2005.

3.3

[eisende partij] heeft omtrent de stuiting aangevoerd dat hij zijn vorderingen (telkens) heeft gestuit bij achtereenvolgens een faxbrief d.d. 14 december 2004, een brief per gewone post van 25 mei 2005 en een aangetekende brief d.d. 19 oktober 2005, van welke brieven hij afschriften in het geding heeft gebracht.

3.4

De stichting Het Goed heeft gemotiveerd bestreden dat zij voormelde brieven heeft ontvangen.

Wat betreft de brief van 19 oktober 2005 moet dat verweer worden gepasseerd, gelet op de onweersproken juistheid van het in die brief gebruikte adres en het door [eisende partij] overgelegde deel van het ter zake afgetekende register voor aangetekende verzendingen.

Over de faxbrief van 14 december 2004 heeft de stichting Het Goed aangevoerd dat zij die dag wel aangaande twee andere werknemers (en van één van hen tweemaal) een faxbrief met als onderwerp een stuiting van de verjaring heeft ontvangen doch niet ten aanzien van [eisende partij].

Wat betreft de brief van 25 mei 2005 geldt dat de stichting Het Goed wederom wel erkent dat zij brieven omtrent de twee andere werknemers heeft ontvangen doch de ontvangst van een dergelijke brief inzake [eisende partij] ontkent.

3.5

Ingevolge het bepaalde in lid 3 van artikel 3:37 BW moet een tot een bepaalde (rechts)persoon gerichte verklaring, om haar werking te hebben, die (rechts)persoon hebben bereikt. Daarvoor is onvoldoende dat komt vast te staan dat de verklaring is verzonden.

Nu de stichting Het Goed de ontvangst van de brieven van 14 december 2004 en 25 mei 2005 gemotiveerd heeft weersproken, ligt op [eisende partij] de last om het bewijs van zijn stelling dat die brieven door (de gemachtigde van) de stichting Het Goed zijn ontvangen.

Deze verdeling van bewijslast is in overeenstemming met de hoofdregel uit artikel 150 van het Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering dat bepaalt dat de partij die zich beroept op rechtsgevolgen van de door haar gestelde feiten, met het bewijs van die feiten is belast.

Hoewel [eisende partij] ter zake geen bewijs heeft aangeboden, zal hij daartoe door de kantonrechter ambtshalve worden toegelaten. Dergelijk bewijs kan eventueel onder meer worden gevonden in andere, in die periode tussen partijen gevoerde correspondentie.

3.6

Het bovenstaande neemt niet weg dat van de stichting Het Goed het nodige mag worden verwacht. Zo mag van haar worden verwacht dat zij de originelen van de door haar gemachtigde ontvangen faxbrieven van 14 december 2004 in het geding brengt, op welke wijze kan worden getoetst of één faxbrief omtrent een andere werknemer dan [eisende partij] inderdaad tweemaal is ontvangen, zoals de stichting Het Goed (nog) niet onderbouwd heeft aangevoerd.

3.7

Anders dan de stichting Het Goed veronderstelt, is omtrent de stuiting van de verjaring van [eisende partij]’s vorderingen niet (deels) het regime uit lid 2 van artikel 3:317 BW toepasselijk doch geheel die uit lid 1 van dat artikel. De rechtsvordering tot herstel van het dienstverband als bedoeld in artikel 7:682 BW is weliswaar een “andere rechtsvordering” als bedoeld in voormeld tweede lid doch die vordering is blijkens zowel de dagvaarding d.d. 11 april 2004 als de door [eisende partij] ingeroepen stuitingbrieven, telkens gecombineerd met een vordering tot schadevergoeding als bedoeld in artikel 7:681 lid 1 BW. Die laatste vordering valt onder het bereik van het eerste lid van artikel 3:317 BW. Op de voet van HR 11 januari 2002, NJ 2002, 81, moet dan ook op die “andere” rechtsvordering het lichtere regime uit laatstgenoemd artikellid worden toegepast.

4.

In afwachting van de van de stichting Het Goed te vergen producties en de van [eisende partij] verlangde levering van bewijs wordt iedere verdere beslissing aangehouden.

De beslissing

De kantonrechter:

- stelt [eisende partij] in de gelegenheid feiten en omstandigheden te bewijzen waaruit kan voortvloeien dat de faxbrief van 14 december 2004 én de brief van 25 mei 2005 op of omstreeks die data door de gemachtigde van de stichting Het Goed zijn ontvangen;

- bepaalt voorts het navolgende:

Voor overlegging van schriftelijk bewijs door [eisende partij] alsmede voor overlegging van de van de stichting Het Goed verlangde producties als bedoeld in r.o. 3.6 wordt de zaak aangehouden tot de zitting van donderdag 22 februari 2007 te 09.30 uur;

Iedere partij mag antwoorden op de op voormelde rolzitting door de andere partij overgelegde stukken op de rolzitting van donderdag 22 maart 2007 te 09.30 uur;

Indien [eisende partij] bewijs door getuigen wil leveren, moet dat voor of uiterlijk op die zitting schriftelijk aan de sector kanton worden meegedeeld met opgave van het aantal getuigen dat zal worden voorgebracht.

[eisende partij] wordt er uitdrukkelijk op gewezen dat uiterlijk zeven dagen voor het verhoor ook aan de tegenpartij de namen en woonplaatsen van de getuigen moeten worden opgegeven.

Als partijen wensen dat met hun verhinderdata rekening wordt gehouden, zullen zij die eveneens voor of uiterlijk op die zitting schriftelijk dienen op te geven. Vervolgens zal dan worden bepaald wanneer het getuigenverhoor zal plaatsvinden. Het getuigenverhoor zal worden gehouden in het gerechtsgebouw te Deventer, Brink 12.

- houdt iedere verdere beslissing aan.

Aldus gewezen door mr. W.F. Boele, kantonrechter, en uitgesproken in de openbare terechtzitting van 25 januari 2007 in tegenwoordigheid van de griffier.