Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBZLY:2007:BA6896

Instantie
Rechtbank Zwolle-Lelystad
Datum uitspraak
31-05-2007
Datum publicatie
12-06-2007
Zaaknummer
Awb06/1591
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - enkelvoudig
Inhoudsindicatie

Nieuwe bob na vernietiging. Partijen zijn verdeeld over het antwoord op de vraag vanaf welke datum vanaf de wettelijke rente dient te worden toegekend.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK ZWOLLE-LELYSTAD

Sector Bestuursrecht, Enkelvoudige Kamer

Registratienummer: Awb06/1591

Uitspraak

in het geding tussen:

UNU Zorg en mobiliteit,

gevestigd te Lelystad, eiseres,

gemachtigde mr. P. Bosma

en

het college van burgemeester en wethouders van Dronten, verweerder.

1. Procesverloop

Bij besluit van 5 december 2001 heeft verweerder een aan de Stichting Thuiszorgwinkels Flevoland bij besluit van 8 juli 1999 toegezegde premie op grond van de Arbeidsplaatsenpremieregeling Flevoland 1997 (APR 1997) vastgesteld op nihil en heeft verweerder verzocht om het reeds toegekende voorschot terug te betalen.

Tegen dit besluit heeft Icare Thuiszorgwinkels BV - als rechtsopvolger van de Stichting Thuiszorgwinkels Flevoland - op 14 januari 2002 bezwaar gemaakt.

Bij besluit van 18 juni 2002 heeft verweerder de bezwaren ongegrond verklaard en het besluit van 5 december 2001 gehandhaafd.

Op 8 september 2004 heeft deze rechtbank het tegen het besluit van 18 juni 2002 gerichte beroep gegrond verklaard en het bestreden besluit vernietigd. Deze uitspraak is op 4 mei 2005 door de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State bevestigd.

Verweerder was derhalve gehouden een nieuwe beslissing te nemen op het bezwaarschrift.

In verband met het uitblijven van een beslissing op bezwaar is op 28 maart 2006 namens eiseres - als rechtsopvolger van Icare Thuiszorgwinkels BV - verzocht om een voorlopige voorziening als bedoeld in artikel 8:81 van de Algemene wet bestuursrecht (Awb).

Daarbij is de voorzieningenrechter verzocht om een dusdanige voorziening te treffen dat verweerder zou worden gelast eiseres een voorschot op de premie toe te kennen van € 15.201,64 alsmede de wettelijke rente vanaf 14 oktober 2004.

Bij uitspraak van 28 april 2006 heeft de voorzieningenrechter verweerder gelast uiterlijk op 31 mei 2006 een beslissing op het bezwaarschrift van eiseres bekend te maken, zulks onder het opleggen van een dwangsom van € 250,-- per dag voor iedere dag dat de beslissing op bezwaar te laat wordt verzonden.

Bij besluit van 23 mei 2006 (het bestreden besluit) heeft verweerder de bezwaren alsnog gegrond verklaard. Daarbij is het toe te kennen subsidiebedrag ingevolge de APR 1997 definitief vastgesteld op € 83.409,--. Tot slot heeft verweerder besloten het restantbedrag van € 15.227,27, te vermeerderen met de wettelijke rente, alsnog uit te keren.

Op 3 juli 2006 is tegen het bestreden besluit beroep ingesteld.

Verweerder heeft de op de zaak betrekking hebbende stukken - voor zover nog niet eerder overgelegd - en een verweerschrift ingezonden.

Het beroep is op 19 april 2007 ter zitting behandeld. Eiseres heeft zich laten vertegenwoordigen door J. Bijpost en mr. Bosma voornoemd. Verweerder was na voorafgaande kennisgeving afwezig.

2. Overwegingen

Partijen zijn verdeeld over het antwoord op de vraag vanaf welke datum vanaf de wettelijke rente dient te worden toegekend.

Verweerder heeft zich in het bestreden besluit op het standpunt gesteld dat eiseres aanspraak kan maken op vergoeding van de wettelijke rente vanaf 4 mei 2006. Ingevolge artikel 20 van de APR 1997 moet het bestuursorgaan bij de definitieve vaststelling van de subsidie binnen 1 jaar nagaan of aan de subsidieverplichtingen is voldaan. Verweerder is daarbij uitgegaan van een periode van 1 jaar na 4 mei 2005, zijnde de datum waarop de Afdeling bestuursrechtspraak uitspraak heeft gedaan in het hoger beroep van verweerder.

Nadien heeft verweerder aangegeven bereid te zijn wettelijke rente te vergoeden vanaf 4 mei 2005, omdat verweerder vanaf die datum in verzuim was.

Eiseres heeft aangevoerd dat de uitspraak van de Afdeling bestuursrechtspraak ertoe heeft geleid dat het bestreden besluit in de plaats is getreden van het besluit van 5 december 2001. Één jaar later, op 5 december 2002, had verweerder dan moeten vaststellen of eiseres had voldaan aan haar subsidieverplichtingen. Eiseres meent dan ook dat zij aanspraak kan maken op vergoeding van de wettelijke rente vanaf 5 december 2002.

Met de overige onderdelen van het bestreden besluit (het vaststellen van de subsidie op een bedrag van € 83.409,-- en het alsnog uitkeren van het resterende deel van € 15.227,27) stemt eiseres in.

De rechtbank overweegt als volgt.

Het is staande jurisprudentie dat in bestuursrechtelijke geschillen waarbij de toekenning van wettelijke rente punt van geschil vormt, aansluiting wordt gezocht bij het bepaalde in artikel 6:119 van het Burgerlijk Wetboek (BW).

Artikel 6:119 van het BW bepaalt dat de schadevergoeding, verschuldigd wegens vertraging in de voldoening van een geldsom, bestaat uit de wettelijke rente van die som over de tijd dat de schuldenaar met de voldoening daarvan in verzuim is geweest.

De Centrale Raad van Beroep en de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State hebben, toepassing gevend aan het bepaalde in artikel 6:119 van het BW, een en andermaal uitgesproken dat schade die wordt gevormd door wettelijke rente opeisbaar is vanaf het moment waarop de ten onrechte niet betaalde geldsom had moeten worden uitbetaald als het primaire besluit juist zou zijn geweest.

De rechtbank overweegt dat hieruit voortvloeit dat eiseres derhalve aanspraak zou kunnen maken op vergoeding van de wettelijke rente vanaf 5 december 2001.

Eiseres heeft verzocht om vergoeding van de wettelijke rente vanaf 5 december 2002.

Zij is daarbij uitgegaan van een termijn van 1 jaar voortvloeiend uit het bepaalde in artikel 20, vierde lid, van de APR 1997. Naar het oordeel van de rechtbank mist die bepaling bij

de bepaling van de datum vanaf wanneer wettelijke rente verschuldigd is echter relevantie.

Het doet immers niet af aan het gegeven dat de premie met ingang van 5 december 2001 opeisbaar is geworden.

Het voorgaande heeft evenwel tot gevolg dat vergoeding van de wettelijke rente over de periode voor 5 december 2002 niet meer aan de orde kan zijn, bij gebreke van een daartoe strekkend verzoek.

Uit het voorgaande vloeit voort dat het bestreden besluit, voor zover verweerder heeft geweigerd over te gaan tot toekenning van de gevraagde wettelijke rente over de periode van 5 december 2002 tot 1 mei 2006, wegens strijd met het bepaalde in de artikelen 3:2 en 7:12, eerste lid, van de Awb voor vernietiging in aanmerking komt. Het beroep wordt dan ook gegrond verklaard.

Verweerder zal met inachtneming van deze uitspraak opnieuw op de bezwaren van eiseres dienen te beslissen.

Ter zitting heeft gemachtigde van eiseres uiteen gezet dat verweerder op 16 juni 2006 de hoofdsom aan eiseres heeft betaald, evenals de wettelijke rente die naar het oordeel van verweerder voor vergoeding in aanmerking kwam. Eiseres meent dat zij ook nog in aanmerking dient te worden gebracht voor de wettelijke rente over de hoofdsom alsmede voor de wettelijke rente over de niet betaalde wettelijke rente vanaf 17 juni 2006.

In de te nemen beslissing op bezwaar wordt van verweerder eveneens een standpunt omtrent dit laatste verzoek van eiseres verwacht.

Het is de rechtbank gebleken dat verweerder het bestreden besluit eerst zeer geruime tijd na de uitspraak van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State van 4 mei 2005 heeft genomen, na daartoe te zijn gelast door de voorzieningenrechter van deze rechtbank.

Gelet hierop zijn er termen om verweerder onder toepassing van het bepaalde in artikel 8:72, vijfde en zevende lid, van de Awb op straffe van verbeurte van een dwangsom op te dragen alsnog een beslissing te nemen op het bezwaarschrift van eiseres en dat op de voorgeschreven wijze aan eiseres bekend te maken.

De rechtbank acht voldoende termen aanwezig verweerder met toepassing van artikel 8:75 van de Awb in de kosten te veroordelen, die eiseres in verband met de behandeling van het beroep redelijkerwijs heeft moeten maken.

Met toepassing van het Besluit proceskosten bestuursrecht kent de rechtbank ter zake van verleende rechtsbijstand 2 punten toe, waarbij een wegingsfactor van 1 wordt gehanteerd.

3. Beslissing

De rechtbank

- verklaart het beroep gegrond;

- vernietigt het bestreden besluit;

- gelast dat verweerder uiterlijk binnen zes weken na verzenddatum van deze uitspraak een beslissing neemt op het bezwaarschrift van eiseres en dat op de voorgeschreven wijze bekend maakt;

- bepaalt dat de gemeente Dronten een dwangsom verbeurt van € 250,= per dag, voor iedere dag dat verweerder na het verstreken van de gestelde termijn in gebreke blijft te voldoen aan deze uitspraak;

- bepaalt dat de gemeente Dronten het betaalde griffierecht van € 281,= aan eiseres vergoedt;

- veroordeelt verweerder in de proceskosten van eiseres tot een bedrag van € 644,= ter zake van verleende rechtsbijstand, te betalen door de gemeente Dronten.

Deze uitspraak is gedaan door mr. A. Oosterveld en in het openbaar uitgesproken in tegenwoordigheid van mr. P.A.M. Spreuwenberg als griffier, op 31 mei 2007

Afschrift verzonden op: 6 juni 2007

Rechtsmiddel

Tegen deze uitspraak staat voor een belanghebbende en het bestuursorgaan hoger beroep open. Dit dient te worden ingesteld binnen zes weken na de datum van verzending van deze uitspraak door een beroepschrift en een kopie van deze uitspraak te zenden aan de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State, Postbus 20019, 2500 EA Den Haag.