Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBZLY:2007:BA6894

Instantie
Rechtbank Zwolle-Lelystad
Datum uitspraak
31-05-2007
Datum publicatie
12-06-2007
Zaaknummer
Awb 06/1761
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Socialezekerheidsrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Inhoudsindicatie

In dit geding dient de rechtbank de vraag te beantwoorden of verweerder terecht en op goede gronden eiser met ingang van 18 januari 2006 in aanmerking heeft gebracht voor een WGA-uitkering en niet voor een uitkering op grond van de IVA (Inkomensverzekering voor volledig en duurzaam arbeidsongeschikten).

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK ZWOLLE-LELYSTAD

Sector Bestuursrecht, Meervoudige Kamer

Registratienummer: Awb 06/1761

Uitspraak

in het geding tussen:

[eiser],

wonende te [woonplaats], eiser,

gemachtigde mr. M.F. Vermaat

en

de Raad van Bestuur van het Uitvoeringsinstituut Werknemersverzekeringen,

gevestigd te Amsterdam, verweerder.

1. Procesverloop

Bij besluit van 6 maart 2006 heeft verweerder eiser bericht, dat hij met ingang van 18 januari 2006 recht heeft op een loongerelateerde WGA-uitkering (Regeling werkhervatting gedeeltelijk arbeidsgeschikten) op grond van de Wet werk en inkomen naar arbeidsvermogen (Wet WIA).

Tegen dit besluit is op 28 maart 2006 een bezwaarschrift ingediend.

Bij het besluit van 18 juli 2006 is dit bezwaarschrift ongegrond verklaard.

Op 31 juli 2006 is tegen het bestreden besluit beroep ingesteld.

Verweerder heeft op 21 augustus 2006 een verweerschrift ingezonden.

Het beroep is op 19 april 2007 ter zitting van de meervoudige kamer van de rechtbank behandeld.

Eiser is verschenen bijgestaan door zijn gemachtigde.

Verweerder heeft zich doen vertegenwoordigen door mr. A.H. Rebel.

2. Overwegingen

In dit geding dient de rechtbank de vraag te beantwoorden of verweerder terecht en op goede gronden eiser met ingang van 18 januari 2006 in aanmerking heeft gebracht voor een WGA-uitkering en niet voor een uitkering op grond van de IVA (Inkomensverzekering voor volledig en duurzaam arbeidsongeschikten).

De rechtbank gaat bij haar oordeelsvorming uit van de volgende feiten en omstandigheden.

Eiser is voor 39 uur in de week werkzaam geweest als business architect bij de [werkgever] N.V. Hij is op 21 januari 2004 uitgevallen met klachten tengevolge van een combinatie van meerdere auto-immuunziekten. Eiser is in aangepast werk bij zijn werkgever werkzaam gebleven.

In het kader van de beoordeling van zijn aanspraken op arbeidsongeschiktheidsuitkering is eiser op 1 februari 2006 bij de verzekeringsarts geweest. Deze heeft haar bevindingen vastgelegd in een rapport van 7 februari 2006. De verzekeringsarts heeft eiser in staat geacht voor maximaal 12 uur per week werkzaam te zijn in passende werkzaamheden.

Op 27 februari 2006 heeft eiser met de arbeidsdeskundige gesproken. Raadpleging van het CBBS heeft onvoldoende arbeidsmogelijkheden opgeleverd om tot een resterende verdiencapaciteit te kunnen komen. Ook een berekening op basis van verdiensten in het aangepaste werk heeft tot de conclusie geleid dat eiser voor 80 tot 100% arbeidsongeschikt dient te worden beschouwd.

Vervolgens heeft besluitvorming plaatsgevonden zoals weergegeven in rubriek 1 van deze uitspraak.

Het bestreden besluit berust op het standpunt dat er weliswaar sprake is van volledige, maar niet van duurzame arbeidsongeschiktheid in de zin van artikel 4 van de Wet WIA.

In het eerste lid van artikel 4 van de Wet WIA is bepaald dat volledig en duurzaam arbeidsongeschikt is hij die als rechtstreeks en objectief medisch vast te stellen gevolg van ziekte, gebrek, zwangerschap of bevalling duurzaam slechts in staat is om met arbeid ten hoogste 20% te verdienen van het maatmaninkomen per uur.

In het tweede lid van dat artikel is bepaald dat in het eerste lid onder duurzaam wordt verstaan een medisch stabiele of verslechterende situatie.

In het derde lid van genoemd artikel is bepaald dat onder duurzaam mede wordt verstaan een medische situatie waarbij op lange termijn een geringe kans op herstel bestaat.

Op grond van artikel 47 van de Wet WIA ontstaat een recht op een IVA-uitkering voor de verzekerde die ziek wordt indien:

a. hij de wachttijd heeft doorlopen;

b. hij volledig en duurzaam arbeidsongeschikt is; en

c. er op hem geen uitsluitinggrond van toepassing is.

In beroep is namens eiser gesteld dat eiser zowel volledig als duurzaam arbeidsongeschikt is. Naar de mening van eiser is het gestelde in artikel 4, derde lid Wet WIA op zijn situatie van toepassing. Verweerder heeft naar de mening van eiser de doelgroep voor de IVA te beperkt geïnterpreteerd, wat er volgens eiser toe heeft geleid dat in het contact met zijn specialist de verkeerde vragen zijn gesteld. Volgens eiser kan thans uit het verloop van zijn ziekte worden afgeleid dat eiser tot die groep behoort waarbij sprake is van een geringe kans op herstel. Eiser heeft ter zitting aangevoerd dat het niet gaat om twee afzonderlijk goed behandelbare aandoeningen, zoals verweerder veronderstelt, maar om meerdere auto-immuunziekten waaronder de ziekte van Crohn en een niet standaard coeliaki.

Verweerder heeft aangegeven bij het standpunt te blijven zoals ingenomen in het bestreden besluit. Ter onderbouwing daarvan heeft verweerder een nader rapport van de bezwaarverzekeringsarts van 10 april 2007 overgelegd. De bezwaarverzekeringsarts heeft in dit rapport gemotiveerd dat het stappenplan is gevolgd. De bezwaarverzekeringsarts heeft gesteld dat daarbij is uitgegaan van de informatie van de specialist van eiser. Die specialist heeft aangegeven dat ten aanzien van eiser geldt dat ‘verbetering niet is uitgesloten’.

Ter zitting heeft verweerder aangegeven dat verweerder uit de Memorie van Toelichting afleidt dat een uitkering op grond van de WGA is aangewezen als er twijfel bestaat aan de duurzaamheid van de arbeidsongeschiktheid.

De rechtbank overweegt als volgt.

Tussen partijen is niet in geschil dat eiser per einde wachttijd (18 januari 2006) volledig arbeidsongeschikt is. Wat partijen verdeeld houdt is de vraag of verweerder terecht heeft gesteld dat deze arbeidsongeschiktheid niet duurzaam is.

Het standpunt van verweerder dat eiser niet duurzaam arbeidsongeschikt is in de zin van artikel 4 van de Wet WIA, is gebaseerd op de rapportages van de verzekeringsarts en de bezwaarverzekeringsarts.

De bezwaarverzekeringsarts heeft in haar beoordeling de brief van de behandelend specialist van eiser, prof. Dr. C.J.J. Mulder d.d. 23 juni 2006 betrokken en blijkens de rapportage van 5 juli 2006 op deze datum met de specialist nog telefonisch contact gehad.

In bedoelde brief van 23 juni 2006 heeft de specialist genoteerd dat eiser chronische algemene malaiseklachten heeft bij zijn combinatie van Crohn en coeliaki. De specialist acht de klachten passen bij coeliaki en volledig reëel, zeker nu er andere immunologische gemedieerde ziekten aanwezig zijn. De specialist geeft als conclusie, dat eiser volledig afgekeurd moet blijven.

In de rapportage van de bezwaarverzekeringsarts staat de volgende weergave van het telefoongesprek dat op 5 juli 2006 tussen de bezwaarverzekeringsarts en de specialist heeft plaatsgevonden:

“…daarbij de Wet WIA uitgelegd, met specificering van het begrip duurzaamheid. Onder de IVA valt alleen die groep die volledig en duurzaam geen arbeidsmogelijkheden heeft, met progressieve en stabiele ziektebeelden die geen behandelmogelijkheden kennen. Aangegeven dat cliënt niet tot die categorie wordt gerekend, maar tot de WGA en daarbij wel vanwege de fors geduide beperkingen een volledige uitkering toegekend heeft gekregen. Prof. Mulder geeft, naast zijn ergernissen t.a.v. de wetgeving aan, dat vanwege de combinatie van aandoeningen (die ziekte van Crohn en Coeliaki) hij de prognose t.a.v. m.n. de extreme vermoeidheid somber inschat. Er zijn in Nederland maar een paar patiënten met dit beeld. Het is echter niet uit te sluiten dat er nog wat verbetering kan optreden. In die zin is hij het ermee eens dat cliënt niet tot de groep van patiënten behoort waarbij elke kans op verbetering voor de rest van zijn leven uitgesloten is, en hij zou het reëel vinden wanneer cliënt over een jaar of twee nog eens gezien wordt om na te gaan hoe het met hem gaat.”

De bezwaarverzekeringsarts heeft vervolgens gemotiveerd waarom de beoordeling van de primaire arts naar haar inschatting voldoet aan de voorwaarden van het zogenaamde stappenplan en er ten aanzien van eiser geen sprake is van duurzaamheid. Met betrekking tot het stappenplan heeft verweerder ter zitting aangegeven dat dit stuk, hoewel op de site van het UWV gepubliceerd, geen formeel beleid maar een te volgen richtlijn betreft die is afgeleid van de Memorie van Toelichting bij artikel 4 van de Wet WIA.

De rechtbank constateert dat verweerder zich op het standpunt heeft gesteld dat er ten aanzien van eiser sprake is van een medische situatie waarbij op lange termijn een meer dan geringe kans op herstel bestaat. Verweerders motivering van dit standpunt is nagenoeg volledig gelegen in hetgeen de behandelend specialist van eiser, professor Mulder daarover heeft opgemerkt. Letterlijk stelt professor Mulder: “Het is echter niet uit te sluiten dat er nog wat verbetering kan optreden”.

Naar het oordeel van de rechtbank leidt genoemde zinsnede van professor Mulder niet zonder meer tot de conclusie dat eiser niet behoort tot de groep van personen waarbij sprake is van een medische situatie waarbij op lange termijn slechts een geringe kans op herstel bestaat. Alleen al hierom acht de rechtbank het bestreden besluit van verweerder onvoldoende gemotiveerd en komt dat besluit voor vernietiging in aanmerking.

Voorts stelt de rechtbank vast dat verschillende behandelend specialisten van eiser concluderen tot een overlapsyndroom tussen meerdere auto-immuunbeelden.

Uit de wetsgeschiedenis (SER-advies 2004, blz. 48 bezien in relatie tot de Kamerstukken Tweede Kamer, 2004-2005, 30034, nr. 3 (MvT), p. 29) blijkt dat bij de beoordeling van de duurzaamheid in een complexe situatie als een overlap van ziektebeelden, veelal pas (gedeeltelijk) herstel na jaren optreedt. In een dergelijke situatie kan, aldus het SER-advies, de kans op herstel aanvankelijk als zeer gering worden ingeschat.

In de richtlijn die verweerder hanteert is bij stap 3 ten aanzien van een complex ziektebeeld als hier aan de orde, aangegeven dat een te verwachten verandering in de belastbaarheid goed gemotiveerd moet worden.

Naar het oordeel van de rechtbank heeft verweerder niet gemotiveerd, waarom in de situatie van eiser, ondanks zijn complexe ziektebeeld, geen sprake is van een geringe kans op herstel. De enkele verwijzing naar de opmerking van de specialist dat herstel niet is uitgesloten is in het licht van hetgeen hiervoor is overwogen onvoldoende. In dat verband acht de rechtbank overigens opmerkelijk, dat verweerder bij zijn beoordeling wel de overlap van verschillende ziektebeelden noemt, maar niettemin uit lijkt te gaan van twee geïsoleerd te beoordelen diagnoses.

De rechtbank komt dan ook tot de slotsom dat het verzekeringsgeneeskundig onderzoek ook op dit punt niet zorgvuldig is geweest en dat het bestreden besluit ook hierom onvoldoende gemotiveerd is. Ook om deze reden komt het bestreden besluit voor vernietiging in aanmerking.

Het beroep wordt gegrond verklaard en het bestreden besluit vernietigd. Verweerder dient een nieuw besluit te nemen met inachtneming van deze uitspraak.

Nu het beroep gegrond wordt verklaard, dient het griffierecht aan eiser te worden vergoed. Tevens zal de rechtbank verweerder veroordelen in de proceskosten van eiser, die op basis van het Besluit proceskosten bestuursrecht worden vastgesteld op € 644 (1 punt voor het beroepschrift en 1 punt voor het verschijnen ter zitting x € 322).

3. Beslissing

De rechtbank:

- verklaart het beroep gegrond;

- vernietigt het bestreden besluit;

- draagt verweerder op een nieuw besluit te nemen met inachtneming van deze uitspraak;

- gelast dat het UWV aan eiser het door hem betaalde griffierecht van € 38,- vergoedt;

- veroordeelt verweerder in de proceskosten van eiser tot een bedrag van € 644,-, te betalen door het UWV aan de griffier.

Deze uitspraak is gedaan door mr. F.G. van Arem, voorzitter, mr. J.H.M. Hesseling en mr. M.I. Lammertsma-van der Heij, rechters en in het openbaar uitgesproken in tegenwoordigheid van mr. F. Ernens als griffier, op 31 mei 2007

Afschrift verzonden op: 6 juni 2007

Rechtsmiddel

Tegen deze uitspraak staat voor een belanghebbende en het bestuursorgaan hoger beroep open. Dit dient te worden ingesteld binnen zes weken na de datum van verzending van deze uitspraak door een beroepschrift en een kopie van deze uitspraak te zenden aan de Centrale Raad van Beroep, Postbus 16002, 3500 DA Utrecht.