Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBZLY:2007:BA6781

Instantie
Rechtbank Zwolle-Lelystad
Datum uitspraak
25-05-2007
Datum publicatie
11-06-2007
Zaaknummer
Awb 06/2540
Formele relaties
Op verzet tegen : ECLI:NL:RBZLY:2006:AY7393
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - enkelvoudig
Inhoudsindicatie

Dwangsom tot verwijdering. Eiser heeft op diverse locaties in de gemeente Deventer aan, met name, transformatorhuisjes aluminium AO frames bevestigd met daarin reclameaffiches zonder daarvoor een (bouw)vergunning aan te vragen. Eiser heeft een overeenkomst gesloten met NV Edon Groep die de transformatorhuisjes in eigendom heeft. Deze overeenkomst houdt kort gezegd in dat eiser affiches op de huisjes mag plaatsen in ruil voor het schoonmaken en schoonhouden van de huisjes.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK ZWOLLE-LELYSTAD

Sector Bestuursrecht, Enkelvoudige Kamer

Registratienummer: Awb 06/2540

Uitspraak

in het geding tussen:

Bizon Mediagroep BV,

gevestigd te Amsterdam, eiser,

mr. A.A. Wester, gemachtigde,

en

het college van burgemeester en wethouders van Deventer,

verweerder.

1. Ontstaan en loop van de procedure

Bij besluit van 6 juni 2006 heeft verweerder eiser gelast binnen zes weken na verzenddatum van dat besluit alle door haar, in de gemeente Deventer zonder bouwvergunning aangebrachte reclameobjecten, vermeld op een bijgevoegde lijst, te verwijderen en verwijderd te houden. Verweerder heeft daarbij aan eiser een last onder dwangsom opgelegd van € 75,00 per reclameobject, per maand of gedeelte daarvan met een maximum van € 450,00 per object.

Eiser heeft daartegen bij brief van 17 juli 2006 bezwaar gemaakt en tevens bij deze rechtbank een verzoek om toepassing van artikel 8:81 Algemene wet bestuursrecht (Awb) ingediend. Het verzoek om een voorlopige voorziening is door de voorzieningenrechter bij uitspraak van 25 augustus 2006 afgewezen (in de zaak met nummer Awb 06/1632).

Het bezwaarschrift is vervolgens bij het bestreden besluit van 9 oktober 2006 ongegrond verklaard.

Op 21 december 2006 is het beroepschrift van eiser tegen het bestreden besluit ontvangen. Het verweerschrift is op 19 januari 2007 binnengekomen.

Het beroep is op 19 april 2007 ter zitting behandeld. Eiser is niet verschenen. Verweerder heeft zich laten vertegenwoordigen door de heer F.W.H.M. Helmich.

2. Motivering

De rechtbank gaat in deze zaak uit van de volgende feiten en omstandigheden.

Eiser heeft op diverse locaties in de gemeente Deventer aan, met name, transformatorhuisjes aluminium AO frames bevestigd met daarin reclameaffiches zonder daarvoor een (bouw)vergunning aan te vragen. Eiser heeft een overeenkomst gesloten met NV Edon Groep die de transformatorhuisjes in eigendom heeft. Deze overeenkomst houdt kort gezegd in dat eiser affiches op de huisjes mag plaatsen in ruil voor het schoonmaken en schoonhouden van de huisjes. Verweerder heeft ten aanzien van deze reclameobjecten de Adviesraad Welstand (hierna: de welstandcommissie) verzocht, vooruitlopend op de indiening van een definitief bouwplan, advies uit te brengen. De welstandscommissie heeft voor iedere locatie geconcludeerd dat de frames in ernstige mate strijden met de redelijke eisen van welstand. Een aantal van de reclameobjecten zijn aangebracht binnen een beschermd stadsgezicht.

Partijen zijn allereerst verdeeld over de vraag of voor de frames, al dan niet tezamen met de affiches voor in de frames, een bouwvergunning ingevolge de Woningwet vereist is.

Eiser maakt in dit kader onderscheid tussen enerzijds de aluminium frames en anderzijds de affiches. Volgens eiser geldt voor de frames primair dat er van een bouwwerk ex artikel 1 lid 1 Woningwet geen sprake is en subsidiair dat het een bouwvergunningsvrije bouwwerk betreft ingevolge artikel 3 lid 1 onder k van het Besluit bouwvergunningsvrije en licht-bouwvergunningplichtige bouwwerken (hierna: Bblb). De affiches vallen naar het oordeel van eiser niet onder de Woningwet en dienen te worden beoordeeld aan de hand van de Algemene Plaatselijke Verordening van Deventer (hierna: de APV).

De APV luidt, voor zover van belang, als volgt:

Artikel 4.7.2.

1. Het is de rechthebbende op een onroerende zaak alsmede de hoofdgebruiker van deze zaak verboden zonder vergunning van burgemeester en wethouders deze zaak of een daarop aanwezige zaak te gebruiken of het gebruik daarvan toe te laten voor het maken van handelsreclame met behulp van een opschrift, aankondiging of afbeelding in welke vorm dan ook, die vanaf de weg of vanaf een andere voor het publiek toegankelijke plaats zichtbaar is.

(…)

3. Het in het eerste lid gestelde verbod geldt voorts niet voor zover de Woningwet (…) van toepassing is.

De rechtbank is van oordeel dat door het aanbrengen van de frames aan de gebouwen sprake is van het veranderen van bestaande bouwwerken. Ingevolge de definitie van bouwen neergelegd in artikel 1, eerste lid, aanhef en onder a, van de Woningwet is er derhalve sprake van bouwen in de zin van de Woningwet. Voor bouwen binnen een beschermd stadsgezicht bepaalt artikel 43 tweede lid van de Woningwet onverkort dat er een bouwvergunning is vereist. Voor die locaties waar eiser frames binnen het beschermd stadsgezicht heeft aangebracht, geldt derhalve in ieder geval een bouwvergunningplicht. Verweerder heeft tot zoverre dan ook terecht handhavend kunnen optreden. Het betreft de locaties achter de Muren Duimpoort, Broederenplein 6, L. van Dieseplein-Pontsteeg, Striksteeg 6 en Vijgeboomgang 9.

Voorts is de rechtbank ten aanzien van de overige locaties van oordeel dat het bouwen niet valt aan te merken als een verandering van niet-ingrijpende aard aan een bestaand bouwwerk als bedoeld in artikel 3, eerste lid, aanhef en onder k, van het Bblb. Met het aanbrengen van de reclameobjecten wordt immers de functie van reclamedrager toegevoegd aan de transformatorhuisjes zodat niet wordt voldaan aan de eis dat het bestaande niet-wederrechtelijke gebruik wordt gehandhaafd, zoals bepaald in artikel 3, eerste lid, aanhef, sub k, onder 3 van het Bblb (vergelijk: LJN AP6535, ABRvS 11 juni 1998).

De stelling van eiser dat de reclameaffiches dienen te worden beoordeeld aan de hand van de APV en niet aan de hand van de Woningwet kan niet slagen. Voorop gesteld wordt dat artikel 4.7.2. lid 3 van de APV bepaalt dat lid 1 van dat artikel slechts van toepassing is op gevallen waarop de Woningwet niet van toepassing is. Niet alleen de frames maar ook de invulling daarvan dient betrokken te worden bij de beoordeling van de vraag of de frames in het kader van de Woningwet voldoen aan redelijke eisen van welstand zoals bepaald in artikel 44 lid 1 lid d van de Woningwet (LJN AV0275, ABRvS 25 januari 2006). Nu er geen onderscheid wordt gemaakt tussen de frames en de invulling daarvan in de vorm van reclameaffiches geldt dat de Woningwet van toepassing is en dientengevolge dat de APV niet van toepassing is.

Verweerder heeft onder verwijzing naar de uitgebrachte negatieve welstandsadviezen voorts betoogd dat er geen sprake is van uitzicht op legalisatie. Eiser heeft echter aangevoerd dat er geen sprake is van strijd met redelijke eisen van welstand nu de frames zeer beperkt van omvang en betekenis zijn. Voorts stelt eiser dat de transformatorhuisjes de ruimtelijke kwaliteit niet verhogen terwijl de frames de ruimtelijke kwaliteit van de huisjes wel verhogen. Daarbij verwijst eiser naar een positief welstandsadvies dat in de gemeente Almere is afgegeven ten aanzien van reclameobjecten aan transformatorhuisjes.

Volgens vast jurisprudentie dient - met het oog op het algemeen belang - bij overtreding van een wettelijk voorschrift het bestuursorgaan dat bevoegd is om met bestuursdwang of een last onder dwangsom op te treden, in de regel van deze bevoegdheid gebruik te maken. Slechts onder bijzondere omstandigheden mag het bestuursorgaan weigeren dit te doen. Dit kan zich voordoen indien concreet uitzicht op legalisatie bestaat. Voorts kan handhavend optreden zodanig onevenredig zijn in verhouding tot de daarmee te dienen belangen dat van optreden in die concrete situatie behoort te worden afgezien.

De rechtbank is van oordeel dat in onderhavig geval geen sprake is van concreet uitzicht op legalisatie, gelet op de negatieve adviezen van de welstandscommissie. De algemene stelling van eiser dat de reclameobjecten gelet op omvang en betekenis niet strijden met de welstandseisen, is onvoldoende om tot een ander oordeel te kunnen komen. Niet is immers gebleken dat de welstandsadviezen zodanige gebreken vertonen dat verweerder zijn oordeel ten aanzien van welstand daarop niet heeft mogen baseren. Nu eiser geen tegenadvies heeft overgelegd mocht verweerder doorslaggevende betekenis toekennen aan dit advies. Het beroep op een positief welstandsadvies van de gemeente Almere treft geen doel nu gemeentebesturen hierin een zelfstandige bevoegdheid hebben.

Eiser stelt verder dat er sprake is van rechtsongelijkheid. Daartoe wordt gesteld dat reclame in zogenaamde abri’s vergelijkbaar is met reclame in de frames zodat niet valt in te zien dat verweerder reclame in abri’s als vergunningvrij aanmerkt maar reclame in frames niet.

Verweerder heeft een advies van de welstandscommissie van 18 januari 2007 in het geding gebracht waarin uiteengezet wordt dat, en om welke redenen, de gevallen niet gelijk aan elkaar zijn. Voornoemd advies houdt kort gezegd het volgende in. Bij abri’s is er sprake van één geïntegreerd ontwerp waarbij het reclamedisplay een wezenlijk onderdeel uitmaakt van het bouwwerk en waarbij tevens functionele informatie is geplaatst, in tegenstelling tot de frames op de transformatorhuisjes. Binnen de sociaal-culturele context van een publieke verzamelplaats zoals bij abri’s, is reclame op zijn plaats hetgeen niet geldt voor reclame aan transformatorhuisjes. Voorts wordt in het advies overwogen dat reclame op transformatorhuisjes afbreuk doet aan de kwaliteit van de omgeving nu de huisjes veranderen in een soort reclamezuil in plaats van een onopvallend en onmiskenbaar functioneel element.

De rechtbank stelt voorop dat abri’s als zodanig vergunningvrij zijn op grond van artikel 3 lid 1 sub h Bblb zodat de stelling van eiser dat het een gelijk geval betreft reeds daarom niet slaagt. Daar komt bij dat verweerder met voornoemd onderbouwd advies van de welstandcommissie - welk advies niet is weersproken door eiser - voldoende aannemelijk heeft gemaakt dat reclame in abri’s en reclame in frames aan transformatorhuisjes niet met elkaar zijn gelijk te stellen.

Van andere bijzondere omstandigheden op grond waarvan verweerder in redelijkheid van het opleggen van een last onder dwangsom had moeten afzien is niet gebleken.

Gelet op het voorgaande kan het bestreden besluit in stand blijven. Het beroep is ongegrond.

Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.

3. Beslissing

De rechtbank verklaart het beroep ongegrond.

Deze uitspraak is gedaan door mr. A. Oosterveld en in het openbaar uitgesproken in tegenwoordigheid van mr. P.M. Spreuwenberg als griffier, op 25 mei 2007

Afschrift verzonden op:

Rechtsmiddel

Tegen deze uitspraak staat voor een belanghebbende en het bestuursorgaan hoger beroep open. Dit dient te worden ingesteld binnen zes weken na de datum van verzending van deze uitspraak door een beroepschrift en een kopie van deze uitspraak te zenden aan de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State, Postbus 20019, 2500 EA Den Haag.