Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBZLY:2007:BA2599

Instantie
Rechtbank Zwolle-Lelystad
Datum uitspraak
04-04-2007
Datum publicatie
11-04-2007
Zaaknummer
130187 / KG ZA 07-112
Rechtsgebieden
Civiel recht
Bijzondere kenmerken
Kort geding
Inhoudsindicatie

Aanspraak minderjarig kind met autistische stoornis op gespecialiseerde 24-uurs zorg bij buitenregionale zorgaanbieder. Verplichting voor provincie om ervoor zorg te dragen dat kind aanspraak op zorg tot gelding kan maken. Voorshands geoordeeld dat provincie tekortgeschoten is in de nakoming van haar verplichtingen uit hoofde van de Wet op de jeugdzorg.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl

Uitspraak

vonnis

RECHTBANK ZWOLLE-LELYSTAD

Sector civiel recht

zaaknummer / rolnummer: 130187 / KG ZA 07-112

Vonnis in kort geding van 4 april 2007

in de zaak van

[eiseres],

wonende te [plaats],

toevoeging verleend,

eiseres,

procureur mr. E. Lucas,

advocaat mr. H.M.S. Cremers te Berlicum,

tegen

de publiekrechtelijke rechtspersoon

PROVINCIE FLEVOLAND,

zetelend te Lelystad,

gedaagde,

procureur mr. M.M.H. Brinke-Schulte.

Partijen zullen hierna [eiseres] en provincie Flevoland genoemd worden.

1. De procedure

1.1. Het verloop van de procedure blijkt uit:

- de dagvaarding

- de mondelinge behandeling op 21 maart 2007

- de pleitnota van [eiseres]

- de pleitnota van provincie Flevoland.

1.2. Ten slotte is vonnis bepaald.

2. De feiten

2.1. [eiseres] treedt op als wettelijk vertegenwoordigster van haar 13-jarige zoon [minderjarige]. [minderjarige] heeft een autistische stoornis in combinatie met een IQ van 115. [minderjarige] verblijft sinds 27 juli 2005 in de instelling Karakter (voormalig Gooseveld) te Zwolle. Hij is inmiddels uitbehandeld, maar verblijft nog in Karakter omdat er nog geen andere plaats voor hem gevonden is. [minderjarige] gaat naar school op het VSO van de Ambelt van Trias Jeugdhulp te Zwolle (hierna: de Ambelt).

2.2. Op 1 juni 2006 heeft Bureau Jeugdzorg Flevoland (hierna: BJZ Flevoland) een indicatiebesluit genomen in de zin van de Wet op de jeugdzorg. Het indicatiebesluit geeft recht op 24 uurs zorg en verblijf bij een zorgaanbieder, te verzilveren binnen 13 weken met een geldigheidsduur van 12 maanden. Als zorgaanbieder wordt in het indicatiebesluit geadviseerd de Leefgroep op de Ambelt van Trias Jeugdhulp te Zwolle. Dit wordt in het besluit als volgt gemotiveerd:

“Het lijkt voor zowel [minderjarige] als voor zijn jongere broertje en moeder het beste als hij naar een 24 uurs opvang gaat met een duidelijke structuur en regelmaat, Aangezien er binnen de regio geen gespecialiseerde ASS-plaatsen beschikbaar zijn voor kinderen met een gemiddeld IQ is [minderjarige] aangewezen op een buitenregionale plaatsing. Vanuit het Gooseveld komt, gezien de specifieke problematiek van [minderjarige] en zijn normale begaafdheid, het advies voor een plek op de Ambelt 24 uurs groep van Trias jeugdhulp in Zwolle. Vanuit hun ervaring beoordelen zij de groep als de plek die het beste aansluit bij de behoeften van [minderjarige]. Bijkomstig is dat de positieve ontwikkeling die hij doormaakt op de Ambelt Herfte school doorgezet kan worden. [minderjarige] is op deze school zeer op zijn plek en een schoolwisseling is voor hem onwenselijk.”

2.3. Bij brief van 6 juli 2006 heeft mevrouw K. Makkinga van BJZ Flevoland [eiseres] verslag gedaan van de stand van zaken met betrekking tot de indicatie van [minderjarige]. Makkinga meldt dat zij van de afdeling Zorgtoeleiding & Monitoring van BJZ Overijssel heeft vernomen dat de indicatie van [minderjarige] waarschijnlijk zal worden geweigerd, omdat de wachtlijst van Trias Jeugdhulp lang is en er geen plek lijkt te zijn voor buitenregionale kinderen.

2.4. Bij brief van 11 juli 2006 heeft BJZ Overijssel BJZ Flevoland ervan in kennis gesteld dat de aanvraag tot plaatsing van [minderjarige] niet in behandeling werd genomen. Hiervoor wordt de volgende reden gegeven:

“Trias Jeugdhulp heeft van de Provincie Overijssel opdracht gekregen om de capaciteit voor 24-uurs behandelplekken voor Overijsselse kinderen met een ASS-stoornis tijdelijk uit te breiden.

De Provincie Flevoland maakt aanspraak op het aanbod van Trias met als geldige reden dat er geen aanbod is in de eigen provincie. Gezien bovenstaande aanpak alleen geldt voor de jeugdigen uit de eigen provincie en de onduidelijkheden die er zijn over het vervolg, is het niet haalbaar een aanbod te doen voor buitenprovinciale jeugdigen. Ik verwijs u dan ook naar de AWBZ-zorg in uw eigen provincie.”

2.5. Bij brief van 14 juli 2006 heeft de raadsvrouw van [eiseres] Trias Jeugdhulp te Zwolle verzocht en gesommeerd om conform het indicatiebesluit over te gaan tot spoedige plaatsing van [minderjarige] op de Ambelt te Zwolle.

2.6. Op 14 juli 2006 heeft (de raadsvrouw van) [eiseres] bezwaar aangetekend bij de bezwaarcommissie van BJZ Flevoland tegen het indicatiebesluit met het verzoek te beslissen dat aan het indicatiebesluit op zo kortst mogelijke termijn uitvoering wordt gegeven.

2.7. Bij brief van 18 juli 2006 heeft Trias Jeugdhulp aan de raadsvrouw van [eiseres] geantwoord dat [minderjarige] niet bij haar is aangemeld. Trias Jeugdhulp wijst op een tussen alle Bureaus Jeugdzorg in Nederland geldende afspraak dat wanneer zich een situatie voordoet dat de geïndiceerde hulp niet voorhanden is in de eigen provincie, er een beroep gedaan mag worden op een zorgaanbieder in een aanpalende provincie. Rechtstreekse aanmelding van [minderjarige] bij Trias Jeugdhulp is niet mogelijk. Trias Jeugdhulp wijst erop dat [minderjarige] door BJZ Flevoland aangemeld dient te worden bij BJZ Overijssel, dat het verzoek vervolgens zal wegen en al dan niet zal toeleiden naar een zorgaanbieder in de provincie Overijssel.

2.8. BJZ Flevoland heeft getracht om [minderjarige] aan te melden bij BJZ Overijssel. In een e-mailbericht d.d. 18 augustus 2007 informeert J. Moes, zorgbemiddelaar bij BJZ Flevoland, de raadsvrouw van [eiseres] als volgt:

“Ik heb inmiddels overleg gehad met Bureau Jeugdzorg Overijssel, Trias Jeugdhulp, de provincie Flevoland, provincie Overijssel en het IPO.

In Overijssel wordt de casus niet door Trias Jeugdhulp in behandeling genomen, maar door Bureau Jeugdzorg afd. Zorgbemiddeling. In overleg met de provincie Overijssel is voor deze constructie gekozen. O.i. niet conform de Wet op de Jeugdzorg, maar vanuit BJZ Flevoland is het moeilijk hier grip op te krijgen. We hebben ter wille van een goede afhandeling van de casus, ook bewust niet voor gekozen.

Het aanbod van de ASS-groep waarvoor [minderjarige] is aangemeld is middels Overijsselse provinciale middelen uitgebreid, tegelijkertijd heeft de provincie aangegeven dat deze extra middelen alleen beschikbaar mogen worden gesteld voor kk. uit Overijssel.

Het aantal aanmeldingen voor de ASS-groep is erg hoog, ook vanuit de overige aangrenzende provincies. Het is een kwalitatief goed aanbod. Een lange wachtlijst betekent lange wachttijden, niet bevorderlijk voor de kk. en ouders die het betreft.

V.w.b. de buitenregionale aanmeldingen wordt landelijk de zgn. IPO-regeling gehanteerd. Minder dan 10% van de capaciteit mag, indien goed gemotiveerd, gebruikt worden voor kk. van buiten de eigen provincie. Ook als het aanbod in de eigen provincie niet voorhanden is. In dit geval speelt dit een belangrijke rol. Dit aantal wordt bij Trias overschreden. De Flevolandse kk. komen dus vanwege deze regeling niet in aanmerking voor plaatsing. Worden ook niet op de wachtlijst geplaatst vanwege de lengte van deze lijst.

Ik heb overleg gehad met bovenstaande partners en het volgende voorstel gedaan:

1. De provincie Flevoland koopt voor 2 casussen zorg in bij Trias, betaalt dus de plaatsing. De IPO-regeling geeft hiertoe de mogelijkheid. Plaatsing met voorrang afhandelen.

2. Tegelijkertijd gaat de provincie in onderhandeling met zorgaanbieders uit de eigen regio om te onderzoeken of een gelijksoortig aanbod ook in Flevoland ontwikkeld kan worden. Voor een leefgroep zijn er onvoldoende vragen, gekeken zal worden naar een gezinshuis constructie. Bureau Jeugdzorg gaat in overleg met de zorgaanbieders om de mogelijkheden hiervoor te onderzoeken. Gezien het feit dat het psychiatrische problematiek betreft, kan bekostiging plaatsvinden vanuit het AWBZ-budget. Trias biedt die mogelijkheid niet omdat het provinciaal gefinancierde zorg is.

3. Indien de zorg niet ingekocht kan worden, wordt onderzocht of de zorg in Flevoland uitgevoerd kan worden, daarbij ondersteund door Trias.

4. De provincie Flevoland heeft aangegeven mondeling toegezegd mee te willen werken aan bovenstaande constructies. Officieel zal e.e.a. dan nog wel bevestigd moeten worden.

Ik ben momenteel in afwachting van het overleg dat plaats vindt tussen Bureau Jeugdzorg Overijssel en de provincie Overijssel m.b.t. punt 1.

Zodra ik iets meer weet zal ik u daarover berichten.

Groet,

Jan Moes, zorgbemiddelaar Bureau Jeugdzorg Flevoland”

2.9. In december 2006 heeft BJZ Flevoland de betrokken ouders, waaronder [eiseres], geïnformeerd over een gelijksoortig zorgaanbod in Flevoland. Aan [eiseres] is op

11 december 2006 de mogelijkheid voorgelegd om [minderjarige] te doen plaatsen in een nieuw te starten woongroep voor jongeren met PDD-NOS-problematiek bij Triade te Almere per januari/februari 2007. [minderjarige] stond hiervoor als eerste op de wachtlijst. [eiseres] heeft dit aanbod afgewezen.

2.10. Op 21 december 2006 heeft [eiseres] BJZ Flevoland en BJZ Overijssel -onder toezending van een concept-dagvaarding- gesommeerd tot plaatsing van [minderjarige] in de leefgroep op de Ambelt van Trias Jeugdhulp te Zwolle over te gaan.

2.11. Bij brief van 3 januari 2007 is hierop gereageerd door BJZ Flevoland. Ten eerste wordt gemeld dat het ingediende bezwaarschrift van 14 juli 2006 per abuis niet was doorgeleid naar de bezwaarcommissie en dat dit alsnog is gedaan. Ten tweede zijn in een bijlage de opmerkingen van J. Moes op de concept-dagvaarding weergegeven. Hij geeft daarbij -kort gezegd- aan dat BJZ Flevoland zich altijd heeft verzet tegen het buitenregionale plaatsingsbeleid bij Trias Jeugdzorg en de wijze waarop BJZ Overijssel dit ten uitvoer brengt. Moes geeft aan dat BJZ Flevoland inmiddels gekozen heeft voor ‘best practice’, te weten het realiseren van ASS-plaatsen in Flevoland, dit ook om plaatsing sneller te kunnen realiseren.

2.12. Bij brief van 18 januari 2007 is door BJZ Overijssel gereageerd op de concept-dagvaarding. Gemeld wordt dat de ASS-leefgroep van Trias Jeugdhulp niet valt onder de reguliere jeugdzorgdoeluitkering van het Rijk. Voor ASS-leefgroepen, zoals bij Trias Jeugdhulp, heeft provincie Overijssel eigen middelen vrijgemaakt. Hiervoor komen alleen kinderen uit Overijssel in aanmerking. Kinderen van buiten Overijssel worden niet in de ASS-leefgroep geplaatst.

2.13. In het behandelplan van [minderjarige] van Karakter van 8 februari 2007 staat als ontslagdatum vermeld: 31 mei 2007.

2.14. Op 5 februari 2007 heeft de raadsvrouw van [eiseres] telefonisch contact gehad met de heer P. Schultink, beleidsmedewerker Jeugdzorg bij provincie Flevoland. Schultink verzoekt de raadsvrouw van [eiseres] om toezending van het gehele dossier, omdat hij zal trachten alsnog een oplossing te creëren.

2.15. Op 6 februari 2007 heeft de raadsvrouw van [eiseres] het gehele dossier per fax toegestuurd aan de provincie Flevoland. In een begeleidende brief heeft [eiseres] het college van Gedeputeerde Staten van provincie Flevoland -onder toezending van een concept-dagvaarding- gesommeerd om [minderjarige] binnen 14 dagen te plaatsen in de leefgroep op de Ambelt van Trias Jeugdhulp, bij gebreke waarvan zij de provincie reeds voor alsdan in gebreke stelt.

2.16. Bij beschikking van 15 februari 2007 heeft de bezwaarcommissie van BJZ Flevoland het bezwaarschrift van 14 juli 2006 kennelijk ongegrond verklaard, omdat -kort gezegd- de bezwarencommissie alleen bevoegd is te oordelen over (de wijze van totstandkoming van) het indicatiebesluit, terwijl de bezwaren zien op de gebeurtenissen die zich hebben voorgedaan bij het tot gelding maken van de aanspraak op zorg.

2.17. Op 27 februari 2007 heeft de raadsvrouw van [eiseres] wederom telefonisch contact opgenomen met de heer Schultink van provincie Flevoland. Deze heeft aangegeven het dossier niet te hebben ontvangen. Bij controle bevestigt hij dat het goede faxnummer is gebruikt bij verzending van het dossier van 50 pagina’s op 6 februari 2007.

3. Het geschil

3.1. [eiseres] vordert samengevat - provincie Flevoland te veroordelen om zorg te dragen voor een onverwijlde plaatsing van [minderjarige] in de 24 uurs groep op de Ambelt van Trias Jeugdhulp te Zwolle, op straffe van een dwangsom.

[eiseres] stelt daartoe dat [minderjarige] aanspraak heeft op 24 uurs zorg voor de functies verblijf en zorg en dat het indicatiebesluit als zorgaanbieder adviseert de 24 uurs groep op de Ambelt van Trias Jeugdhulp te Zwolle. [eiseres] stelt dat de provincie Flevoland op grond van artikel 3 lid 7 van de Wet op de jeugdzorg ervoor zorg dient te dragen dat [minderjarige] deze aanspraak tot gelding kan maken. [minderjarige] ontvangt nog steeds niet de zorgverstrekking waarop hij ingevolge de indicatiestelling recht heeft. Deze niet nakoming van het indicatiebesluit door provincie Flevoland is onrechtmatig, als zijnde in strijd met het rechtszekerheidsbeginsel. [eiseres] wenst niet verder gedupeerd te worden door de bureaucratische perikelen tussen de Bureaus Jeugdzorg en/of provincies, waardoor de plaatsing tot op heden nog niet is geëffectueerd.

[eiseres] stelt spoedeisend belang te hebben bij het gevorderde, omdat [minderjarige] per 31 mei 2007 door zijn huidige instelling zal worden ontslagen, met als gevolg dat er geen enkele vorm van opvang meer voor handen is, laat staan een adequate behandeling.

De consequentie zal zijn, dat hij in huis bij [eiseres] komt wonen, hetgeen zeer schadelijke gevolgen zal hebben voor het gehele gezin.

3.2. Provincie Flevoland heeft zich primair verweerd met de stelling dat [eiseres] niet-ontvankelijk is in haar vordering op grond van het feit dat [eiseres] de aanspraak op jeugdzorg ingevolge artikel 3 lid 6 Wet op de jeugdzorg uitsluitend tot gelding kan brengen bij een zorgaanbieder die tot dat doel subsidie ontvangt van de provincie Flevoland. Trias Jeugdhulp te Zwolle is niet een dergelijke zorgaanbieder.

Subsidiair stelt provincie Flevoland dat de vordering dient te worden afgewezen, omdat het indicatiebesluit een recht op zorg biedt en geen recht op een zorgaanbieder. In het indicatiebesluit wordt Trias Jeugdhulp slechts als zorgaanbieder geadviseerd en niet meer dan dat.

Meer subsidiair stelt provincie Flevoland dat [eiseres] geen belang meer heeft bij het gevorderde, omdat er inmiddels een reëel alternatief in Flevoland beschikbaar is: Triade Almere.

Nog meer subsidiair stelt provincie Flevoland dat de vordering dient te worden afgewezen, omdat een toewijzend vonnis feitelijk niet uitvoerbaar zou zijn. Trias Jeugdhulp heeft bij herhaling aangegeven dat plaatsing vanwege een lange wachtlijst niet mogelijk is.

4. De beoordeling

4.1. Van het spoedeisend belang van [eiseres] is in voldoende mate gebleken.

4.2. [eiseres] vordert de provincie Flevoland te veroordelen om zorg te dragen voor onverwijlde plaatsing van [minderjarige] bij Trias Jeugdhulp te Zwolle. Zij legt aan haar vordering ten grondslag dat provincie Flevoland ingevolge de Wet op de jeugdzorg ervoor zorg dient te dragen dat [minderjarige] zijn aanspraak op de geïndiceerde zorg tot gelding kan brengen.

4.3. Alvorens te komen tot een inhoudelijke beoordeling van de vordering zal de voorzieningenrechter eerst aandacht besteden aan het systeem van de Wet op de jeugdzorg en de daaruit voortvloeiende verplichtingen voor de provincie.

4.4. In het systeem van de wet verkrijgt een cliënt een aanspraak op zorg door middel van een indicatiebesluit van een Bureau Jeugdzorg. De cliënt dient zijn aanspraak zelf tot gelding te brengen bij een zorgaanbieder. De provincie dient ervoor zorg te dragen dat de cliënt zijn aanspraak op zorg daadwerkelijk tot gelding kan brengen (artikel 3 lid 2 Wet op de jeugdzorg), oftewel zij dient ervoor te zorgen dat er binnen de provincie voldoende jeugdzorg wordt aangeboden.

Artikel 3 lid 7 Wet op de jeugdzorg bepaalt dat de cliënt zijn aanspraak -kort gezegd- ook tot gelding kan brengen bij een zorgaanbieder in een andere provincie, indien de cliënt is aangewezen op jeugdzorg die slechts kan worden geboden door een zorgaanbieder die zodanig gespecialiseerd is dat niet verwacht mag worden dat iedere provincie subsidie verstrekt voor deze zorg.

Dit artikel bepaalt voorts dat de provincie daartoe een overeenkomst dient aan te gaan met de provincie die aan die zorgaanbieder subsidie verstrekt.

4.5. Overwogen wordt dat zich in het onderhavige geval -althans ten tijde van het indicatiebesluit- de situatie voordoet als bedoeld in artikel 3 lid 7 Wet op de jeugdzorg. Vaststaat immers dat er ten tijde van het indicatiebesluit in de provincie Flevoland geen gespecialiseerde ASS-plaatsen voorhanden waren. In het indicatiebesluit is daarom de Ambelt in Zwolle geadviseerd, een instelling die is gespecialiseerd in 24 uurs zorg aan kinderen met een autistische stoornis.

Ingevolge artikel 3 lid 2 en lid 7 van de Wet op de jeugdzorg rust op provincie Flevoland de verplichting ervoor zorg te dragen dat [minderjarige] zijn aanspraak op deze gespecialiseerde zorg tot gelding kan brengen.

4.6. De vordering van [eiseres] is toewijsbaar indien met voldoende mate van zekerheid te verwachten is dat de bodemrechter -later oordelende- zal beslissen dat provincie Flevoland op grond van de feitelijke omstandigheden tekort geschoten is in de nakoming van haar verplichtingen uit hoofde van de Wet op de jeugdzorg.

4.7. Provincie Flevoland heeft zich primair op niet-ontvankelijkheid van [eiseres] beroepen op de grond dat [eiseres] de aanspraak op jeugdzorg ingevolge artikel 3 lid 6 Wet op de jeugdzorg uitsluitend tot gelding kan brengen bij een zorgaanbieder die tot dat doel subsidie ontvangt van provincie Flevoland en dus niet bij Trias Jeugdhulp, dat subsidie ontvangt van de provincie Overijssel.

4.8. Dit beroep gaat niet op. Provincie Flevoland miskent daarmee immers dat [eiseres] de aanspraak ingevolge artikel 3 lid 7 Wet op de jeugdzorg ook tot gelding kan brengen bij een zorgaanbieder die tot dat doel door een andere provincie dan die jegens welke zij aanspraak heeft, wordt gesubsidieerd, indien -zoals het onderhavige indicatiebesluit aangeeft- de cliënt is aangewezen op jeugdzorg die slechts kan worden geboden door een zorgaanbieder wiens aanbod gericht is op jeugdzorg die zodanig gespecialiseerd is dat niet verwacht mag worden dat iedere provincie subsidie verstrekt voor deze zorg.

4.9. Subsidiair verweert provincie Flevoland zich met de stelling dat het indicatiebesluit een recht op zorg biedt en geen recht op een zorgaanbieder. [eiseres] zou slechts aanspraak kunnen maken op het geïndiceerde zorgaanbod, maar niet op de geadviseerde zorgaanbieder.

4.10. De voorzieningenrechter is voorshands van oordeel dat, nu in het onderhavige geval de zorg slechts kan worden geboden door een zeer gespecialiseerde zorgaanbieder en het indicatiebesluit gemotiveerd is toegeschreven naar een specifieke zorgaanbieder, een redelijke uitleg van het indicatiebesluit meebrengt dat in casu tevens sprake is van een geïndiceerde zorgaanbieder. Dit verweer slaagt derhalve niet.

4.11. Meer subsidiair heeft provincie Flevoland gesteld dat [eiseres] geen belang meer heeft bij het gevorderde, nu er inmiddels een reëel alternatief in Flevoland voor handen is: Triade Almere.

4.12. Het standpunt van provincie Flevoland komt er op neer dat zij (lees: BJZ Flevoland) ter uitvoering van het indicatiebesluit aanvankelijk heeft getracht om [minderjarige] bij de Ambelt in Zwolle geplaatst te krijgen, maar dat zij -geconfronteerd zijnde met de lange wachtlijst en het beleid van BJZ Overijssel c.q. provincie Overijssel met betrekking tot buitenregionale plaatsingen- vanuit best practice gekozen heeft voor het ontwikkelen van een alternatief zorgaanbod in de eigen provincie.

In dat kader heeft de heer Schultink, beleidsmedewerker jeugdzorg bij provincie Flevoland, ter zitting verklaard dat er tussen de provincies een zgn. IPO-regeling geldt, inhoudende dat provincies 10% van hun capaciteit moeten benutten voor buitenprovinciale aanspraken. Volgens Schultink heeft BJZ Flevoland een beroep gedaan bij de provincie Overijssel op de IPO-regeling, maar heeft BJZ Overijssel geweigerd om [minderjarige] op de wachtlijst te plaatsen met als argument dat het 10%-segment vol zat en dat niet-Overijsselse kinderen niet in aanmerking kwamen voor plaatsing.

4.13. Naar het voorlopig oordeel van de voorzieningenrechter heeft de provincie met het gedane beroep op de IPO-regeling in beginsel voldaan aan de verplichting op grond van artikel 3 lid 7 van de Wet op de jeugdzorg. De voorzieningenrechter moet echter aannemen dat in de uitvoering van die afspraak iets niet goed is gegaan, in die zin dat [minderjarige] niet is geplaatst op de wachtlijst voor buitenprovincialen en dat ook geen zorgplaats bij de Ambelt voor [minderjarige] is ingekocht, maar dat in plaats daarvan gekozen is om een alternatief zorgaanbod in Flevoland te ontwikkelen.

4.14. De voorzieningenrechter overweegt dat volstrekt onduidelijk is gebleven waarop de weigering van BJZ Overijssel om [minderjarige] op de wachtlijst te plaatsen is gebaseerd. De bijlage bij de brief van BJZ Flevoland d.d. 3 januari 2007 wekt de indruk dat die weigering verband houdt met een eigen interpretatie door BJZ Overijssel van de Wet op de jeugdzorg, erop neerkomende dat elke buitenprovinciale aanmelding door BJZ Overijssel opnieuw beoordeeld en gefiatteerd dient te worden. Niet duidelijk is geworden welke pogingen BJZ Flevoland heeft ondernomen richting provincie Overijssel c.q. BJZ Overijssel om de aanspraak in het kader van de IPO-regeling alsnog af te dwingen. Uit de opmerkingen van Moes als bijlage bij de brief van BJZ Flevoland d.d. 3 januari 2007 blijkt dat BJZ Flevoland aanvankelijk een tweeledig voorstel richting BJZ Overijssel heeft gedaan, te weten enerzijds te bekijken of er vanuit Flevoland zorgplaatsen konden worden ingekocht bij Trias Jeugdhulp en anderzijds zelf een soortgelijk zorgaanbod binnen Flevoland te ontwikkelen. Niet duidelijk is geworden op welke gronden BJZ Flevoland omstreeks augustus 2006 vanuit zogenaamd ‘best practice’ gekozen heeft voor het ontwikkelen van een alternatief zorgaanbod binnen Flevoland, daarbij de andere optie, het inkopen van zorgplaatsen bij Trias Jeugdhulp, latend voor wat die was. Moes merkt daar -in zijn opmerkingen als bijlage bij de brief van BJZ Flevoland d.d. 3 januari 2007- slechts over op: “Gezien de hardnekkige weigering van BJZ Overijssel om tot een oplossing te komen en ook hun standvastige houding t.a.v. de procedure, heb ik mijn energie gericht op het 2e item, het snel in ontwikkeling brengen van een soortgelijk aanbod binnen Flevoland.”

Van pogingen van provincie Flevoland richting provincie Overijssel om de IPO-aanspraak af te dwingen is evenmin gebleken. Ook niet toen provincie Flevoland op 6 februari 2007 door [eiseres] door middel van toezending van de concept-dagvaarding rechtstreeks op de hoogte werd gesteld van de plaatsingsperikelen met betrekking tot [minderjarige]. Uit de brieven van provincie Flevoland d.d. 13 maart 2007 (productie 2 provincie Flevoland) blijkt dat provincie Flevoland ermee heeft volstaan bij BJZ Flevoland en Triade Almere te informeren welke inspanningen door BJZ Flevoland zijn ondernomen om mogelijkheden te creëren bij Triade Almere.

4.15. Nu de provincie Flevoland niet gemotiveerd heeft aangegeven waarom zij er niet voor heeft zorggedragen dat [minderjarige] conform het indicatiebesluit (op de wachtlijst) bij Trias Jeugdhulp in Zwolle is geplaatst, moet er voorshands vanuit worden gegaan dat provincie Flevoland tekortgeschoten is in de uitvoering van haar verplichting ex artikel 3 lid 2 en 7 van de Wet op de jeugdzorg. Hierbij gaat de voorzieningenrechter ervan uit dat er tevoren -in het kader van artikel 3 lid 7 Wet op de jeugdzorg- reeds afspraken bestonden met de provincie Overijssel over de subsidiëring. Anders zou dat betekenen dat BJZ Flevoland een indicatiebesluit heeft afgegeven voor (gespecialiseerde) zorg, die niet kon worden gerealiseerd.

4.16. Ingaande op het verweer van provincie Flevoland dat [eiseres] geen belang meer heeft bij het gevorderde, omdat de omstandigheden zijn gewijzigd, in die zin dat er inmiddels voor [minderjarige] een vergelijkbaar zorgaanbod voorhanden is in de eigen provincie (bij Triade in Almere), wordt als volgt overwogen.

4.17. Overwogen wordt dat provincie Flevoland c.q. BJZ Flevoland met de beoogde plaatsing van [minderjarige] bij Triade in Almere afwijken van het geldende indicatiebesluit. Naar het oordeel van de voorzieningenrechter heeft de provincie Flevoland onvoldoende gemotiveerd aangegeven waarom zij meent voorbij te kunnen gaan aan de aan dat besluit ten grondslag liggende argumenten. Blijkens het indicatiebesluit is plaatsing bij de Ambelt met name geadviseerd vanuit het belang dat [minderjarige] niet hoeft te wisselen van school, welke wisseling voor hem “uitermate onwenselijk” is. De provincie Flevoland heeft wel gesteld dat voorzien kan worden in taxivervoer, zodat [minderjarige] in Zwolle naar school kan blijven gaan, maar de voorzieningenrechter acht aannemelijk dat -zoals [eiseres] stelt- dit dagelijks heen en weer reizen voor een kind met een autistische stoornis te belastend is.

Reeds hierom is de voorzieningenrechter voorshands van oordeel dat plaatsing bij Triade Almere geen vergelijkbaar alternatief vormt. [eiseres] heeft wel degelijk belang bij het gevorderde.

Dit verweer kan de provincie Flevoland derhalve evenmin baten.

4.18. De voorzieningenrechter overweegt nog dat het schrijnend is te moeten constateren dat [minderjarige] tot op heden, 10 maanden na het indicatiebesluit, zijn aanspraak op zorg niet tot gelding heeft kunnen maken vanwege -naar het zich laat aanzien- bureaucratische perikelen tussen de Bureaus Jeugdzorg Flevoland en Overijssel en/of de provincies Flevoland en Overijssel. Het zou de verantwoordelijke bestuurders en/of functionarissen niet misstaan om nu de nodige daadkracht aan de dag te leggen om [minderjarige] alsnog (op de wachtlijst) bij Trias Jeugdhulp geplaatst te krijgen en om dan vervolgens met elkaar in overleg te treden om dit soort situaties voor de toekomst te voorkomen.

Conclusie

4.19. Gelet op het voorgaande is met voldoende mate van zekerheid te verwachten dat de bodemrechter -later oordelende- zal beslissen dat provincie Flevoland tekort geschoten is in de nakoming van haar verplichtingen uit hoofde van de Wet op de jeugdzorg.

De vordering

4.20. De vordering strekt ertoe dat [minderjarige] onverwijld wordt geplaatst in de 24 uurs zorggroep op de Ambelt van Trias Jeugdhulp te Zwolle, zulks op straffe van een dwangsom.

4.21. Provincie Flevoland heeft aangevoerd dat de vordering dient te worden afgewezen, omdat een toewijzend vonnis feitelijk niet uitvoerbaar zou zijn gelet op de lange wachtlijst bij Trias Jeugdhulp.

4.22. Dit verweer gaat niet op. Naar het oordeel van de voorzieningenrechter heeft [eiseres] voldoende aannemelijk gemaakt dat de wachtlijsten voor jeugdzorg in de provincie Overijssel zijn weggewerkt. In dit kader heeft [eiseres] een artikel in het geding gebracht dat door de provincie Overijssel begin januari 2007 zelf openbaar is gemaakt (productie 15 [eiseres]). Hierin wordt aangegeven dat de wachtlijsten in de jeugdzorg zijn weggewerkt. Mocht er desondanks nog wel sprake zijn van een wachtlijst bij Trias Jeugdhulp, dan is de voorzieningenrechter van mening dat de provincie Flevoland -gelet op de tijd die reeds verstreken is sinds het indicatiebesluit- zich tot het uiterste moet inspannen om [minderjarige] alsnog met voorrang op de wachtlijst te doen plaatsen.

4.23. De voorzieningenrechter overweegt dat het feit dat provincie Flevoland geen invloed kan uitoefenen op de capaciteit bij Trias Jeugdhulp zich verzet tegen toewijzing van de vordering in deze vorm. De voorzieningenrechter begrijpt de vordering aldus dat [eiseres] belang heeft bij een voorziening die ertoe leidt dat [minderjarige] alsnog met spoed op de wachtlijst wordt geplaatst bij Trias Jeugdhulp te Zwolle.

De voorzieningenrechter is van oordeel dat [eiseres] in haar belang wordt tegemoetgekomen door toewijzing van de vordering in die zin, dat provincie Flevoland veroordeeld wordt [minderjarige] alsnog te doen plaatsen op de wachtlijst van zorgaanbieder Trias Jeugdhulp te Zwolle, en wel op de plaats waar hij zou zijn terechtgekomen ten tijde van de eerste aanmelding, tenzij in een juridische procedure mocht komen vast te staan dat de weigering van BJZ Overijssel en/of provincie Overijssel en/of Trias Jeugdhulp om tot plaatsing van [minderjarige] op de wachtlijst over te gaan rechtmatig was.

4.24. De vordering zal derhalve worden toegewezen in na te melden zin.

4.25. De gevorderde dwangsom zal worden beperkt als volgt.

4.26. Provincie Flevoland zal als de grotendeels in het ongelijk gestelde partij in de proceskosten worden veroordeeld. De kosten aan de zijde van [eiseres] worden begroot op:

- dagvaarding EUR 84,31

- betaald vast recht 62,75

- in debet gesteld vast recht 188,25

- overige kosten 0,00

- salaris procureur 904,00

Totaal EUR 1.239,31

5. De beslissing

De voorzieningenrechter

5.1. veroordeelt provincie Flevoland om [minderjarige] binnen een week na betekening van dit vonnis te doen plaatsen op de wachtlijst van de 24 uurs zorggroep op de Ambelt van Trias Jeugdhulp te Zwolle, en wel op de plaats waar hij zou zijn terechtgekomen ten tijde van de eerste aanmelding, tenzij in een juridische procedure mocht komen vast te staan dat de weigering van BJZ Overijssel en/of provincie Overijssel en/of Trias Jeugdhulp om tot plaatsing van [minderjarige] op de wachtlijst over te gaan rechtmatig is geweest,

5.2. bepaalt dat provincie Flevoland voor iedere dag dat zij in strijd handelt met het onder 5.1 bepaalde, aan [eiseres] een dwangsom verbeurt van EUR 500,00, tot een maximum van EUR 100.000,00,

5.3. veroordeelt provincie Flevoland in de proceskosten, aan de zijde van [eiseres] tot op heden begroot op EUR 1.239,31, te voldoen aan de griffier door overmaking op rekeningnummer 1923.25.930 ten name van MvJ Arrondissement Zwolle onder vermelding van "proceskostenveroordeling" en het zaak- en rolnummer,

5.4. verklaart dit vonnis tot zover uitvoerbaar bij voorraad,

5.5. wijst het meer of anders gevorderde af.

Dit vonnis is gewezen door mr. F. Koster en in het openbaar uitgesproken op 4 april 2007.