Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBZLY:2007:BA1780

Instantie
Rechtbank Zwolle-Lelystad
Datum uitspraak
08-03-2007
Datum publicatie
28-03-2007
Zaaknummer
326250 CV 06-2114
Rechtsgebieden
Civiel recht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - enkelvoudig
Inhoudsindicatie

Kantonzaak wordt zaak voor civiele sector. Huurrecht, brandschade. Zoon verhuurt woning waarin later brand uitbreekt; illegale hennepkwekerij blijkt oorzaak. In eerder vonnis is vordering van zoon tegen huurder afgewezen. Nu procedeert vader als eigenaar, maar die is geen verhuurder

Wetsverwijzingen
Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering (geldt in geval van digitaal procederen)
Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering (geldt in geval van digitaal procederen) 71
Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering (geldt in geval van digitaal procederen) 93
Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
JHV 2007/111 met annotatie van CG
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK ZWOLLE – LELYSTAD

sector kanton – locatie Deventer

zaaknr.: 326250 CV EXPL 06-2114

datum : 8 maart 2007

Vonnis in de zaak van:

[EISER] ,

wonende te [woonplaats],

eisende partij,

gemachtigde mr. E.M. Horssius, werkzaam ten kantore van Krantz & Polak Resolve te 3430 BL Nieuwegein, Postbus 1498,

tegen

[GEDAAGDE],

wonende te [woonplaats],

gedaagde partij,

gemachtigde mr. H.H. van Steijn, advocaat te 7400 AP Deventer, Postbus 623.

De procedure

De kantonrechter heeft kennisgenomen van:

- de dagvaarding

- het antwoord van de gedaagde partij

- de nadere toelichting van partijen.

Het geschil

Eiser (hierna: [eiser]) vordert schadevergoeding wegens wanprestatie in het kader van een huurovereenkomst tussen partijen. Gedaagde (hierna: [gedaagde]) heeft de vordering gemotiveerd betwist.

De beoordeling

1.

[eiser] heeft zijn vordering gegrond op een huurovereenkomst tussen partijen betreffende de woning te [gemeente] aan [adres] (hierna: de huurovereenkomst, respectievelijk de woning). Hij heeft die vordering als volgt, kort samengevat, toegelicht.

Op 21 februari 2005 is in de woning brand uitgebroken. Daarna is door de politie geconstateerd dat in de woning een hennepplantage werd geëxploiteerd in verband waarmee onder meer illegaal stroom werd afgetapt. [gedaagde] is door de strafrechter in eerste aanleg veroordeeld voor betrokkenheid bij de exploitatie van die hennepplantage. De woning was verhuurd uitsluitend om te worden gebruikt als woonruimte. Door daarin een hennepplantage te exploiteren, en deze aldus (door de illegale stroomafname) bedrijfsmatig en gevaarzettend te gebruiken, is gedaagde toerekenbaar tekort geschoten in de nakoming van zijn verbintenis uit de huurovereenkomst en aansprakelijk voor de ontstane schade. Die schade becijfert [eiser] op

€ 40.776,90 terzake van herstelkosten (€ 31.295,- plus 3,2% jaarlijkse stijging conform de bouwindex), gederfde huur over 7 maanden na 1 maart 2005 (€ 4.900,-) en buitengerechtelijke incassokosten (€ 4.581,50 plus primair contractuele, subsidiair wettelijke vertragingsrente).

2.

[gedaagde] heeft de vorderingen betwist, kort samengevat als volgt.

[gedaagde] heeft bestreden dat tussen partijen een huurovereenkomst was gesloten omdat de huurovereenkomst in kwestie niet [eiser] maar diens zoon de heer [eiser] (hierna ook: de zoon) als verhuurder vermeldde. De vordering kan dan ook volgens [gedaagde] niet op (wanprestatie in het kader van) de huurovereenkomst zijn gegrond. Indien de vordering niet op de huurovereenkomst is gegrond is de sector kanton volgens [gedaagde] onbevoegd vanwege de hoogte van de vordering. Voorts bestrijdt hij enige bemoeienis met de in de woning aangetroffen hennepplantage en de daarin ontstane brand. Hij is weliswaar door de rechter in eerste aanleg veroordeeld voor betrokkenheid bij die hennepplantage maar tegen dat vonnis heeft hij hoger beroep ingesteld. Overigens heeft [eiser] geen concrete feiten of omstandigheden aangevoerd die een oorzakelijk verband leggen tussen zijn (beweerde) betrokkenheid bij de exploitatie van die hennepplantage en het ontstaan van de brand waardoor volgens [eiser] de gevorderde schade is veroorzaakt. In juli 2004 heeft [gedaagde] de huur van de woning in overleg met en met instemming van de zoon (en tegen contante betaling van € 1.000,-) aan een zekere [X] onderverhuurd. De schade is in belangrijke mate slechts “begroot”, en daarom niet toewijsbaar. De gevorderde huurderving is zonder grond want de huurovereenkomst betreffende de woning liep tot 1 april 2005, nog daargelaten dat [eiser] niet de verhuurder van [gedaagde] was. De buitengerechtelijke incassokosten zijn ten onrechte gevorderd omdat dat soort kosten in redelijkheid niet zijn gemaakt. Niet alleen ontbreekt een onderbouwing ervan maar ook is [gedaagde] rauwelijks gedagvaard. [eiser] heeft een aanzienlijke uitkering van zijn brandverzekeraar ontvangen, die hij ten onrechte niet in zijn schadeberekening heeft betrokken.

3.

Bij repliek heeft [eiser] de grondslag van zijn vordering nader onderbouwd door overlegging van een akte van cessie, opgemaakt tussen hem en de zoon, gedateerd 9 december 2006. Blijkens die akte heeft de zoon aan [eiser] overgedragen zijn op [gedaagde] “gepretendeerde” vordering “ten bedrage van minstens € 58.600,- o.g.v. een onrechtmatige daad/toerekenbare tekortkoming in de nakoming van de huurovereenkomst”. Hij heeft erop gewezen dat de vordering van de zoon tegen [gedaagde] op basis van de huurovereenkomst bij vonnis van deze sector kanton van 6 april 2006 is afgewezen omdat hij daartoe geen rechtsgrond heeft weten duidelijk te maken en ook onvoldoende aannemelijk heeft weten te maken dat de in die procedure gevorderde schade door hem was geleden. Vanwege dat oordeel heeft hij met de zoon de onderhavige akte van cessie opgemaakt. Hij heeft ontkend dat hij ooit heeft ingestemd met onderverhuur aan een derde (de door [gedaagde] gestelde [X]). De huur over december 2004 is door [gedaagde] nog contant (bijgesloten bij een door hem persoonlijk geschreven wenskaart in verband met de feestdagen) betaald. [eiser] heeft als eigenaar en verhuurder van de woning de gevorderde schade geleden. Als [gedaagde] het gebruik van de woning feitelijk aan derden heeft afgestaan blijft hij voor de gevolgen daarvan aansprakelijk. Door de strafrechtelijke veroordeling van [gedaagde] moet de bewijslastverdeling worden omgekeerd: er moet behoudens (door [gedaagde] te leveren) tegenbewijs van worden uitgegaan dat [gedaagde] als betrokkene bij de exploitatie van de hennepkwekerij schuld heeft aan het ontstaan van de brand(-schade).

Ten onrechte heeft [gedaagde] geweigerd om (relevante stukken uit) zijn dossier betreffende de tegen hem ingestelde vervolging aan [eiser] ter beschikking te stellen. [eiser] heeft weliswaar een uitkering van zijn brandverzekeraar ontvangen in verband met de onderhavige schade, maar hij zal die terugbetalen als [gedaagde] hem volledig schadeloos heeft gesteld, zodat die uitkering terecht niet in de berekening is betrokken.

4.

Bij dupliek heeft [gedaagde] zich erover beklaagd dat [eiser] zich voor wat betreft de grondslag van zijn vordering hult in vaagheden. De akte van cessie is volgens [gedaagde] een inhoudsloos stuk, omdat de door de zoon op [gedaagde] gepretendeerde vordering al door deze sector kanton in het genoemde vonnis van 6 april 2006 werd afgewezen. Ook in de repliek ontbreekt iedere feitelijke onderbouwing van de beweerde betrokkenheid van [gedaagde] bij de brandstichting in de woning. De overgelegde wenskaart en andere bij repliek overgelegde, en aan [gedaagde] als opsteller of afzender) toegeschreven stukken zijn niet van zijn hand. Hij weet niet van wie ze wel afkomstig zijn.

5.

5.1

Tussen partijen staat vast dat [gedaagde] de woning bij schriftelijk aangegane huurovereenkomst van 1 april 2004 (en door tussenkomst van een makelaar) heeft gehuurd van de zoon en dus niet van [eiser]. De zoon was toen en is nog steeds geen eigenaar van de woning. Uit de door [eiser] overgelegde stukken (meer speciaal de verklaring van de zoon tegenover de politie, als laatste stuk gevoegd bij prod. 10 bij repliek) blijkt dat hij (en zijn echtgenote) de woning op 22 januari 2004 hebben gekocht en volgens dat contract tot 1 juli 2007 de tijd hebben om te beslissen over al dan niet afnemen, in afwachting van een beslissing van de gemeente over de verlening van één of andere vergunning voor de bewoning (zo heeft de kantonrechter de niet echt heldere passage in die verklaring begrepen).

5.2

In het vonnis van deze sector kanton van 6 april 2006 is een vordering van de zoon tot vergoeding van de onderhavige schade, ook gebaseerd op de huurovereenkomst, afgewezen omdat, kort gezegd, de zoon niet duidelijk heeft kunnen maken krachtens welke titel hij tot verhuur van de woning aan [gedaagde] bevoegd was en evenmin of, en zo ja tot welk bedrag hij de gevorderde schade zelf had geleden.

5.3

De bij repliek overgelegde akte van cessie dient volgens [eiser] ertoe om de vordering van de zoon op [gedaagde] terzake van vergoeding van de onderhavige schade op grond van de huurovereenkomst op [eiser] over te dragen. Die akte (overeenkomst) is in zoverre inhoudsloos dat, zoals [gedaagde] terecht heeft aangevoerd, nu juist in voormeld vonnis van deze sector kanton van 6 april 2006 is geoordeeld dat de zoon uit hoofde van de huurovereenkomst geen vordering op [gedaagde] geldend kon maken. Niet is gesteld of gebleken dat tegen dat vonnis een rechtsmiddel is aangewend. Die beslissing is dan ook gezien de bij repliek geproduceerde akte van cessie in deze zaak voor partijen bindend gelet op het bepaalde in artikel 236, tweede lid, Rv..

6.

Partijen zijn het erover eens dat tussen hen nimmer een huurovereenkomst tot stand kwam. [eiser] kan zijn vordering mitsdien niet baseren op (wanprestatie in het kader van) de huurovereenkomst. Als grondslag resteert dan onrechtmatig handelen volgens het bepaalde in artikel 6:162 BW. Gezien de hoogte van de vordering is op die grondslag de sector kanton onbevoegd om van de vordering kennis te nemen. [gedaagde] heeft (weliswaar niet in de vorm van een bevoegdheidsincident en eerst bij dupliek) op die onbevoegdheid een beroep gedaan, maar de kantonrechter acht zich op de voet van artikel 71 Rv. ambtshalve gehouden tot verwijzing, zij het eerst nadat partijen zich daarover hebben kunnen uitlaten. De kantonrechter is daarom voornemens om de zaak, nadat partijen zich hebben kunnen uitlaten als hiervoor bedoeld, bij afzonderlijk vonnis te verwijzen naar de civiele sector van deze rechtbank (gezien artikel 103 Rv.) ter nadere afdoening, en wel in de stand waarin het geding zich bevindt, te weten de staat van vonniswijzing. Dat betekent dat beide partijen in dat geval op de nader op te geven rolzitting van die sector civiel bij procureur dienen te verschijnen en het door de rechter naar wie werd verwezen te bepalen verdere verloop van de procedure moeten afwachten.

De beslissing

De kantonrechter:

- verwijst de zaak naar de rol van donderdag 5 april 2007 te 10.15 uur teneinde aan partijen, eerst aan [eiser] en daarna aan [gedaagde], de gelegenheid te bieden om zich uit te laten over het voornemen van de kantonrechter om de zaak ambtshalve, op de voet van artikel 71, tweede lid, Rv. en in de staat van vonniswijzing waarin deze zich bevindt te verwijzen naar de civiele sector van deze rechtbank;

- houdt iedere verdere beslissing aan.

Aldus gewezen door mr. A.H. Canté, kantonrechter, en uitgesproken in de openbare terechtzitting van 8 maart 2007 in tegenwoordigheid van de griffier.