Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBZLY:2007:BA1608

Instantie
Rechtbank Zwolle-Lelystad
Datum uitspraak
08-03-2007
Datum publicatie
28-03-2007
Zaaknummer
335453 CV 06-3062
Formele relaties
Hoger beroep: ECLI:NL:GHARN:2009:BK5304, Bekrachtiging/bevestiging
Rechtsgebieden
Civiel recht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - enkelvoudig
Inhoudsindicatie

Kantonzaak, arbeidsongeval. Werkgeefster moet bewijzen dat zij haar zorgplicht is nagekomen.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK ZWOLLE – LELYSTAD

sector kanton – locatie Deventer

zaaknr.: 335453 CV EXPL 06-3062

datum : 8 maart 2007

Vonnis in de zaak van:

[EISERES],

wonende te [woonplaats],

eisende partij,

gemachtigde mr. H. de Jager, advocaat te 2700 LA Zoetermeer, Postbus 3020,

tegen

de besloten vennootschap LEEN BAKKER BV,

statutair gevestigd te Raamsdonkerveer en een nevenvestiging te Deventer,

gedaagde partij,

gemachtigde mr. R.H.J. Wildenburg, advocaat te 6824 BZ Arnhem, Velperweg 1.

De procedure

De kantonrechter heeft kennisgenomen van:

- de dagvaarding

- het antwoord van de gedaagde partij

- de nadere toelichting van partijen.

Het geschil

Eiseres (hierna: [eiseres]) vordert een verklaring van recht dat gedaagde (hierna: LBN) aansprakelijk is voor de letsel- en inkomensschade – nader te begroten bij staat – die het gevolg zijn van het ongeval dat haar ([eiseres]) in haar hoedanigheid van werkneemster van LBN op 23 november 2003 (gelet op de gedingstukken zal bedoeld zijn: 21 november 2003) is overkomen. Op de voet van artikel 223 Rv. vordert [eiseres] veroordeling van LBN tot betaling van een voorschot van € 10.000,- op de gevorderde schadevergoeding. Zij vordert tenslotte verwijzing van de zaak na vonnis naar een schadestaatprocedure en veroordeling van LBN in de proceskosten. LBN heeft de vordering gemotiveerd betwist.

De beoordeling

1.

Tussen partijen staat als gesteld en erkend dan wel niet (voldoende) betwist, mede op grond van de overgelegde en in zoverre niet bestreden bescheiden, het volgende vast:

a. [eiseres], thans [X] jaar oud, is op [datum] bij LBN in dienst getreden in de functie van kassamedewerkster.

b. Op 21 november 2003 is zij op haar werkplek gewond geraakt aan haar rechter arm en schouder, als gevolg waarvan zij in overleg met haar leidinggevende door een collega naar het ziekenhuis is vervoerd, alwaar zij vervolgens medisch is behandeld.

c. [eiseres] heeft zich als gevolg van deze verwonding ziek gemeld en heeft nadien haar werkzaamheden wegens arbeidsongeschiktheid niet meer hervat.

d. [eiseres] is na een jaar ziekte aansluitend voor 80 tot 100% arbeidsongeschikt in de zin van de WAO beoordeeld. In die beoordeling is tot op heden geen wijziging gekomen.

2.

[eiseres] heeft haar vordering als volgt, kort samengevat, toegelicht.

2.1

Op 21 november 2003 was zij in haar functie van kassamedewerkster werkzaam in het filiaal van LBN te Deventer, toen een klant assistentie verzocht op de afdeling bureau-artikelen. Na enige malen vergeefs via het omroepsysteem om assistentie van een collega te hebben verzocht heeft zij uiteindelijk de inmiddels duidelijk geïrriteerde klant zelf geholpen. Daarbij moest zij een bouwpakket van een klein model bureau met een aanzienlijk gewicht van een ongeveer twee meter hoge stelling afhalen. Zij heeft vervolgens gezocht naar een trap om die manoeuvre uit te voeren, maar die bleek niet te vinden. Daarop is zij op de stelling gaan staan en heeft zij het pakket van zijn plaats geschoven, waarbij dat opeens naar beneden viel en haar armen raakte die daardoor naar achteren klapten. Zij voelde iets knappen in haar rechterarm. Haar hand en pols werden snel dik en blauw.

2.2

In overleg met de filiaalleider is zij toen door een collega naar het ziekenhuis gebracht. Daar is zij door een arts behandeld. Zij hield pijnklachten en daarnaast gevoelloosheid en beperkt gebruik van de ringvinger en de pink van de rechterhand. Aanvankelijk kreeg zij alleen rust voorgeschreven, later een gipsverband gedurende anderhalve week. Een duidelijke diagnose bleek moeilijk te stellen. Uit een EMG onderzoek zijn een zenuw- of spierbeschadiging en een spier- en schouderkapletsel gebleken. Pijnbestrijding bleek niet effectief.

2.3

Op 13 december 2004 is zij op verzoek van de verzekeringsarts J.P.G.A. Kurris, medisch adviseur van de verzekeringsmaatschappij RVS Verzekeringen, gekeurd door de arts J. de Graaf, als neuroloog verbonden aan de Isala klinieken, locatie Sophia, te Zwolle. De diagnose van laatst genoemde in zijn rapport van dat onderzoek luidt dat bij [eiseres] sprake is van een complex regionaal pijnsyndroom rechterarm na overstrekkingsletsel pols en waarschijnlijk ook plexus brachialis door een ongeval op 21 november 2003”.

Hij heeft in die rapportage ook verklaard: “De huidige toestand kan worden beschouwd als een rechtstreeks en uitsluitend ongevalsgevolg. Onderzochte voldoet aan de criteria zoals gesteld op blz. 36 van de Nederlandse Richtlijnen voor de bepaling van functieverlies bij neurologische aandoeningen. Op grond van tabel 4 op blz. 28 van genoemde richtlijn is er sprake van 8% functieverlies voor de gehele mens”.

2.4

Na het ongeval op 21 november 2003 is zij arbeidsongeschikt geworden en, na 52 weken wachttijd, tot op heden onafgebroken en volledig arbeidsongeschikt geoordeeld in de zin van de WAO. Haar WAO uitkering is belangrijk lager dan het salaris dat zij in dienst van LBN verdiende, zodat zij inkomensschade heeft geleden en nog lijdt. Daarnaast maakt zij aanspraak op smartengeld. Zij meent dat nog geen zicht bestaat op een medische eindtoestand maar verwacht op termijn aangewezen te zijn op betaalde huishoudelijke hulp.

2.5

[eiseres] acht op grond van al deze feiten en omstandigheden aangetoond dat het ongeval waarvan zij thans de nadelige gevolgen ondervindt haar in de uitoefening van haar functie in dienst van LBN is overkomen en dat LBN voor die gevolgen aansprakelijk is omdat zij haar zorgplicht ingevolge artikel 7:658 BW niet is nagekomen.

2.5

Subsidiair baseert [eiseres] de aansprakelijkheid van LBN op artikel 7:611 en 6:162 BW. Zij vordert vaststelling van de aansprakelijkheid en de schadevergoedingsplicht van LBN en verwijzing van de zaak naar een schadestaatprocedure voor de vaststelling van de omvang van de schade. Als voorlopige voorziening in de zin van artikel 223 Rv. vordert zij een voorschot op de vast te stellen (immateriële en materiële) schadevergoeding ad € 10.000,-.

3.

LBN heeft de vordering betwist, kort samengevat als volgt.

3.1

Zij is niet de werkgeefster van [eiseres]. Werkgeefster is Leen Bakker Nederland B.V., en dat is dezelfde vennootschap die eerder Leen Bakker B.V. heette. Primair dient op deze grond de vordering reeds dadelijk te worden afgewezen.

3.2

Subsidiair heeft [eiseres] niet aangetoond dat zij bij de uitoefening van haar werkzaamheden (het gestelde) letsel heeft opgelopen. De klachten waarop zij doelt bestonden al voorafgaande aan het door haar beschreven ongeval omdat uit een Arbo-registratie rond die datum blijkt dat zij kort vóór het ongeval haar werk had verzuimd en een arts had geraadpleegd in verband met klachten over haar bewegingsapparaat. [eiseres] heeft ten onrechte nagelaten haar volledige medische dossier van zowel vóór als na het ongeval over te leggen waardoor een juiste beoordeling onmogelijk is. De medische rapportage van de neuroloog De Graaf heeft voor deze procedure geen waarde omdat zij is opgesteld zonder dat LBN daarbij betrokken is geweest.

3.4

LBN heeft voorts bestreden dat zij is tekortgeschoten in haar zorgplicht ingevolge artikel 7:658 BW.

3.5

Zij meent dat de subsidiaire grondslagen van de vordering ex artikel 7:611 en 6:162 BW zich oplossen in een oordeel over aansprakelijkheid volgens artikel 7:658 BW en dat de kantonrechter overigens niet bevoegd is om in dit geval een oordeel te geven op de grondslag van artikel 6:162 BW.

3.6

Voor verwijzing naar de schadestaatprocedure bestaat onvoldoende aanleiding omdat het ongeval inmiddels ruim drie jaar geleden heeft plaats gevonden en er dus sprake moet zijn van een eindtoestand zodat de beoordeling van de schade zeer wel in de huidige procedure kan geschieden.

3.7

Er zijn geen buitengerechtelijke incassokosten gemaakt zodat die ook niet toewijsbaar zijn. De kosten waarop [eiseres] doelt zijn gemaakt voor ondersteuning bij de instructie van de procedure.

3.8

Voor toekenning van een voorschot op een schadevergoeding bestaat onvoldoende grond. Subsidiair is het gevorderde bedrag van het voorschot te hoog, vooral gelet op de beweerde immateriële schade.

4.

Bij repliek heeft [eiseres] nog in het geding gebracht het behandeloverzicht van haar huisarts over de periode van 1 oktober 2003 tot en met 15 april 2004. Op grond daarvan concludeert zij dat de Arbo-registratie waarop LBN zich bij antwoord heeft gebaseerd op een misverstand moet berusten nu in het overgelegde behandeloverzicht niets is terug te vinden van klachten van [eiseres] over haar bewegingsapparaat voorafgaande aan het ongeval op 21 november 2003 en daarna wel.

5.

Bij dupliek heeft LBN haar bij antwoord reeds uitvoerig toegelichte standpunt in overwegende mate herhaald. Opvallend is wel dat LBN bij antwoord (sub 111), waar het gaat om betwisting van schade als gevolg van verlies aan verdienvermogen, heeft verdedigd dat [eiseres] over diverse mogelijkheden beschikt om gedurende een gehele werkdag te functioneren, en bij dupliek, waar het gaat om de klacht van [eiseres] dat LBN zich onvoldoende heeft ingespannen voor haar reïntegratie, opeens (onder 74) het tegendeel lijkt te verdedigen.

6.

Het primaire verweer faalt. LBN heeft zelf aangevoerd dat de in de dagvaarding ter aanduiding van de gedaagde partij gebruikte naam tot 13 januari 2003 haar statutaire naam was en uit de dagvaarding blijkt dat die ten kantore van haar advocaat is uitgebracht. Bij die stand van zaken is evident dat Leen Bakker Nederland B.V. geen moment in onzekerheid kan hebben verkeerd over de vraag voor wie de dagvaarding bedoeld kan zijn geweest. Zo zij daarover zelf in redelijkheid al had kunnen twijfelen zou haar advocaat haar na in ontvangstneming van de dagvaarding onmiddellijk uit de droom hebben geholpen. De kantonrechter acht het van weinig tact getuigen om in de gegeven omstandigheden en in een procedure als de onderhavige een op voorhand kansloos verweer als dit te voeren.

7.

Met LBN is de kantonrechter van oordeel dat de artikelen 7:611 en 6:162 vergeefs als grondslagen voor de onderhavige vordering zijn voorgedragen omdat die grondslagen zich oplossen in het oordeel op grond van artikel 7:658 BW. Anders gezegd: als de vordering op grond van 7:658 BW, als “lex specialis”, wordt afgewezen is niet denkbaar dat zij op één van de andere gronden (elk in vergelijking een “lex generalis”) zou worden toegewezen.

8.

LBN heeft de door [eiseres] in de dagvaarding beschreven toedracht van het haar op 21 november 2003 op haar werkplek in de vestiging van LBN te Deventer overkomen ongeval niet bestreden. Daardoor staat vast dat [eiseres] op 21 november 2003, nadat een zwaar pakket op haar armen was gevallen, naar het ziekenhuis is vervoerd om zich onder doktersbehandeling te stellen en dat zij nadien door arbeidsongeschiktheid haar werk niet meer heeft kunnen hervatten, zelfs tot op heden onafgebroken volledig arbeidsongeschikt is geweest in de zin van de WAO. Ook staat aldus vast dat [eiseres] vanaf het moment dat zij alleen nog een uitkering ingevolge de WAO ontving in ieder geval inkomensschade heeft geleden. Anders dan LBN meent heeft [eiseres] aldus voldaan aan de op haar als eiseres in het kader van een vordering krachtens artikel 7:658, tweede lid, BW rustende stelplicht.

9.

Nu als vaststaand is aangenomen dat [eiseres] als gevolg van een haar tijdens haar functievervulling op de werkvloer van LBN overkomen ongeval schade heeft geleden rijst de vraag of LBN voor die schade aansprakelijk is en dus of zij haar zorgplicht ingevolge artikel 7:658, eerste lid, BW is nagekomen. [eiseres] heeft aangevoerd dat LBN daarmee in gebreke is gebleven, met name omdat zij er niet voor heeft gezorgd dat voor het behandelen van zware winkelproducten die hoog in stellingen opgeslagen liggen voldoende collegiale assistentie en/of hulpmiddelen, zoals een trap, beschikbaar waren. LBN heeft dat bestreden en mag aldus bewijzen dat zij op 21 november 2003 haar voormelde zorgplicht ten opzichte van [eiseres] is nagekomen.

10.

Totdat de uitkomst van de bewijslevering bekend is wordt iedere verdere beslissing aangehouden.

De beslissing

De kantonrechter:

- stelt LBN in de gelegenheid te bewijzen dat zij de krachtens artikel 7:658, eerste lid, BW op haar rustende zorgplicht ten opzichte van [eiseres] op 21 november 2003 is nagekomen;

- bepaalt voorts het navolgende:

Voor overlegging van schriftelijk bewijs wordt de zaak aangehouden tot de zitting van donderdag 22 maart 2007 te 10.15 uur. Indien LBN bewijs door getuigen wil leveren, moet dat voor of uiterlijk op die zitting schriftelijk aan de sector kanton worden meegedeeld met opgave van het aantal getuigen dat zal worden voorgebracht.

LBN wordt er uitdrukkelijk op gewezen dat uiterlijk zeven dagen voor het verhoor ook aan de tegenpartij de namen en woonplaatsen van de getuigen moeten worden opgegeven.

Als partijen wensen dat met hun verhinderdata rekening wordt gehouden, zullen zij die eveneens voor of uiterlijk op die zitting schriftelijk dienen op te geven. Vervolgens zal dan worden bepaald wanneer het getuigenverhoor zal plaatsvinden.

Het getuigenverhoor zal worden gehouden in het gerechtsgebouw te Deventer, Brink 12;

- houdt iedere verdere beslissing aan.

Aldus gewezen door mr. A.H. Canté, kantonrechter, en uitgesproken in de openbare terechtzitting van 8 maart 2007 in tegenwoordigheid van de griffier.