Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBZLY:2007:AZ9883

Instantie
Rechtbank Zwolle-Lelystad
Datum uitspraak
22-02-2007
Datum publicatie
05-03-2007
Zaaknummer
337042 CV 06-3216
Rechtsgebieden
Civiel recht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - enkelvoudig
Inhoudsindicatie

kantonzaak, arbeidsovereenkomst. Ontslag op staande voet houdt stand in bodemprocedure. Psychische gesteldheid rechtvaardigt niet alles.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Prg. 2007, 70
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK ZWOLLE – LELYSTAD

sector kanton – locatie Deventer

zaaknr.: 337042 CV 06-3216

datum : 22 februari 2007

Vonnis in de zaak van:

de heer [EISER],

wonende te [woonplaats],

eisende partij, verder te noemen: “[eiser]”,

gemachtigde mr. T. Volckmann, advocaat te Deventer,

toevoeging aangevraagd.

tegen

de besloten vennootschap BONAR PLASTICS B.V.,

gevestigd te Deventer,

gedaagde partij, verder te noemen: “Bonar”,

gemachtigde mr. W.L. Harenberg, advocaat te Deventer.

De procedure

De kantonrechter heeft kennisgenomen van:

- de dagvaarding d.d. 20 oktober 2006,

- het antwoord van Bonar,

- de repliek van [eiser] en

- de dupliek van Bonar.

Het geschil

De vordering van [eiser] strekt ertoe dat de kantonrechter bij vonnis, voor zover mogelijk uitvoerbaar bij voorraad:

I. zal verklaren voor recht dat [eiser] tijdig een beroep heeft gedaan op de nietigheid van het hem verleende ontslag;

II. Bonar zal veroordelen om binnen vierentwintig uur na het in dezen te wijzen vonnis [eiser] zal toelaten tot haar bedrijf en hem daar in de gelegenheid te stellen de overeengekomen werkzaamheden te verrichten, op verbeurte van een dwangsom van € 500,00 voor iedere dag of een gedeelte van een dag dat Bonar in gebreke blijft daaraan te voldoen;

III Bonar zal veroordelen om aan [eiser] te betalen:

- € 7.167,77 bruto aan loon over de periode van 21 juni 2006 tot 20 oktober 2006;

- € 1.807,00 bruto aan loon per maand vanaf 20 oktober 2006 tot het moment waarop de arbeidsovereenkomst rechtsgeldig beëindigd zal zijn;

- € 573,42 bruto aan vakantiebijslag over de periode van 21 juni 2006 tot 20 oktober 2006, te vermeerderen met de vakantiebijslag van 8% over het brutoloon over de toekomstige periode vanaf 21 oktober 2006 tot het moment waarop de arbeidsovereenkomst rechtsgeldig beëindigd zal zijn;

- de wettelijke verhoging ex artikel 7:625 BW over alle gevorderde bedragen;

- de wettelijke rente over voormelde bedragen vanaf 21 juni 2006, voor zover opeisbaar op het tijdstip van dagvaarden, en vanaf het tijdstip van opeisbaarheid, voor zover de bedragen na het tijdstip van dagvaarden opeisbaar zijn geworden;

met veroordeling van Bonar in de kosten van de procedure.

Daartegen heeft Bonar verweer gevoerd met conclusie dat de vorderingen van [eiser] zullen worden afgewezen, met zijn veroordeling bij vonnis uitvoerbaar bij voorraad in de kosten van de procedure.

De vaststaande feiten

Tussen partijen staat als gesteld en erkend dan wel niet (voldoende) betwist, mede op grond van de overgelegde en in zoverre niet bestreden bescheiden, het volgende vast.

a. [eiser], geboren op [datum], is op [datum] in dienst getreden bij Bonar, destijds handelende onder de naam van “Fusion Kunststoffen”. Laatstelijk is hij werkzaam geweest als rotatiegieter tegen een salaris van € 1.807,00 bruto per maand exclusief 8% vakantiebijslag en andere emolumenten op basis van een omvang van 36 uur per week. Op de arbeidsovereenkomst is toepasselijk de CAO voor Fusion Kunststoffen B.V.

b. [eiser] heeft zich op 11 december 2005 wegens psychische klachten bij Bonar voor de nachtdienst arbeidsongeschikt gemeld.

c. De bedrijfsarts heeft [eiser] daarop volledig arbeidsongeschikt bevonden. Het RIAGG heeft hem een opname geadviseerd. [eiser] heeft dit advies niet opgevolgd doch is wel overgegaan tot een ambulante behandeling van zijn klachten.

d. Bij brief van 14 december 2005 is [eiser] door Bonar aangesproken dat hij zich niet heeft gehouden aan de gestelde regels omtrent ziekteverzuim door zijn ziekteverzuim niet juist door te geven en dat hij zich niet houdt aan de afspraken omtrent bereikbaarheid. In die brief is tevens verwoord dat hij in 2005 al meermalen mondeling is aangesproken op het zich niet houden aan deze regels zodat zij thans als sanctie één dag aan salaris zal inhouden.

e. In overleg met de bedrijfsarts is een in uren opbouwend schema opgesteld voor hervatting in passende werkzaamheden ingaande week 9, welk schema wegens ontstane rugklachten in week 12 is aangepast en verlengd. In een memo van 31 maart 2006 heeft de bedrijfsarts verwoord in te schatten dat [eiser] in week 16 ofwel per medio april 2006 volledig hervat zal kunnen hebben in passende werkzaamheden.

f. [eiser] is op 3 mei 2006 gezien door de bedrijfsarts die heeft geconcludeerd dat het “weer beter gaat” en dat [eiser] weer in volledige uren werkt. De bedrijfsarts heeft daarover aan Bonar bericht: “Bij uw werknemer is nog steeds sprake van verminderde arbeidsongeschikt-heid als gevolg van psychische en fysieke klachten. (..) Uw werknemer wordt nog steeds professioneel behandeld voor zijn klachten. Ik heb uw werknemer een brief meegegeven voor het opvragen van medische informatie bij zijn behandelaar. Als ik deze informatie ontvangen heb zal ik u opnieuw van advies voorzien. Mijn advies is dan ook om uw werknemer zijn huidige passende werkzaamheden voorlopig te laten blijven uitvoeren.”

g. Bij brief van 11 mei 2006 heeft Bonar aan [eiser] bericht dat zij heeft vernomen dat hij niet is verschenen op de oproep van de bedrijfsarts voor 19 april 2006 en dat dit een herhaalde overtreding betreft zodat zij twee dagen van [eiser]s ziekengeld zal inhouden. In die brief is voorts verwoord dat [eiser] inmiddels de regels omtrent ziekteverzuim op diverse wijzen heeft overtreden zodat zij hem ervoor waarschuwt dat bij een eerstvolgende waarschuwing over zal worden gegaan tot een ontslag op staande voet.

h. Bij brief van 16 mei 2006 heeft Bonar aan [eiser] bericht dat op de ochtend van 15 mei 2006 tussen hem en de verzuimbegeleidster van Salland Verzuimdiensten is besproken dat [eiser] die dag om 22.00 uur op basis van arbeidstherapie zijn werkzaamheden zou hervatten doch dat [eiser] zonder afmelding niet is verschenen. Bonar heeft daarop verwoord dat zij aan deze overtreding het gevolg verbindt van een opschorting van de loonbetaling en tot slot dat bij een herhaling een ontslag op staande voet niet is uitgesloten.

i. Bij brief van 15 juni 2006 heeft Bonar het volgende aan [eiser] bericht: “(..) In (..) brieven hebben wij u reeds meerdere malen aangegeven dat u de regels ten aanzien van ons arbeidsongeschiktheidsbeleid overtreedt. Deze brieven zijn nog slechts een beperkte weergave van hetgeen er in de werkelijkheid in de afgelopen periode is gebeurd. In de afgelopen week heeft u wederom duidelijk laten zien dat er met u geen afspraken zijn te maken:

? Op 06-06 vangt u uw nachtdienst om 22.00 uur aan en na 4 uur arbeidstherapeutisch werk gaat u naar huis.

? Op 07-06 komt u, zonder berichtgeving, niet voor uw werkzaamheden.

? Op 08-06 heeft u contact met [A], Sallandverzuimdienst, en deelt u haar mee dat u na uw dienst van 06-06 door uw leidinggevende naar huis bent gestuurd. Navraag bij uw leidinggevende levert echter niets op, u bent gewoon zelf naar huis gegaan en uw leidinggevende heeft u niet naar huis gestuurd. Mw. [B] geeft u de opdracht nog dezelfde avond contact met u leidinggevende op te nemen om nadere afspraken te maken over werkhervatting.

? Op 08-06 heeft u contact met u leidinggevende en spreekt af dat u op maandag 12-06 om 14.00 uur uw werkzaamheden weer zult hervatten.

? Op 12-06 u bent zonder berichtgeving niet op uw werk verschenen.

? Op 12-06 heeft vervolgens de heer [C], productieleider, getracht u te bereiken. Met uw vriendin is de afspraak gemaakt dat u ’s middags terug zou bellen. Dit is echter nooit gebeurd.

? Op 13-06 heeft de heer [D] wederom getracht contact met u op te nemen. U nam de telefoon niet op en hij heeft een voice-mail achtergelaten met het verzoek om een afspraak te maken.

? Op 13-06 belt u laat in de avond de heer [D] en maakt u de afspraak om de volgende dag om 12.00 uur naar Bonar Plastics te komen.

? Op 14-06 om 12.00 uur bent u zonder bericht niet verschenen. Eerst om 13.00 uur neemt u telefonisch contact op met de heer [D]. Het gesprek vindt uiteindelijk om 13.45 uur alsnog plaats.

? In dit gesprek heeft de heer Schothans aangegeven dat u zeer onbetrouwbaar bent in het maken van afspraken en dat dit niet meer wordt geaccepteerd. Hierbij is verwezen naar voorgaande brieven, gesprekken en hetgeen in de afgelopen week is gebeurd.’

Vooralsnog is er onvoldoende komen vast te staan dat uw afwezigheid sedert 06-06 geoorloofd is omdat u zich wederom niet aan de voorschriften heeft gehouden en uw ziekte dus niet is vastgesteld. Dit houdt in dat wij uw loondoorbetaling vanaf 6 juni zullen opschorten. Voor de duidelijkheid: over de periode 6 juni t/m 16 juni ontvangt u geen salaris.

Wij gaan er vanuit dat u op maandag 19 juni a.s. uw arbeidstherapeutische werkzaamheden op de gebruikelijke wijze zult hervatten. Uw dienst start om 06.00 uur.

Wij wijzen u er nogmaals op dat indien u zich bij voortduring niet houdt aan de afspraken van het arbeidsongeschiktheidsbeleid wij over zullen moeten gaan tot het nemen van verstrekkende maatregelen waarbij een ontslag op staande voet niet is uitgesloten. U kunt deze brief zien als de allerlaatste waarschuwing (..).”

j. Bij brief van 21 juni 2006 heeft Bonar aan [eiser] het volgende bericht: “(..) Inmiddels bent u op korte termijn bij herhaling uw afspraken met de onderneming niet nagekomen. Ook vandaag en gisteren hebben wij moeten constateren dat u wederom geen blijk geeft van enig verantwoordelijkheidsgevoel richting ons als werkgever.

- Gisteren bent u in overleg met direct leidinggevende vertrokken van het werk om 09.46 uur (ivm aantoonbare privé afspraken om 10.00 uur en om 10.45 uur) hierin is door u gezegd dat u na de afspraken op dezelfde dag nog uw werkzaamheden zou hervatten. U bent niet teruggekomen (tegen afspraak en toezegging in) noch hebben wij als bedrijf een melding van verhindering gehad;

- Heden 21 juni 2006 werd u weer verwacht om 06.00 uur, echter ontvingen we pas om 05.35 uur een bericht via uw vriendin dat u niet kan komen. De afspraak, welke juist vorige week in het gesprek met zowel u als uw vriendin nog eens herhaald is (nl. minimaal 2 uur voor aanvang dienst de leidinggevende informeren) bent u wederom niet nagekomen. Bovendien dient u zelf de berichtgeving te verzorgen en niet uw vriendin.

De in deze brief opgegeven redenen, alsmede in vorige correspondentie en mondelinge mededelingen genoemde tekortkomingen, zijnde ieder afzonderlijk, als mede in onderlinge samenhang voor Bonar (..) redenen u op staande voet te ontslaan. De maat is nu vol. Bonar (..) is nu overgegaan tot de maatregel waarvoor zij u meerdere malen heeft gewaarschuwd. (..)”

k. Bij brief van 24 juni 2006 heeft [eiser] tegen het aan hem gegeven ontslag geprotesteerd, de vernietigbaarheid daarvan ingeroepen en dat hij volgens de afspraken gemaakt met de bedrijfsarts beschikbaar blijft om op arbeidstherapeutische basis werkzaamheden te verrichten, waarna [eiser] aanspraak heeft gemaakt op de doorbetaling van loon.

l. In reactie op de brief van 24 juni 2006 heeft Bonar aan [eiser] bij brief van 27 juni 2006 om een toelichting gevraagd, op welke brief niet door of namens [eiser] is gereageerd.

De standpunten van partijen

[eiser] heeft aan zijn vordering ten grondslag gelegd - samengevat - dat Bonar hem op 21 juni 2006 zonder deugdelijke grond met onmiddellijke ingang heeft ontslagen, zodat dat ontslag nietig is en Bonar gehouden is om zijn salaris met bijkomende vergoedingen door te betalen. Vanwege de bij hem bestaande psychische problematiek en het overheersende karakter daarvan kon hij niet geacht worden de verantwoordelijkheid voor zichzelf te dragen en de consequenties van zijn handelen en beslissingen te overzien. De ernst van het een en ander is noch door Bonar noch door de bedrijfsarts onderkend. Aan [eiser] hadden dan ook geen stringente eisen mogen worden gesteld als het gaat om gemaakte afspraken. Nu het verzuim dienaangaande in rechtstreeks verband staat met zijn arbeidsongeschiktheid was er geen reden voor ontslag op staande voet voor Bonar, aldus [eiser].

Bonar heeft de vordering bestreden en daartoe - samengevat - aangevoerd dat zij vanwege de herhaalde overtreding van de controlevoorschriften en herhaalde ongeoorloofde afwezigheid [eiser] op goede grond heeft ontslagen. Daarnaast kan hij niet in zijn vordering tot doorbetaling van loon worden ontvangen omdat hij geen deskundigenoordeel van het UWV heeft overgelegd hetgeen subsidiair leidt tot niet-ontvankelijkheid. Uiterst subsidiair acht Bonar het in strijd met het goed werknemerschap althans naar maatstaven van redelijkheid en billijkheid onaanvaardbaar dat zij het volledige loon met rente en verhoging verschuldigd zou zijn omdat [eiser] haar maandenlang in het duister heeft doen tasten naar de redenen van het door hem gestelde onvermogen om voorschriften na te leven en passende arbeid te verrichten. Onaanvaardbaar is tot slot om na een periode van bijna zes maanden aan stilzwijgen rauwelijks een hervatting te vorderen op straffe van een dwangsom, aldus Bonar.

De beoordeling

1.

Tussen partijen is in debat of [eiser] gerechtigd is tot zijn salaris over de periode vanaf 21 juni 2006.

Dit hangt allereerst af van het antwoord op de vraag of het op 21 juni 2006 aan [eiser] gegeven ontslag op staande voet stand houdt.

2

De kantonrechter stelt voorop dat aan een ontslag op staande voet hoge eisen moeten worden gesteld. Er moet niet alleen beoordeeld worden of er sprake is van een dringende reden, dat ontslag moet ook onverwijld worden gegeven, onder gelijktijdige mededeling van die reden.

Of er een dringende reden is, hangt af van de aard en de ernst van de reden en van de overige omstandigheden van het geval, zoals de aard en de duur van het dienstverband, de wijze waarop de werknemer daaraan invulling heeft gegeven en zijn persoonlijke omstandigheden, waaronder de gevolgen voor de werknemer van dat ontslag.

Als regel van bewijslastverdeling bij een arbeidsverhouding geldt dat de bewijslast voor het bestaan van een dringende reden, de onverwijldheid van het gegeven ontslag en het gelijktijdig meegedeeld hebben van die reden in beginsel op de werkgever rust.

3.

Uit de hierboven in de vaststaande feiten sub j. weergegeven inhoud van de brief van 21 juni 2006 waarbij Bonar [eiser] met onmiddellijke ingang heeft ontslagen, blijkt dat de herhaalde overtreding door [eiser] van Bonars voorschriften betreffende controle bij ziekteverzuim van 21 juni 2006 en diens ongeoorloofde afwezigheid tijdens het laatste deel van zijn dienst op 20 juni 2006 door Bonar als grond voor dat ontslag is gegeven.

4.

[eiser] heeft die aan zijn adres gemaakte verwijten noch de verwijten zoals opgenomen in de hierboven weergegeven brieven van 14 december 2005, 11 mei 2006, 16 mei 2006 en 15 juni 2006 inhoudelijk weersproken zodat de kantonrechter van de juistheid van die verwijten uitgaat. [eiser] heeft evenmin weersproken dat hij voor 21 juni 2006 wegens eerdere overtredingen van de aan hem gestelde voorschriften en de met hem gemaakte afspraken al driemaal met een loonsanctie of loonmaatregel is geconfronteerd.

Gelet voorts op de in de brief van 15 juni 2006 verwoorde allerlaatste waarschuwing - onder aanzegging dat [eiser] bij herhaling een gereed risico liep op een ontslag op staande voet -kan bezwaarlijk een andere conclusie worden getrokken dan dat enerzijds Bonar kenbaar een groot belang hechtte aan naleving door [eiser] van de omtrent diens arbeidsongeschiktheid en reïntegratie geldende voorschriften en daarover met hem gemaakte afspraken en anderzijds [eiser] op scherp stond en zich jegens Bonar geen enkele overtreding of nalatigheid meer kon permitteren.

Vastgesteld moet worden dat [eiser] niet heeft aangevoerd dat voormelde voorschriften en afspraken naar hun aard en omvang de toets der kritiek niet kunnen doorstaan, tot welke conclusie evenmin op andere wijze kan worden gekomen.

5.

Zoals overwogen heeft [eiser] niet bestreden dat hij - ondanks herhaalde aansporing door Bonar als bovenvermeld - zich op 20 en 21 juni 2006 niet heeft gehouden aan de tussen partijen gemaakte afspraken over enerzijds hervatting op dezelfde dag van 20 juni 2006 na verleend bijzonder verlof en anderzijds het moment en de wijze van afmelden voor een volgende dienst op 21 juni 2006.

In het licht van het voorgaande mocht Bonar het door [eiser] op zo luttele termijn na de allerlaatste waarschuwing van 15 juni 2006 het opnieuw negeren van Bonars voorschriften omtrent arbeidsongeschiktheid en de daaromtrent gemaakte afspraken als zeer ernstig opvatten.

6.

Hoewel onomstreden is dat [eiser] (ook) op en omstreeks 21 juni 2006 wegens psychische klachten volledig arbeidsongeschikt was, is er naar het oordeel van de kantonrechter onvoldoende grond voor de door hem ingenomen stelling dat louter zijn psychische gesteldheid debet is geweest aan zijn (voortdurende) nalatigheid en schending van de afspraken.

Uit de door [eiser] overgelegde stukken van de arbodienst blijkt weliswaar dat de bedrijfsarts in januari 2006 heeft geoordeeld dat [eiser] voor zijn psychische klachten zich moest wenden tot de RIAGG en dat de RIAGG vervolgens in januari 2006 aan [eiser] een opname op een gesloten afdeling heeft geadviseerd doch ook dat het in mei 2006 weer beter met [eiser] ging en dat hij vanaf begin mei 2006 weer zijn volledige uren werkte, zij het in aangepaste werkzaamheden in die zin dat [eiser] beperkt was voor werkzaamheden met bepaalde gereedschappen en machines. Opmerking verdient voorts dat uit de brief van 21 juni 2006 blijkt dat [eiser] op kennelijk op 20 juni 2006 wel in staat was om twee privé-afspraken na te komen. Daarmee was aldus de situatie van januari 2006, waarop [eiser] zich beroept, in aanmerkelijke mate verbeterd. In die stukken is dan ook geen aanknoping te vinden voor een aanname dat de psychische gesteldheid van [eiser] medio juni 2006 een onvermogen veroorzaakte om de door Bonar gestelde voorschriften en met Bonar gemaakte afspraken na te leven althans dat die gesteldheid in die periode daaraan in relevante mate bijdroeg.

Die aanname kan evenmin worden gebaseerd op het enkele feit dat [eiser] in de betrokken periode medicatie nam als antipsychotica, antidepressiva en angstremmers. Een dergelijke inname wijst zonder nadere medische onderbouwing, die ontbreekt, juist in de richting van het tegenovergestelde van wat [eiser] aanvoert en veronderstelt een ondersteuning van / tot een meer normaal functioneren.

[eiser] heeft geen andere, medische onderbouwde stukken overgelegd van bijvoorbeeld zijn huisarts, zijn behandelaar bij de RIAGG en/of een deskundigenoordeel als bedoeld in lid 1 van artikel 7:629a BW waaruit (een begin van) de juistheid van zijn stelling kan worden afgeleid.

7.

Het voorgaande leidt ertoe dat niet tot de conclusie kan worden gekomen dat de psychische gesteldheid van [eiser] of andere daarmee samenhangende factoren zodanig moet(en) worden beoordeeld dat [eiser] van de door Bonar gelaakte nalatigheid geen (relevant) verwijt zou kunnen worden gemaakt.

8.

Alles overziende is de kantonrechter van oordeel dat [eiser]s herhaalde overtredingen van 20 en 21 juni 2006 in de gegeven omstandigheden een ontslag op staande voet konden rechtvaardigen, ook indien daarbij in aanmerking wordt genomen de leeftijd van [eiser], de duur van zijn dienstverband en de gevolgen voor hem van zo’n ontslag, met name tijdens zijn arbeidsongeschiktheid.

9.

Nu het ontslag op staande voet stand houdt, faalt het beroep van [eiser] op de nietigheid van dat ontslag. Dit betekent dat de onder r.o. 2 geformuleerde vraag of [eiser] gerechtigd is tot salaris over de periode vanaf 21 juni 2006 ontkennend beantwoord moet worden. Dit brengt voorts mee dat zowel de gevorderde verklaring voor recht als het gevorderde gebod tot toelating van [eiser] evenmin toewijsbaar zijn.

10.

Hetgeen partijen verder nog naar voren hebben gebracht, kan, als in het voorgaande reeds behandeld dan wel niet ter zake dienend, buiten beschouwing blijven.

11.

[eiser] zal als de in het ongelijk gestelde partij in de proceskosten worden verwezen.

De beslissing

De kantonrechter:

- wijst de vorderingen van [eiser] af;

- veroordeelt [eiser] in de kosten van het geding, tot op heden aan de zijde van Bonar begroot op € 1.080,00 voor salaris gemachtigde;

- verklaart deze proceskostenveroordeling uitvoerbaar bij voorraad.

Aldus gewezen door mr. W.F. Boele, kantonrechter, en uitgesproken in de openbare terechtzitting van 22 februari 2007 in tegenwoordigheid van de griffier.