Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBZLY:2007:AZ8907

Instantie
Rechtbank Zwolle-Lelystad
Datum uitspraak
30-01-2007
Datum publicatie
20-02-2007
Zaaknummer
630089-05 en 440269-06
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Inhoudsindicatie

als leider en oprichter deelnemen aan een criminele organisatie; artikel 3 onder B en C van de Opiumwet

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK ZWOLLE-LELYSTAD

Meervoudige strafkamer

Parketnummer: 07/630089-05 en 07/440269-06.

Uitspraak: 30 januari 2007.

S T R A F V O N N I S

in de zaak van het openbaar ministerie tegen:

[verdachte]

Het onderzoek ter terechtzitting heeft plaatsgevonden op 16 januari 2007. De verdachte is verschenen, bijgestaan door mr. M.J.H. Mühlstaff, advocaat te Deventer.

De officier van justitie, mr. S.T.C. van der Werf, heeft ter terechtzitting gevorderd de veroordeling van verdachte van het onder parketnummer 07/630089-05 onder 1, 2 en 3 en het onder parketnummer 07/440269-06 ten laste gelegde tot:

- een gevangenisstraf voor de duur van 4 jaar met aftrek van de tijd die verdachte in voorarrest heeft gezeten;

- de verbeurdverklaring van het in beslag genomen gas-alarmpistool;

- de teruggave van de onder verdachte in beslag genomen BMW 330XD met kenteken [kenteken] aan de eigenaar, te weten [naam].

TENLASTELEGGING

De verdachte is ten laste gelegd dat:

(volgt tenlastelegging zoals ter terechtzitting gewijzigd)

ONTVANKELIJKHEID VAN HET OPENBAAR MINISTERIE

De raadsman stelt met betrekking tot zaaksdossier I, zaak 4, dat het openbaar ministerie niet-ontvankelijk moet worden verklaard, nu de eigenaar van dezelfde kwekerij kennelijk als ‘pleger’ reeds onherroepelijk is veroordeeld. Naar het oordeel van de rechtbank miskent de raadsman dat materieel strafrechtelijk bezien de veroordeling van een mededader als ‘pleger’ de strafbaarheid van een andere mededader – gelijk in de onderhavige strafzaak het geval is – als ‘medepleger’ terzake hetzelfde feitencomplex niet uitsluit.

De raadsman stelt voorts dat het openbaar ministerie niet-ontvankelijk moet worden verklaard ten aanzien van het ten laste gelegde met betrekking tot zaaksdossier I, zaak 5, omdat het openbaar ministerie het in 2003 niet nodig heeft gevonden verdachte hiervoor te vervolgen. Naar het oordeel van de rechtbank dient dit verweer verworpen te worden. Naar de heersende leer is het openbaar ministerie immers in beginsel vrij diegenen in een strafzaak te betrekken waarvan het openbaar ministerie vervolging geraden acht. Voorzover de raadsman met dit verweer een beroep doet op de redelijke termijn als bedoeld in artikel 6 van het EVRM merkt de rechtbank op dat er in 2003 van de kant van de staat geen handeling is verricht waaruit verdachte in redelijkheid heeft op kunnen maken dat het openbaar ministerie het voornemen had tegen hem een strafvervolging in te stellen. De redelijke termijn heeft dus niet reeds een aanvang genomen in 2003. Voorzover de raadsman met dit verweer een beroep doet op de verjaring van het recht tot strafvordering merkt de rechtbank op dat overeenkomstig artikel 70 van het Wetboek van Strafrecht bij lange na niet gesproken kan worden van een dergelijk tijdsverloop op grond waarvan het recht tot strafvordering van het openbaar ministerie zou zijn verjaard.

BEWIJS

De raadsman stelt dat op het moment dat het onderzoek tegen verdachte is aangevangen, verdachte niet aangemerkt kan worden als een verdachte in de zin van artikel 27 van het Wetboek van Strafvordering. Volgens de raadsman dient daarvoor sprake te zijn van een verdenking die berust op objectieve en concrete gegevens. Naar het oordeel van de rechtbank dient dit verweer verworpen te worden. Op grond van het aantreffen van de kwekerij aan [adres] te Kampen, het afgetapte telefoongesprek tussen [namen], naar later blijkt [naam], diens growshop, de verschillende MOT-meldingen en de CIE-informatie kan naar het oordeel van de rechtbank wel degelijk gesproken worden van feiten en omstandigheden waaruit een redelijk vermoeden van schuld voortvloeit in de zin van artikel 27 van het Wetboek van Strafvordering.

De raadsman stelt dat ten aanzien van het ten laste gelegde met betrekking tot zaaksdossier I, zaak 6, sprake is geweest van een onrechtmatige warmtemeting voorafgaande aan het oprollen van een in de woning van verdachte [verdachte] geëxploiteerde hennepkwekerij. Het verkregen bewijs zou om die reden uitgesloten moeten worden waardoor vrijspraak zou moeten volgen voor dat onderdeel van de tenlastelegging. De rechtbank verwerpt dit verweer. Voorzover er al sprake zou zijn van enige onrechtmatigheid, is er naar het oordeel van de rechtbank geen sprake van een onrechtmatigheid waarvan gezegd kan worden dat daarmee een norm is geschonden die strekt tot bescherming van de belangen van verdachte in de onderhavige zaak.

De raadsman stelt dat ten aanzien van het ten laste gelegde met betrekking tot zaaksdossier I, zaak 11, 12, 15, 16, 17, 19 en 20, sprake is geweest van geen of slechts een blanco machtiging tot binnentreden van de desbetreffende woningen en om die reden zou het verkregen bewijs uitgesloten dienen te worden. Naar het oordeel van de rechtbank dient dit verweer verworpen te worden. Op grond van het zojuist hierboven genoemde criterium is de rechtbank van oordeel dat het ontbreken van een machtiging dan wel een blanco machtiging, voorzover deze mogelijke omissies al niet zijn hersteld door het, op gezag van de officier van justitie opgemaakte aanvullende procesverbaal, niet kan leiden tot het door de raadsman beoogde gevolg, te weten uitsluiting van het verkregen bewijs. Immers ook op dit punt is het in geen geval verdachte die rechtstreeks in een hem rechtens te beschermen belang is getroffen.

Naar het oordeel van de rechtbank kan de onder feit 1 ten laste gelegde deelname van verdachte aan een criminele organisatie wettig en overtuigend worden bewezen. Naar vaste rechtspraak is een criminele organisatie in de zin van artikel 140 van het Wetboek van Strafrecht een gestructureerd en duurzaam samenwerkingsverband van twee of meer personen met een zekere organisatiegraad. Uit de in het dossier voorhanden zijnde stukken blijkt dat vanuit de growshop van verdachte hennepkwekerijen werden geëxploiteerd bij mensen thuis waarvan velen in financiële nood verkeerden. Daarnaast is gebleken dat vanuit deze growshop stelselmatig hennepstekken werden geleverd aan thuiskwekers, de growshop bovendien als afzetmarkt fungeerde voor de oogsten van deze thuiskwekers en vanuit de growshop grotere partijen weed zijn verkocht. Het bewijs hiervoor kan met name ontleend worden aan de verklaringen van medeverdachten/getuigen en aan de informatie verkregen door middel van taps dan wel observatie. Naar het oordeel van de rechtbank kan derhalve gesproken worden van een criminele organisatie in de zin van artikel 140 van het Wetboek van Strafrecht.

Voor deelname aan een dergelijke organisatie dient er naar vaste rechtspraak voldaan te worden aan een tweetal algemene vereisten. De deelnemer moet behoren tot de organisatie en moet een aandeel hebben in de gedragingen die strekken tot of rechtstreeks verband houden met de verwezenlijking van het oogmerk van de organisatie, dan wel deze ondersteunen. Naar het oordeel van de rechtbank kan bewezen worden dat verdachte hennepkwekerijen heeft geëxploiteerd, elektriciteit heeft laten omleggen, hennepstekken heeft geleverd, weed heeft opgekocht en weed heeft verkocht. In veel van de gevallen heeft verdachte het uitvoeren van de strafbare gedragingen overgelaten aan medeverdachte [medeverdachte] en/of zijn zoon [naam]. Uit de verklaringen van de getuigen/medeverdachten en de getapte telefoongesprekken kan verder opgemaakt worden dat verdachte bij het plegen van de strafbare gedragingen een sturende rol had. Derhalve acht de rechtbank wettig en overtuigend bewezen de deelname van verdachte als leider dan wel oprichter van een criminele organisatie.

Met betrekking tot de mogelijk strafbare betrokkenheid van verdachte bij de onder feit 2 ten laste gelegde hennepkwekerijen, heeft de rechtbank de volgende maatstaf gehanteerd. Om tot een bewezenverklaring te komen ten aanzien van de betrokkenheid van verdachte bij een opgerolde hennepkwekerij dient er sprake te zijn van een dubbele bevestiging in die zin dat een belastende verklaring van een medeverdachte/getuige door onafhankelijk steunbewijs ondersteund moet worden, alvorens gezegd kan worden dat het desbetreffende ten laste gelegde zaaksdossier wettig en overtuigend bewezen kan worden. In dit verband kan gedacht worden aan informatie verkregen uit taps of observatie.

Ten aanzien van het onder parketnummer 07/440269-06 ten laste gelegde merkt de rechtbank op dat dit wettig en overtuigend bewezen kan worden. Naar het oordeel van de rechtbank kan verdachte worden aangemerkt als degene die het vuurwapen in zijn bezit had. De rechtbank acht hiertoe redengevend dat het vuurwapen op een verholen plaats in zijn bedrijf is aangetroffen, te weten boven een plafondplaat.

De rechtbank acht derhalve wettig en overtuigend bewezen hetgeen de verdachte ten aanzien van het onder parketnummer 07/630089-05 onder 1, 2 en 3 en het onder parketnummer 07/440269-06 ten laste is gelegd, met dien verstande dat:

(volgt bewezenverklaring; zie aangehechte kopie dagvaarding)

Van het onder parketnummer 07/630089-05 onder 1, 2 en 3 en het onder parketnummer 07/440269-06 meer of anders ten laste gelegde zal de verdachte worden vrijgesproken, aangezien de rechtbank dat niet wettig en overtuigend bewezen acht.

STRAFBAARHEID

Het bewezene levert op:

ten aanzien van parketnummer 07/630089-05, onder 1:

als oprichter en leider deelnemen aan een organisatie die tot oogmerk heeft het plegen van misdrijven,

strafbaar gesteld bij artikel 140 van het Wetboek van Strafrecht.

ten aanzien van parketnummer 07/630089-05, onder 2:

het medeplegen van het opzettelijk handelen in strijd met een in artikel 3 onder B en C van de Opiumwet gegeven verbod, meermalen gepleegd,

strafbaar gesteld bij artikel 11 van de Opiumwet juncto artikel 47 van het Wetboek van Strafrecht.

ten aanzien van parketnummer 07/630089-05, onder 3:

opzettelijk handelen in strijd met een in artikel 3 onder C van de Opiumwet gegeven verbod,

strafbaar gesteld bij artikel l1 van de Opiumwet.

ten aanzien van parketnummer 07/440269-06:

handelen in strijd met artikel 26 eerste lid van de Wet Wapens en Munitie,

strafbaar gesteld bij artikel 55 van de Wet Wapens en Munitie.

De verdachte is deswege strafbaar, nu geen feiten of omstandigheden gebleken zijn die die strafbaarheid zouden opheffen of uitsluiten.

OPLEGGING VAN STRAF OF MAATREGEL

De raadsman stelt dat verdachte bijna 2 jaar na de start van het onderzoek een inhoudelijk behandeling heeft gekregen van zijn strafzaak. Naar de mening van de raadsman dient dit tijdsverloop uit te monden in een lagere straf. Naar het oordeel van de rechtbank dient dit verweer verworpen te worden. Het tijdsverloop tussen de aanhouding van verdachte en de start van het onderzoek ter terechtzitting is immers niet van zodanige duur dat hieraan wat betreft de straftoemeting gevolgen moeten worden verbonden.

Gelet op de aard en de ernst van het bewezen en strafbaar verklaarde, op de omstandigheden waaronder verdachte zich daaraan heeft schuldig gemaakt en op de persoon van verdachte, zoals van een en ander uit het onderzoek ter terechtzitting is gebleken, acht de rechtbank de na te noemen beslissing passend.

De rechtbank is in dit geval van oordeel dat een gedeeltelijk onvoorwaardelijke vrijheidsstraf noodzakelijk is, omdat aard en ernst van het bewezen en strafbaar verklaarde, gelet ook op het strafrechtelijk verleden van de verdachte, door een lichtere strafrechtelijke afdoening van de zaak miskend zouden worden. Daarbij houdt de rechtbank in het bijzonder rekening met het feit dat verdachte bij het exploiteren en oprichten van de verschillende hennepkwekerijen stelselmatig misbruik heeft gemaakt van de financiële nood van anderen. Daarnaast is bij het opleggen van de straf in ogenschouw genomen het feit dat verdachte bij het plegen van de strafbare gedragingen misbruik heeft gemaakt van een ogenschijnlijk legale dekmantel, te weten zijn eigen growshop.

Bijzondere omstandigheden die tot een ander oordeel zouden moeten voeren, acht de rechtbank niet aanwezig.

De rechtbank is van oordeel dat het gasalarmpistool op de lijst van inbeslaggenomen voorwerpen vermeld, dient te worden onttrokken aan het verkeer, omdat het het voorwerp is waarmee het feit terzake van parketnummer 07/440269-06 is begaan en van zodanige aard is dat het ongecontroleerde bezit daarvan in strijd is met de wet of met het algemeen belang.

Bij haar beslissing heeft de rechtbank rekening gehouden met:

een de verdachte betreffend uittreksel justitiële documentatie d.d. 18 augustus 2006;

De oplegging van straf of maatregel is, behalve op de reeds aangehaalde wettelijke voorschriften, gegrond op de artikelen 10, 14a, 14b, 14c, 27, 36b, 36c, 57 en 91 van het Wetboek van Strafrecht.

BESLISSING

Het onder parketnummer 07/630089-05 onder 1, 2 en 3 en het onder parketnummer 07/440269-06 ten laste gelegde is bewezen zoals hiervoor aangegeven en levert de strafbare feiten op, zoals hiervoor vermeld. De verdachte is deswege strafbaar.

Het onder parketnummer 07/630089-05 onder 1, 2 en 3 en het onder parketnummer 07/440269-06 meer of anders ten laste gelegde is niet bewezen en de verdachte wordt daarvan vrijgesproken.

De rechtbank veroordeelt de verdachte tot een gevangenisstraf voor de duur van 48 maanden.

De tijd, door de verdachte vóór de tenuitvoerlegging van deze uitspraak in verzekering en voorlopige hechtenis doorgebracht, zal bij de tenuitvoerlegging van de opgelegde gevangenisstraf in mindering worden gebracht.

Van de 48 maanden zal een gedeelte, groot 18 maanden, niet worden tenuitvoergelegd, tenzij de rechter later anders mocht gelasten op grond van het feit dat de verdachte zich voor het einde van een proeftijd van 2 jaar aan een strafbaar feit heeft schuldig gemaakt.

De rechtbank verklaart onttrokken aan het verkeer het inbeslaggenomen gas-alarmpistool.

Aldus gewezen door mr. L.T.Wemes, voorzitter, mrs. H.R. Schimmel en G.A. Versteeg, rechters, in tegenwoordigheid van mr. G.C. Pol als griffier en uitgesproken ter openbare terechtzitting van 30 januari 2007.