Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBZLY:2007:AZ8667

Instantie
Rechtbank Zwolle-Lelystad
Datum uitspraak
13-02-2007
Datum publicatie
15-02-2007
Zaaknummer
343231 HA 06-412
Rechtsgebieden
Civiel recht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - enkelvoudig
Inhoudsindicatie

kantonzaak, ontbinding arbeidsovereenkomst. Reorganisatie; betoog van werknemer dat zijn functie ten onrechte vervallen is verklaard gaat niet op. Aangeboden vergoeding conform sociaal plan niet evident onbillijk.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK ZWOLLE – LELYSTAD

sector kanton – locatie Deventer

zaaknr. : 343231 HA VERZ 06-412

datum : 13 februari 2007

Beschikking op een verzoek tot ontbinding van de arbeidsovereenkomst

in de zaak van:

[VERZOEKSTER],

gevestigd te [vestigingsplaats],

verzoekende partij,

gemachtigde mr. J. Kalisvaart, advocaat te Arnhem,

tegen

[VERWEERDER],

wonende te [woonplaats],

verwerende partij,

gemachtigde dhr. D.P. Slob, werkzaam ten kantore van Mens- & Organisatiekwaliteit te Oud-Beijerland.

De procedure

De kantonrechter heeft kennis genomen van:

- het verzoekschrift met aangehechte en enige nagezonden bijlagen

- het verweerschrift met bijlagen.

De mondelinge behandeling is gehouden op 6 februari 2007.

Verschenen zijn:

- Verzoekster, bij monde van de heren [H] (medewerker P&O) en [B] (manager K.I.), en bijgestaan door mr. Kalisvaart voornoemd;

- Verweerder, bijgestaan door zijn voormelde gemachtigde, de heer Slob.

Het geschil

Verzoekster (hierna ook: [verzoekster]) heeft verzocht om ontbinding van haar arbeidsovereenkomst met verweerder (hierna ook: [verweerder]) wegens gewijzigde omstandigheden, onder aanbieding van een billijke vergoeding conform het toepasselijke sociaal plan. [verweerder] heeft het verzoek tegengesproken en verzocht om afwijzing ervan.

De beoordeling

1.

Tussen partijen staat als gesteld en erkend dan wel niet (voldoende) betwist, mede op grond van de overgelegde en in zoverre niet bestreden bescheiden, het volgende vast:

a. [verweerder], thans [X] jaar oud, is op [datum] bij [verzoekster] in dienst getreden en was laatstelijk aangesteld in de functie van Hoofd KI/ET tegen een bruto maandsalaris van € 3.206,- exclusief een persoonlijke toeslag van € 596,- bruto per maand, vakantietoeslag en andere emolumenten.

b. In ieder geval sedert 2001 zijn in de onderneming van [verzoekster] een aantal ingrijpende veranderingen doorgevoerd (hierna tezamen kortweg aan te duiden als: de reorganisatie), als gevolg waarvan onder meer veel werknemers zijn afgevloeid.

c. Op de reorganisatie is van toepassing een in mei 2005 met de vakbonden FNV Bondgenoten, CNV Bedrijvenbond en De Unie/BVVN overeengekomen Sociaal Plan (hierna: het sociaal plan).

d. Op 20 juli 2006 zijn de vacatures opengesteld voor de functie Hoofd KI/ET volgens de nieuwe opzet; [verweerder] heeft daarop met anderen gesolliciteerd doch is niet benoemd.

e. Bij brief van 28 september 2006 heeft [verzoekster] aan [verweerder] laten weten dat zijn arbeidsplaats als gevolg van reorganisatie per 1 oktober 2006 kwam te vervallen.

2.

[verzoekster] heeft haar verzoek als volgt, kort samengevat, toegelicht.

Als onderdeel van een concern onder haar moederbedrijf CRV Holding B.V. is haar bedrijf te typeren als een rundveeverbeteringsorganisatie die duurzame toegevoegde waarde voor rundveehouders levert. Als gevolg van de BSE- en daarop volgende MKZ-crisis heeft zij in 2000/2001 een sterke terugval in haar bedrijfsactiviteiten moeten ervaren, die zij niet meer volledig te boven is gekomen en te boven zal komen vanwege allerlei marktinvloeden. Zij heeft zich aldus genoodzaakt gezien haar onderneming drastisch te reorganiseren, meer in het bijzonder te snijden in haar loon- en overheadkosten. Eén van de gevolgen was het terugbrengen van het aantal plaatsen waar zij was gevestigd met als gevolg dat onder meer haar vestiging te Deventer, alwaar [verweerder] werkzaam was, is gesloten. De functie Hoofd KI/ET is in naam niet vervallen, doch heeft een andere, wezenlijk zwaardere inhoud gekregen. In de oude opzet lag de kern van de functie in het inhoudelijk begeleiden, motiveren en coachen van een team inseminatoren, met de verantwoordelijkheid voor het uitvoeren, bijhouden en maken van planningen en het bijhouden van de administratie alsmede rapportage van resultaten. In de nieuwe opzet gaat het vooral om leiding geven aan zelfsturende teams, het opstellen van een jaarplan, het maken van resultaatafspraken met de KI teams binnen vastgestelde kaders en monitoren van deze afspraken, alsmede het bewaken, en zonodig bijsturen van de planning en administratie en hieromtrent rapporteren. Daar is dan ook nog uitvoering van personeelsbeleid bijgekomen. Nadat op 20 juli 2006 de vacatures voor de nieuwe functie van Hoofd KI/ET waren opengesteld heeft [verweerder] daarop met anderen gesolliciteerd. De keuze is niet op hem gevallen. Pas bij brief van 23 oktober 2006 heeft [verweerder] zich voor het eerst, tot verbazing van [verzoekster], op het standpunt gesteld dat volgens hem zijn functie niet was vervallen. [verweerder] heeft tot verwondering van [verzoekster] niet gesolliciteerd op de voor hem passend geachte functie van “coördinator verenigingszaken”. [verweerder] heeft eind 2006 nog gesolliciteerd op de vacature hoofd verkoop buitendienst. Tot 2004 had hij die functie enige jaren vervuld, maar hij heeft die op eigen verzoek neergelegd omdat het commerciële aspect van de functie hem niet aansprak. Ook die functie is in de nieuwe opzet bovendien verzwaard, zeker ook voor wat betreft dat commerciële aspect. [verweerder] heeft geen gebruik gemaakt van de geschillenregeling in het sociaal plan, hetgeen gezien zijn bezwaren voor de hand zou hebben gelegen. Bij toewijzing van het verzoek is op [verweerder] de financiële paragraaf van het sociaal plan van toepassing.

3.

[verweerder] heeft het verzoek als volgt, ook kort samengevat, tegengesproken.

Hij is (laatstelijk sedert 13 september 2006) volledig arbeidsongeschikt als gevolg van een gecompliceerde beenbreuk. Hij maakt aanspraak op de ontslagbescherming wegens ziekte.

[verweerder] heeft de reorganisatie en de noodzaak daartoe niet bestreden, al waren de personele gevolgen ervan volgens hem minder dramatisch dan door [verzoekster] geschilderd. Hij is van mening dat zijn functie niet is komen te vervallen en dat hij dus ten onrechte als boventallig in de zin van het sociaal plan is aangemerkt. De nieuwe functie Hoofd KI/ET is niet wezenlijk anders dan de door hem vervulde gelijknamige functie. Zo dat al anders zou zijn, dan is hij ten onrechte voor die nieuwe functie afgewezen omdat hij zich de vaardigheden voor eventuele andere functie eisen zonder problemen kan eigen maken. Ten onrechte is in (één van) de nieuwe functie(s) iemand benoemd die korter in dienst is dan hij. Het is juist dat hij op de nieuwe functie heeft gesolliciteerd, en dat hij zich pas bij brief van 23 oktober 2006 voor het eerst op het standpunt heeft gesteld dat zijn functie niet was komen te vervallen. Hij heeft zich aanvankelijk loyaal willen opstellen en geen gebruik willen maken van de regeling inzake vrijwillig vertrek in het sociaal plan. Hem was inderdaad bekend (via het zgnd. “Weekbericht” of “Weekendnieuws” van 11 oktober 2006) dat de functie “coördinator verenigingszaken” was opengesteld, maar aangezien de functie hem niet is aangeboden, en hem was meegedeeld dat deze eerst aan het einde van het jaar zou openvallen, heeft hij zijn belangstelling niet kenbaar gemaakt. Kenmerkend voor de wijze waarop [verzoekster] hem behandelde is dat hij steeds het initiatief moest nemen en van de zijde van [verzoekster] geen actie werd ondernomen. Op 21 december 2006 heeft hij nog gesolliciteerd op de vacature voor de functie “hoofd verkoop buitendienst”, een functie die hij van 1998 tot 2004 heeft vervuld en waarin hij steeds goed is beoordeeld, maar daarover heeft hij tot aan het moment van het indienen van zijn verweerschrift in deze zaak niets meer vernomen. Hij meent dat het verzoek moet worden afgewezen. Als het toch toewijsbaar wordt geoordeeld vraagt hij bij de beoordeling van de vraag naar de toekenning van een billijke vergoeding aandacht voor het feit dat [verzoekster] zich niet aan procedures in het sociaal plan heeft gehouden, alsmede voor zijn gevorderde leeftijd, zijn eenzijdige werkervaring en zijn actuele slechte gezondheid.

4.

Niet is gesteld of gebleken dat de arbeidsongeschiktheid van [verweerder] (een gecompliceerde beenbreuk) enig verband houdt met het onderhavige verzoek. De enkele omstandigheid van het bestaan van een opzegverbod wegens ziekte is voor het daaraan verbinden van rechtens relevante gevolgen onvoldoende. Artikel 7:685, eerste lid, derde volzin, BW verlangt slechts een controle door de rechter of sprake is van een verband tussen de arbeidsongeschiktheid en het verzoek.

5.

[verweerder] heeft de door [verzoekster] gestelde (noodzaak tot de) reorganisatie niet bestreden. Hij heeft evenmin betwist dat als gevolg van die reorganisatie in het recente verleden vele werknemers moesten afvloeien. Aldus is voldoende gebleken van een noodzaak voor [verzoekster] om haar personeelsbestand als gevolg van de reorganisatie in te krimpen.

6.

[verweerder] heeft erkend dat hij pas tegen het vervallen van zijn functie heeft geprotesteerd nadat hij had vernomen dat hij was afgewezen voor de nieuwe functie van Hoofd KI/ET. Hij heeft ook niet betwist dat hij zonder tegenspraak naar die nieuwe functie heeft gesolliciteerd. Hij heeft tenslotte erkend dat hij geen beroep heeft ingesteld tegen enige beslissing van [verzoekster] bij de Beroepscommissie volgens de bepalingen van het sociaal plan. Bij die stand van zaken komt aan het betoog van [verweerder] dat zijn functie ten onrechte vervallen is verklaard, en/of dat hij bij een juiste toepassing van de toepasselijke regels van het sociaal plan in die nieuwe functie zou zijn benoemd, rechtens geen gewicht meer toe. Dat klemt temeer waar vast staat dat [verweerder] ook geen beroep heeft ingesteld bij de Beroepscommissie tegen het besluit van [verzoekster] om hem boventallig te verklaren, waardoor hij de eerder door zijn medewerking aan de sollicitatie gewekte indruk van instemming alleen maar heeft versterkt.

7.

[verweerder] heeft toegegeven dat hij niet heeft gesolliciteerd naar de functie van “coördinator verenigingszaken”, hoewel hem via het “Weekendbericht” van 11 oktober (verweerschrift pag. 7 bovenaan) bekend was dat voor die functie kandidaten werden geworven. Hij heeft aangevoerd dat hem telefonisch zijdens een medewerker van [verzoekster] was meegedeeld dat die functie pas aan het einde van het jaar beschikbaar zou komen en dat die medewerker hem daarover nog zou berichten. [verzoekster] heeft dat ontkend en juist gesteld dat [verweerder] tegenover één van haar medewerkers heeft verklaard dat hij op die functie zou solliciteren (zoals volgens [verzoekster] ook blijkt uit de brief van de heer Van der Molen aan [verweerder] van 1 november 2006 (prod. 12 bij verzoekschrift). Hoe dit ook zij, vast staat dat [verweerder] tijdig heeft geweten van het openvallen van de functie en hij heeft objectief bezien niet aannemelijk kunnen maken dat [verzoekster] valt aan te rekenen dat hij daarop niet heeft gesolliciteerd. De enkele omstandigheid dat [verzoekster] hem die functie niet heeft aangeboden is daarvoor onvoldoende.

8.

[verzoekster] heeft [verweerder] afgewezen voor de functie van hoofd verkoop buitendienst, terwijl [verweerder] die functie van 1998 tot 2004 heeft vervuld. [verweerder] heeft niet bestreden dat hij, zoals [verzoekster] ter zitting heeft doen toelichten, in 2004 op eigen verzoek uit die functie is ontheven omdat het commerciële aspect ervan hem niet lag. Hij heeft ook niet weersproken dat die functie in de nieuwe organisatie opzet is verzwaard, ook voor wat betreft het commerciële aspect. Bij die stand van zaken kan niet worden gezegd dat [verzoekster] hem op ontoereikende gronden heeft afgewezen. Ook tegen deze beslissing heeft [verweerder] overigens geen beroep ingesteld bij de Beroepscommissie, hetgeen gelet op de aard van zijn bezwaar voor de hand had gelegen.

9.

Het verzoek is mitsdien toewijsbaar. Ontbinding van de arbeidsovereenkomst zal worden uitgesproken per 1 maart 2007. In de omstandigheden van het geval bestaat billijkheidshalve aanleiding tot toekenning van een vergoeding in verband met de uit te spreken ontbinding. Immers, de grondslag van het verzoek wordt gevormd door de reorganisatie, een grondslag die in de risicosfeer van de werkgever ligt. In een geval als het onderhavige, waarin sprake is van de afvloeiing van personeel als gevolg van een reorganisatie, volgt de kantonrechter bij de toekenning van een billijke vergoeding een regeling in een door een representatieve vertegenwoordiging van de vakbonden geaccordeerd sociaal plan tenzij sprake is van een evidente onbillijkheid. Zo een regeling is in dit geval aan de orde. Niet gesteld of gebleken is dat toepassing ervan (de uitkomst van de kantonrechtersformule met hantering van de correctiefactor C=0,6) in het onderhavige geval tot een evident onbillijke uitkomst leidt. Die regeling komt dan ook als vergoeding billijk voor.

10.

In de omstandigheden van het geval vindt de kantonrechter aanleiding om de proceskosten te compenseren in die zin dat iedere partij de eigen kosten draagt.

11.

Nu het verzoek ongewijzigd wordt toegewezen bestaat geen aanleiding om aan [verzoekster] een termijn te gunnen voor het eventueel intrekken ervan.

De beslissing

De kantonrechter:

- ontbindt de tussen partijen bestaande arbeidsovereenkomst en bepaalt dat deze eindigt op 1 maart 2007 onder toekenning aan [verweerder] ten laste van [verzoekster] van een vergoeding volgens de bepalingen van hoofdstuk 8 van het sociaal plan tussen [verzoekster] en voormelde vakbonden van mei 2005 en veroordeelt [verzoekster] tot betaling van de daaruit voortvloeiende bedragen aan [verweerder] tegen bewijs van kwijting;

- compenseert de kosten van het geding in die zin dat iedere partij de eigen kosten draagt.

Aldus gegeven door mr. A.H. Canté, kantonrechter, en uitgesproken in de openbare terechtzitting van 13 februari 2007, in tegenwoordigheid van de griffier.