Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBZLY:2007:AZ7897

Instantie
Rechtbank Zwolle-Lelystad
Datum uitspraak
06-02-2007
Datum publicatie
06-02-2007
Zaaknummer
400887-04
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Inhoudsindicatie

samenstel letsels passend bij 'shaken baby syndrome' kunnen niet worden veroorzaakt door een val van geringe hoogte

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK ZWOLLE-LELYSTAD

Meervoudige strafkamer

Parketnummer: 07.400887-04

Uitspraak: 6 februari 2007

S T R A F V O N N I S

in de zaak van het openbaar ministerie tegen:

[verdachte]

Het onderzoek ter terechtzitting heeft plaatsgevonden op 8 februari 2005, 22 maart 2005, 19 mei 2005, 7 december 2006 en 24 januari 2007. De verdachte is op 8 februari 2005, 22 maart 2005, 19 mei 2005 verschenen, op 19 mei 2005 bijgestaan door mr. Rutten, advocaat te Amsterdam. Ter zitting van 7 december 2006 en 24 januari 2007 heeft mr. Rutten als daartoe uitdrukkelijk gemachtigd raadsman de verdediging gevoerd.

De officier van justitie, mr. Kappeyne van de Coppello, heeft ter terechtzitting van 24 januari 2007 gevorderd de veroordeling van verdachte terzake het onder 1 primair en 2 subsidiair ten laste gelegde tot een gevangenisstraf van 33 maanden (met aftrek). Daarnaast heeft de officier van justitie gevorderd dat de vordering van de benadeelde partij [benadeelde partij] zal worden toegewezen tot een bedrag van € 500,-

TENLASTELEGGING

De verdachte is ten laste gelegd dat:

1.

hij op of omstreeks 24 december 1994, althans in de maand december 1994, in de gemeente Hardenberg ter uitvoering van het door verdachte voorgenomen misdrijf om opzettelijk [naam] van het leven te beroven, met dat opzet die [naam] heeft opgepakt en/of opgetild en/of (vervolgens) een of meermalen heen en weer heeft geschud en/of (vervolgens) die [naam] op diens hoofdje heeft laten vallen en/of op de vloer of een matras heeft gegooid, terwijl de uitvoering van dat voorgenomen misdrijf niet is voltooid

althans, indien het vorenstaande onder 1 niet tot een veroordeling mocht of zou kunnen leiden:

hij op of omstreeks 24 december 1994, althans in de maand december 1994 in de gemeente Hardenberg aan zijn zoon genaamd [naam], opzettelijk zwaar lichamelijk letsel (hersenletsel), heeft toegebracht, door deze opzettelijk op te pakken en/of op te tillen en/of (vervolgens) een of meermalen heen en weer te schudden en/of (vervolgens) die [naam] op diens hoofdje te laten vallen, en/of op de vloer of een matras te gooien

althans, indien het vorenstaande onder 1 niet tot een veroordeling mocht of zou kunnen leiden:

hij op of omstreeks 24 december 1994, althans in de maand december 1994, in de gemeente Hardenberg grovelijk, althans aanmerkelijk onvoorzichtig en/of onachtzaam en/of nalatig [naam] heeft geschud en/of die [naam] (op diens hoofdje) heeft laten vallen, waardoor het aan zijn schuld te wijten is geweest dat [naam] zwaar lichamelijk letsel, te weten hersenletsel en/of oogletsel, heeft bekomen

2.

hij op een of meer tijdstippen in of omstreeks de periode van 1 november 1998 tot en met 31 december 2003 in de gemeente Hardenberg ter uitvoering van het door verdachte voorgenomen misdrijf om aan zijn echtgenote, genaamd [naam], (telkens) opzettelijk zwaar lichamelijk letsel toe te brengen, met dat opzet die [naam] een of meermalen in/tegen het gezicht, althans op/tegen het hoofd heeft geslagen/gestompt en/of (vervolgens) een of meermalen, al dan niet met behulp van een slagvoorwerp, op/tegen de arm(en) en/of be(e)n(en), althans op/tegen het lichaam heeft geslagen, terwijl de uitvoering van dat voorgenomen misdrijf niet is voltooid

althans, indien het vorenstaande onder 2 niet tot een veroordeling mocht of zou kunnen leiden:

hij op een of meer tijdstippen in of omstreeks de periode van 1 november 1998 tot en met 31 december 2003 in de gemeente Hardenberg (telkens) opzettelijk mishandelend zijn echtgenote, te weten [naam], een of meermalen in/tegen het gezicht, althans op/tegen het hoofd heeft geslagen/gestompt en/of (vervolgens) een of meermalen, al dan niet met behulp van een slagvoorwerp, op/tegen de arm(en) en/of be(e)n(e), althans op/tegen het lichaam heeft geslagen, waardoor deze letsel heeft bekomen en/of pijn heeft ondervonden

BEWIJS

ten aanzien van het onder 1 ten laste gelegde:

Uit de verklaringen van verdachte en zijn ex-echtgenote [naam] – in onderlinge samenhang bezien – leidt de rechtbank af dat het levensbedreigende incident met [naam] moet zijn ontstaan toen verdachte bij [naam] was. Verdachte erkent dat ook. Hij geeft echter een andere verklaring voor het letsel. [naam] zou van de bank zijn gevallen. De vraag is of het bij [naam] geconstateerde letsel het gevolg kan zijn van een val van de bank, of, zoals [naam] verklaart, door het op de grond of op een matras gooien.

De rechtbank stelt het volgende voorop:

Uit de verklaringen van de deskundige kinderartsen, zoals blijkend uit het dossier, blijkt dat de volgende medische vaststellingen kunnen wijzen op Shaken Baby Syndrome:

- bloedingen in de ogen

- hersenbloedingen

- hersencontusie

- schedelkneuzingen

- hersenoedeem

- beurse plekken in de nek

Kinderarts Thoolen schrijft in maart 1995 aan huisarts Van As het volgende: “[naam], was van 17-01 tot 10-02-1995 opgenomen op de kinderafdeling voor verder herstel na een shaken baby syndrome.” Voor het streekziekenhuis Coevorden-Hardenberg – waar [naam] met kerst 1994 werd binnengebracht – lijkt er aldus geen twijfel over te bestaan dat het letsel het gevolg is van ‘shaken baby’. In een beschrijving van het destijds geconstateerde letsel schrijft Thoolen: “Alhier werd een soporeus jongetje gezien met gaspende ademhaling en strekkrampen. Hij werd overgebracht naar het AZG. Aanvullend onderzoek alhier waaronder een CT scan schedel liet geen bijzonderheden zien. Latere CT scans schedel lieten oud bloed in de frontale liquorruimte zien en meerdere hypodense gebieden passend bij multiple contusie haarden. Op een X laterale cervicale wervelkolom was er verdenking op een occipitale schedelfractuur. Tevens was sprake van uitgebreid intra-retinale hemorrachiën wijzend op een shaken baby syndrome. Bij overplaatsing was patientje nog hypotoon en corticaal blind. "

Kinderarts Zwart verklaart – na bestudering van het dossier, waaronder voornoemd schrijven van Thoolen – het volgende: “In de brief worden een aantal letsels genoemd die eigenlijk niet anders kunnen worden verklaard dan door het shaken baby syndrome. Dan bedoel ik niet alleen de afzonderlijke letsels, maar met name ook de combinatie van de letsels.

En: “De verschijnselen die bij die latere scan zijn waargenomen kan ik op basis van de literatuur en mijn kennis en ervaring alleen uitleggen als passend bij schudden. Waar het hier om gaat is de versnelling en vertraging van de schedelinhoud. Dat veroorzaakt een verscheuring van bloedvaten. Bloedvaatjes aan de buitenkant van de hersenen verscheuren en dat veroorzaakt bloedingen aan de buitenkant van de hersenen, in de brief aangeduid als oud bloed in de frontale liquorruimte.” En: “In de brief worden uitgebreide intra-retinale hemorrachiën genoemd. Dat zijn bloedingen in het netvlies. Dat hoort bij schudden. Je zou kunnen zeggen dat het een conditio sine qua non is. Schudden zonder dit letsel is onaannemelijk.” En: “In de brief van maart 1995 wordt aanvullend onderzoek genoemd. Daar wordt melding gemaakt van Macula bloedingen in het rechteroog. Dit soort bloedingen zijn een bekend fenomeen bij SBS.”

Zwart wordt door de rechter-commissaris ook gevraagd of het door Thoolen vastgestelde letsel ook door de val van een bank kan worden verklaard. Hij zegt dan: “Kinderen vallen regelmatig vanaf die afstand op hun hoofd. Ik heb de literatuur er nog eens op nageslagen, zo’n val leidt zelden tot fracturen van de schedel en een kind houdt aan zo’n val geen letsel over. Op 3 november is zelfs sprake van vallen op een matras. In een verklaring van vader is sprake van vallen vanaf de zitting van een bank. Dan valt het kind dus van een veel minder grote hoogte. Ook dat kan dit letsel dus niet verklaren.” En: “Alle verklaringen zoals die zijn gegeven door de ouders passen gezien de literatuur en mijn eigen ervaring en kennis niet bij het letsel zoals omschreven in de brief van mijn collega.”

Zwart is op 7 december 2006 ook ter zitting gehoord, waar hij in grote lijnen hetzelfde verklaart als bij de rechter-commissaris, namelijk dat het op de tweede CT- scan geconstateerde letsel nauwelijks ergens anders bij past dan bij het shaken baby syndrome, en dat de verklaringen van de vader en de moeder over hetgeen met [naam] zou zijn gebeurd niet te rijmen zijn met het geconstateerde letsel.

De literatuur over SBS is grotendeels zonder noemenswaardige moeite te halen uit algemeen toegankelijke bronnen. Daaruit komt inderdaad uitdrukkelijk naar voren dat een val van geringe hoogte niet kan leiden tot letsel zoals die voorkomen bij SBS. Zo valt bijvoorbeeld te lezen in het ‘Technical Report on Shaken Baby Syndrome: Rotational Cranial Injuries’ van ‘the American Academy of Pediatrics’ dat “the constellation of these injuries does not occur with short falls”.

Gelet op hetgeen hiervoor is overwogen is de rechtbank van oordeel dat de bij [naam] geconstateerde letsels niet anders dan het gevolg kunnen zijn geweest van het heftig schudden van [naam] door vader.

Door de officier van justitie is aangevoerd dat sprake is geweest van poging tot doodslag, omdat in het algemeen te voorzien is dat bij heftig schudden van een baby de dood zal volgen, en dat verdachtes opzet is af te leiden uit de gedraging zelf.

De rechtbank deelt de visie van de officier van justitie. Vooral het hoofd van een baby is erg broos en kwetsbaar omdat het naar lichaamsverhouding erg groot is en de nekspieren van het jonge kind nog erg onontwikkeld zijn. Wanneer de baby zodanig geschud wordt dat het hoofdje heen en weer beweegt, kan het schudden beschadigingen van hersenen en bloedvaten veroorzaken, hetgeen tot de dood kan leiden. De rechtbank is van oordeel dat de kans dat het schudden van een baby de dood veroorzaakt naar algemene ervaringsregels als aanmerkelijk is te achten. Verdachte heeft deze aanmerkelijke kans ook aanvaard. Bepaalde gedragingen zijn naar hun uiterlijke verschijningsvorm zozeer gericht op een bepaald gevolg dat het – behoudens contra-indicaties – niet anders kan zijn dan dat verdachte de aanmerkelijke kans op het desbetreffende gevolg heeft aanvaard. Naar het oordeel van de rechtbank is het heftig schudden van een baby zo een gedraging.

De rechtbank acht wettig en overtuigend bewezen hetgeen de verdachte onder 1 primair en 2 subsidiair ten laste is gelegd, met dien verstande dat:

1. primair

hij op 24 december 1994 in de gemeente Hardenberg ter uitvoering van het door verdachte voorgenomen misdrijf om opzettelijk [naam] van het leven te beroven, met dat opzet die [naam] heeft opgepakt en vervolgens meermalen heen en weer heeft geschud, terwijl de uitvoering van dat voorgenomen misdrijf niet is voltooid

en

2. subsidiair

hij op tijdstippen in de periode van 1 november 1998 tot en met 31 december 2003 in de gemeente Hardenberg telkens opzettelijk mishandelend zijn echtgenote, te weten [naam], meermalen in/tegen het gezicht, althans op/tegen het hoofd heeft geslagen en vervolgens meermalen, al dan niet met behulp van een slagvoorwerp, op/tegen de armen en benen, althans tegen het lichaam heeft geslagen, waardoor deze letsel en pijn heeft ondervonden

Van het onder 1 primair en 2 subsidiair meer of anders ten laste gelegde zal de verdachte worden vrijgesproken, aangezien de rechtbank dat niet wettig en overtuigend bewezen acht.

STRAFBAARHEID

Het bewezene levert op:

1. primair: poging tot doodslag (art. 45, 302 WvSr)

2. subsidiair: mishandeling, meermalen gepleegd (art. 300 WvSr)

De verdachte is deswege strafbaar, nu geen feiten of omstandigheden gebleken zijn die die strafbaarheid zouden opheffen of uitsluiten.

OPLEGGING VAN STRAF OF MAATREGEL

Gelet op de aard en de ernst van het bewezen en strafbaar verklaarde, op de omstandigheden waaronder verdachte zich daaraan heeft schuldig gemaakt en op de persoon van verdachte, zoals van een en ander uit het onderzoek ter terechtzitting is gebleken, acht de rechtbank de na te noemen beslissing passend. Daarbij overweegt de rechtbank in het bijzonder nog het volgende:

Verdachte heeft zich schuldig gemaakt aan ernstige delicten, waarbij met name het toebrengen van zwaar letsel aan zijn zoon [naam] als buitengewoon ernstig moet worden aangemerkt.

[naam] is voor de rest van zijn leven gehandicapt. Een gevangenisstraf van na te melden duur acht de rechtbank dan ook alleszins gerechtvaardigd. Bij de bepaling van de duur van de gevangenisstraf heeft de rechtbank rekening gehouden met de ouderdom van de feiten en – met betrekking tot het tijdsverloop – de lange periode van inactiviteit tussen december 2005 en december 2006.

Bij haar beslissing heeft de rechtbank voorts rekening gehouden met een de verdachte betreffend (nagenoeg blanco) uittreksel justitiële documentatie d.d. 10 november 2006.

De oplegging van straf of maatregel is, behalve op de reeds aangehaalde wettelijke voorschriften, gegrond op de artikelen 10, 27, 36f en 57 van het Wetboek van Strafrecht.

Benadeelde partij

Bij het onderzoek ter terechtzitting is komen vast te staan, dat de benadeelde partij [naam] rechtstreeks schade heeft geleden ten gevolge van de ten laste van verdachte bewezen verklaarde feiten.

De hoogte van die schade is genoegzaam komen vast te staan tot een bedrag van € 500,-, vermeerderd met de kosten die -tot op heden- worden begroot op nihil.

De vordering van de benadeelde partij, die in die vordering ontvankelijk is, is in dier voege toewijsbaar.

De vordering van de benadeelde partij is naar het oordeel van de rechtbank voor wat het meer gevorderde betreft niet van zo eenvoudige aard dat deze zich leent voor behandeling in het strafgeding. De rechtbank zal derhalve bepalen dat de benadeelde partij in die vordering voor dat deel niet ontvankelijk is en dat de vordering voor dat deel slechts bij de burgerlijke rechter kan worden aangebracht.

De rechtbank zal voorts aan de verdachte op de voet van artikel 36f van het Wetboek van Strafrecht de verplichting opleggen tot betaling aan de Staat van bovengenoemde geldsom van € 500,- ten behoeve van het slachtoffer [naam].

BESLISSING

Het onder 2 primair ten laste gelegde is niet bewezen en de verdachte wordt daarvan vrijgesproken.

Het onder 1 primair en 2 subsidiair ten laste gelegde is bewezen zoals hiervoor aangegeven en levert de strafbare feiten op, zoals hiervoor vermeld. De verdachte is deswege strafbaar.

Het onder 1 primair en 2 subsidiair meer of anders ten laste gelegde is niet bewezen en de verdachte wordt daarvan vrijgesproken.

De rechtbank veroordeelt de verdachte tot een gevangenisstraf voor de duur van 2 jaren.

De tijd, door de verdachte vóór de tenuitvoerlegging van deze uitspraak in verzekering en voorlopige hechtenis doorgebracht, zal bij de tenuitvoerlegging van de opgelegde gevangenisstraf in mindering worden gebracht.

Het (geschorste) bevel tot voorlopige hechtenis wordt opgeheven.

De rechtbank veroordeelt de verdachte tot betaling aan de benadeelde partij [naam] van een bedrag van € 500,-

De verdachte wordt voorts veroordeeld in de kosten, door de benadeelde partij gemaakt, tot op heden begroot op nihil, en ten behoeve van de tenuitvoerlegging nog te maken.

De rechtbank legt op aan verdachte de verplichting tot betaling aan de Staat van een bedrag, groot

€ 500,- ten behoeve van het slachtoffer [naam], bij gebreke van betaling en verhaal te vervangen door 10 dagen hechtenis.

De rechtbank bepaalt dat, indien verdachte heeft voldaan aan zijn verplichting tot betaling aan de Staat daarmee zijn verplichting tot betaling aan de benadeelde partij inzoverre komt te vervallen en andersom dat, indien verdachte heeft voldaan aan zijn verplichting tot betaling aan de benadeelde partij daarmee zijn verplichting tot betaling aan de Staat inzoverre komt te vervallen.

De rechtbank bepaalt dat de benadeelde partij [naam] voor wat het meer gevorderde betreft in haar vordering niet ontvankelijk is en dat zij zij haar vordering voor dat deel slechts bij de burgerlijke rechter kan aanbrengen.

Aldus gewezen door mr. Heeregrave, voorzitter, mrs. Schimmel en Van der Maden, rechters, in tegenwoordigheid van mr. Ter Haar als griffier en uitgesproken ter openbare terechtzitting van 6 februari 2007.