Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBZLY:2007:AZ7162

Instantie
Rechtbank Zwolle-Lelystad
Datum uitspraak
17-01-2007
Datum publicatie
29-01-2007
Zaaknummer
Awb 06/1484
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - enkelvoudig
Inhoudsindicatie

Ongeldigverklaring rijbewijs.

Niet duidelijk is of verweerster kenbaar heeft gemaakt dat de mogelijkheid van het elektronische maken van bezwaar bestaat. Indien verweerster al de mogelijkheid van het elektronisch maken van bezwaar heeft geopend, voldoet eisers bezwaarschrift niet aan het vereiste van een (elektronische) handtekening. Verweerster heeft eiser echter niet in de gelegenheid gesteld om een verzuim te herstellen middels het alsnog schriftelijk indienen van een bezwaarschrift of het alsnog ondertekenen van het elektronische bezwaarschrift.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK ZWOLLE-LELYSTAD

Sector Bestuursrecht, Enkelvoudige Kamer

Registratienummer: Awb 06/1484

Uitspraak

in het geding tussen:

[eiser],

wonende te [woonplaats], eiser,

gemachtigde mr. M.C. Megen, advocaat te Amsterdam,

en

Stichting Centraal Bureau Rijvaardigheidsbewijzen, verweerster.

1. Procesverloop

Op 24 mei 2005 heeft een functionaris van de regiopolitie IJsselland aan verweerster mededeling ex artikel 130 van de Wegenverkeerswet 1994 (verder te noemen: WVW 1994) gedaan, wegens het vermoeden dat eiser niet langer beschikt over de rijvaardigheid dan wel over de lichamelijke of geestelijke geschiktheid, vereist voor het besturen van een of meer categorieën van motorrijtuigen waarvoor dat rijbewijs is afgegeven. Dit vermoeden is gebaseerd op de omstandigheid dat eiser op 7 mei 2005 is aangehouden met een adem of bloedalcoholgehalte van 665 ug/l.

Bij besluit van 19 juli 2005 heeft verweerster naar aanleiding daarvan gevorderd dat eiser zich onderwerpt aan een onderzoek naar de rijvaardigheid tot het besturen van één of meer categorieën van motorrijtuigen waarvoor zijn rijbewijs is afgegeven. Daarbij is aangegeven dat indien eiser niet meewerkt, het rijbewijs ongeldig wordt verklaard. De geldigheid van eisers rijbewijs is hierbij geschorst tot de dag waarop het besluit omtrent de geldigheid van zijn rijbewijs wordt genomen. Tegen dit besluit heeft eiser geen rechtsmiddelen aangewend.

Bij besluit van 14 november 2005 heeft verweerster eisers rijbewijs met ingang van 21 november 2005 ongeldig verklaard wegens het niet meewerken aan het onderzoek.

Tegen dit besluit is namens eiser per e-mailbericht op 21 december 2005, zoals aangevuld bij

e-mailbericht van 6 februari 2006, een bezwaarschrift ingediend bij verweerster.

Bij het bestreden besluit heeft verweerster eisers bezwaren ongegrond verklaard en het besluit van 14 november 2005 in stand gelaten.

Tegen dit besluit is namens eiser bij brief van 21 juni 2006, ingekomen op dezelfde dag, beroep ingesteld bij de rechtbank. Bij brief van 17 juli 2006 heeft eiser de beroepsgronden ingediend.

Op 7 juli 2006 heeft verweerster de op de zaak betrekking hebbende stukken ingediend. Bij schrijven van 21 september 2006 heeft verweerster verweer gevoerd.

Het beroep is op 7 december 2006 ter zitting behandeld. Namens eiser is ter zitting verschenen gemachtigde voornoemd. Verweerster heeft zich onder voorafgaande kennisgeving daarvan ter zitting niet laten vertegenwoordigen.

2. Overwegingen

Ambtshalve dient de rechtbank te beoordelen of verweerster het door eiser ingediende bezwaar terecht ontvankelijk heeft geacht.

Het pro forma bezwaarschrift van 21 november 2005 en het aanvullend bezwaarschrift van 6 februari 2006 zijn namens eiser per e-mail bij verweerster ingediend.

Ingevolge artikel 2:13 van de Algemene wet bestuursrecht (verder: Awb) kunnen berichten tussen burgers en bestuursorganen elektronisch worden verzonden, mits de bepalingen van de afdeling 2.3 van de Awb in acht worden genomen.

Ingevolge artikel 2:15, eerste lid, van de Awb, kan een bericht elektronisch naar een bestuursorgaan worden verzonden voor zover het bestuursorgaan kenbaar heeft gemaakt dat deze weg is geopend. Het bestuursorgaan kan nadere eisen stellen aan het gebruik van de elektronische weg.

Ingevolge artikel 2:16 van de Awb is aan het vereiste van ondertekening voldaan door een elektronische handtekening, indien de methode die daarbij voor authentificatie is gebruikt voldoende betrouwbaar is, gelet op de aard en de inhoud van het elektronische bericht en het doel waarvoor het wordt gebruikt.

In artikel 6:5 van de Awb is (onder meer) bepaald dat een bezwaarschrift dient te worden ondertekend.

Artikel 6:6 bepaalt dat het bezwaar of beroep niet-ontvankelijk kan worden verklaard, indien:

a. niet is voldaan aan artikel 6:5 of aan enig ander bij de wet gesteld vereiste voor het in behandeling nemen van het bezwaar of beroep, of

b. het bezwaar- of beroepschrift geheel of gedeeltelijk is geweigerd op grond van artikel 2:15, mits de indiener de gelegenheid heeft gehad het verzuim te herstellen binnen een hem daartoe gestelde termijn.

Niet duidelijk is of verweerster kenbaar heeft gemaakt dat de mogelijkheid van het elektronische maken van bezwaar bestaat. Indien verweerster al de mogelijkheid van het elektronisch maken van bezwaar heeft geopend, voldoet eisers bezwaarschrift niet aan het vereiste van een (elektronische) handtekening. Verweerster heeft eiser echter niet in de gelegenheid gesteld om een verzuim te herstellen middels het alsnog schriftelijk indienen van een bezwaarschrift of het alsnog ondertekenen van het elektronische bezwaarschrift.

Nu ervan mag worden uitgegaan dat het gebrek aan het bezwaarschrift desgevraagd zou zijn hersteld, ziet de rechtbank uit proceseconomische motieven aanleiding aan het voorgaande voorbij te gaan en te komen tot een inhoudelijke beoordeling van het geschil.

In artikel 132, eerste lid, van de WVW 1994 is geregeld dat degene die zich aan een onderzoek naar zijn rijvaardigheid of geschiktheid dient te onderwerpen, verplicht is de daartoe vereiste medewerking te verlenen.

Het tweede lid van dit artikel bepaalt dat bij gebreke van de in het eerste lid bedoelde medewerking het CBR onverwijld besluit tot ongeldigverklaring van het rijbewijs van de houder.

Artikel 133, tweede lid, van het Reglement rijbewijzen bepaalt dat, indien betrokkene niet op de voor het onderzoek vastgestelde tijd en plaats van het onderzoek aanwezig is, tijd en plaats van het onderzoek door het CBR opnieuw worden vastgesteld, tenzij naar het oordeel van het CBR geen sprake is van een geldige reden van verhindering.

Bij brief van 8 september 2005 is eiser namens verweerster opgeroepen om op 13 oktober

2005 te verschijnen voor een onderzoek naar zijn geschiktheid bij een in die brief genoemde deskundige.

Bij brief van 12 september 2005 is eiser door verweerster bericht dat de onderzoeksdatum van 13 oktober 2005 is komen te vervallen. Bij brief van eveneens 12 september 2005 is eiser een nieuwe datum voor het onderzoek naar de geschiktheid toegezonden, namelijk 4 november 2005. Eiser heeft op 29 september 2005 bloed laten afnemen maar is bij het onderzoek op

4 november 2005 niet verschenen.

Bij het bestreden besluit heeft verweerster het besluit van 14 november 2005 gehandhaafd tot ongeldigverklaring van het rijbewijs wegens het niet meewerken aan het onderzoek door zonder geldige reden van verhindering niet op het onderzoek te verschijnen.

Daarbij is aangegeven dat de oproepbrief van 12 september 2005 voor het onderzoek op 4 november 2005 met juiste tenaamstelling en adressering aangetekend is verzonden en niet retour is ontvangen. Volgens verweerster is eiser zelf verantwoordelijk voor een deugdelijke postverwerking, zodat er vanuit kon worden gegaan dat eiser deze brief heeft ontvangen.

Eiser kan zich niet met het bestreden besluit verenigen en voert daartoe aan dat hij de oproepbrief van 12 september 2005 nooit heeft ontvangen. Volgens eiser dient verweerster aan te tonen dat de betreffende brief is opgesteld, verzonden en eiser heeft bereikt. Eiser acht het niet ondenkbaar dat de oproepbrief gelijk het besluit van 19 juli 2005 verzonden is naar een volstrekt onjuist adres te Rheezerveen.

Uit de onderliggende stukken blijkt genoegzaam dat de oproepbrief van 12 september 2005 voor het onderzoek op 4 november 2005 met juiste tenaamstelling op 12 september 2005 aangetekend en met ontvangstbevestiging aan eiser is verzonden naar het adres te [woonplaats], waar eiser op dat moment woonachtig was. Voorts is gebleken dat op 13 september 2005 voor ontvangst van de betreffende oproepbrief is getekend.

Dat, zoals eiser stelt, niet hij maar een derde de betreffende brief op zijn woonadres in ontvangst heeft genomen en daarvoor heeft getekend dient, wat hiervan ook zij, voor eisers risico te blijven.

Opmerkelijk is, dat de tweede brief van 12 september 2005 die niet aangetekend aan eiser is verzonden op hetzelfde adres en waarin is meegedeeld dat de oorspronkelijke datum van het onderzoek 13 oktober 2005 kwam te vervallen, eiser - naar ter zitting namens eiser is bevestigd -wel heeft bereikt.

Anders dan eiser stelt is niet gebleken dat eiser niet onwillig is om aan het onderzoek mede te werken. Eiser is immers zonder opgaaf van (reden van) verhindering niet op de voor het onderzoek vastgestelde tijd en plaats verschenen, terwijl uit het vorenstaande volgt dat hij geacht kan worden op de hoogte te zijn geweest van tijd en plaats van het onderzoek. Nu van een geldige reden van verhindering niet is gebleken bestond, ingevolge artikel 122, tweede lid, van het Reglement rijbewijzen geen aanleiding een nieuwe tijd en plaats van het onderzoek vast te stellen. Dat eiser wel heeft meegewerkt aan het bloedonderzoek doet hieraan niet af, nu dit slechts een onderdeel van het onderzoek betreft dat, naast een bloedonderzoek, bestaat uit een lichamelijk en psychiatrische onderzoek.

Eiser heeft tot slot aangegeven dat hij zijn rijbewijs nodig heeft voor het werk.

Nu eiser geen medewerking heeft verleend aan het onderzoek, was verweerster echter gehouden zijn rijbewijs ongeldig te verklaren. Artikel 132, tweede lid, van de WVW biedt geen ruimte voor een belangenafweging zoals eiser die voorstaat.

De rechtbank heeft gelet op de procesregeling geen reden gezien in te gaan op het uitstel-verzoek van de gemachtigde van eiser vlak vóór en tijdens de zitting om eiser alsnog in de gelegenheid te stellen bij de behandeling van zijn zaak aanwezig te zijn, nu dat verzoek tardief

is gedaan. Niet is in te zien, dat dit verzoek niet veel eerder gedaan had kunnen worden nu al meerdere weken voor de zittingsdatum bekend was dat eiser vanwege detentie niet in staat was de zitting bij te wonen.

Uit het vorenstaande volgt dat het beroep ongegrond is.

Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.

3. Beslissing

De rechtbank verklaart het beroep ongegrond.

Deze uitspraak is gedaan door mr. A. Oosterveld en in het openbaar uitgesproken in tegenwoordigheid van A. Landstra als griffier, op 17 januari 2007

Afschrift verzonden op:

Rechtsmiddel

Tegen deze uitspraak staat voor een belanghebbende en het bestuursorgaan hoger beroep open. Dit dient te worden ingesteld binnen zes weken na de datum van verzending van deze uitspraak door een beroepschrift en een kopie van deze uitspraak te zenden aan de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State, Postbus 20019, 2500 EA Den Haag.