Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBZLY:2007:AZ7160

Instantie
Rechtbank Zwolle-Lelystad
Datum uitspraak
17-01-2007
Datum publicatie
29-01-2007
Zaaknummer
AWB 06/778
Rechtsgebieden
Omgevingsrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - enkelvoudig
Inhoudsindicatie

Belanghebbende wil te Schalkhaar, in het gebied dat ligt tussen de Colmschaterstraatweg, de Nico Bolkesteinlaan, het Overijssels kanaal en de Oerdijk, de tweede fase van een sportpark realiseren

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK ZWOLLE-LELYSTAD

Sector Bestuursrecht

Enkelvoudige Kamer

Reg.nr.: AWB 06/778

UITSPRAAK

in het geschil tussen:

[eiser], wonende te [woonplaats], eiser,

gemachtigde: mw mr. J.G.J. Van den Bergh, juridisch adviseur te Zwolle,

en

het college van burgemeester en wethouders van Deventer ,

verweerder,

de gemeente Deventer, belanghebbende.

1. Aanduiding bestreden besluit

Besluit van verweerder d.d. 16 februari 2006, nummer RMW/RO/05.22540.

2. Ontstaan en loop van de procedure

Bij aanvraag van 28 september 2005 heeft de gemeente Deventer (afdeling Voorzieningen van de sector Welzijn, Cultuur en Onderwijs) verweerder verzocht om in verband met de aanleg van de tweede fase van het nieuwe sportpark te Schalkhaar, onder toepassing van het bepaalde in artikel 19, tweede lid, van de Wet op de Ruimtelijke Ordening (verder: WRO), vrijstelling van het bestemmingsplan te verlenen voor de aanleg van:

- 5 voetbalvelden,

- 1 handbalveld,

- 2 jeu de boules banen,

- 150 parkeerplaatsen, en

- een fietsenstalling voor 250 fietsen.

Verweerder heeft de aanvraag en het voornemen om vrijstelling te verlenen vanaf 13 oktober 2005 gedurende zes weken ter visie gelegd. Bij brief van 5 november 2005 heeft eiser zijn zienswijze gegeven met betrekking tot het voornemen van verweerder.

Bij besluit van 14 februari 2006, verzonden op 16 februari 2006, heeft verweerder besloten om, onder toepassing van het bepaalde in artikel 19, tweede lid, van de WRO, de gevraagde vrijstelling te verlenen.

Bij brief van 27 maart 2006 heeft eiser tegen het bestreden besluit beroep ingesteld.

Bij brief van 23 mei 2006 heeft de rechtbank de gemeente Deventer in de gelegenheid gesteld om als belanghebbende partij deel te nemen aan dit geding.

Verweerder heeft een verweerschrift ingezonden.

Het beroep is op 26 september 2006 ter zitting behandeld.

Eiser is in persoon verschenen bijgestaan door zijn gemachtigde.

Verweerder heeft zich doen vertegenwoordigen door de heer B.P. Groot, ambtenaar van de gemeente Deventer, vergezeld van de heer B.J. Zandhuis, verkeersdeskundige. Namens belanghebbende is de heer J. Boode, ambtenaar van de gemeente Deventer, verschenen.

De rechtbank heeft het onderzoek ter zitting met toepassing van artikel 8:64 van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) geschorst en verweerder de gelegenheid geboden om aan te geven of er een verbod is om de gronden waarop verweerder het sportpark wenst te realiseren in strijd met hun bestemming te gebruiken.

Bij brief van 6 oktober 2006 heeft verweerder een schriftelijke toelichting gegeven. Bij brief van 16 oktober 2006 heeft eiser vervolgens gereageerd. Belanghebbende heeft niet gereageerd.

Partijen hebben de rechtbank toestemming gegeven om zonder nadere zitting uitspraak te doen.

3. Motivering

In geding is de vraag of het bestreden besluit in rechte kan worden gehandhaafd.

Belanghebbende wil te Schalkhaar, in het gebied dat ligt tussen de Colmschaterstraatweg, de Nico Bolkesteinlaan, het Overijssels kanaal en de Oerdijk, de tweede fase van een sportpark realiseren.

De rechtbank stelt vast dat op de gronden waarop belanghebbende het sportpark wenst te realiseren de ‘herziening uitbreidingsplan in hoofdzaak’, vastgesteld op 21 augustus 1952 door de raad van de (toenmalige) gemeente Diepenveen, van toepassing is. Op grond van dit plan hebben de gronden waarop verweerder de uitbreiding van het sportpark wenst te realiseren de bestemming ‘agrarisch gebied II’.

De rechtbank overweegt vooreerst dat het op 21 augustus 1952 vastgestelde plan een uitbreidingsplan in hoofdzaak is, dat is vastgesteld op grond van de Woningwet van 1901. Op grond van het bepaalde in artikel 10, eerste lid, van de Overgangswet ruimtelijke ordening en volkshuisvesting worden plannen van uitbreiding die zijn vastgesteld krachtens de Woningwet van 1901 geacht bestemmingsplannen in de zin van de WRO te zijn. Dergelijke plannen behouden het rechtsgevolg dat zij bij de inwerkingtreding van de Woningwet van 1965 hadden. Het plan bevat geen verbod om gronden in strijd met hun bestemming te gebruiken. Een dergelijk gebruiksverbod was op grond van de Woningwet van 1901 ook niet mogelijk.

Uit de stukken welke verweerder de rechtbank op 6 oktober 2006 heeft doen toekomen blijkt dat de raad van de toenmalige gemeente Diepenveen op 21 oktober 1993 de ‘9e partiële herziening van het uitbreidingsplan in hoofdzaak 1953 van de gemeente Diepenveen’ heeft vastgesteld. Dit bestemmingsplan is op 7 december 1993 goedgekeurd door gedeputeerde staten van Overijssel. Bij dit bestemmingsplan is aan de voorschriften behorende bij de op 21 augustus 1952 vastgestelde ‘herziening uitbreidingsplan in hoofdzaak’ een gebruiksbepaling toegevoegd. Blijkens deze bepaling is het verboden de in het plan begrepen onbebouwde gronden en bouwwerken anders te gebruiken dan in overeenstemming met de in het plan aan die gronden en bouwwerken gegeven bestemming.

Gelet op het voorgaande is het voornemen van verweerder om op de gronden tussen de Colmschaterstraatweg, de Nico Bolkesteinlaan, het Overijssels kanaal en de Oerdijk, te Schalkhaar, een sportpark te realiseren in strijd met het bestemmingsplan.

Verweerder heeft met toepassing van het bepaalde in artikel 19, tweede lid, van de WRO vrijstelling verleend van de belemmerende bepalingen van het bestemmingsplan, ten behoeve van de beoogde aanleg van het sportpark.

De rechtbank dient alvorens tot een inhoudelijke beoordeling van het besluit te komen, te beoordelen of verweerder bevoegd was tot het verlenen van een vrijstelling op voet van het bepaalde in artikel 19, tweede lid, van de WRO.

Zij is, in navolging van de uitspraak van de Afdeling Bestuursrechtspraak van de Raad van State van 28 juni 2006 (no. 200506294/1; AB 2006/236), van oordeel dat de door gedeputeerde staten in overeenstemming met de inspecteur voor de ruimtelijke ordening vastgestelde lijst met categorieën van gevallen waarvoor met toepassing van artikel 19, tweede lid, van de WRO vrijstelling kan worden verleend een, algemeen verbindend voorschrift betreft. Ingevolge het bepaalde in artikel 136, tweede lid, van de Provinciewet dient bekendmaking van een dergelijk algemeen verbindend voorschrift plaats te vinden door plaatsing in het provinciaal blad, dat algemeen verkrijgbaar wordt gesteld.

De rechtbank stelt vast dat de hiervoor genoemde lijst ten tijde van het nemen van het bestreden besluit niet op de voorgeschreven wijze bekend was gemaakt. Bekendmaking op de voorgeschreven wijze heeft eerst plaatsgevonden op 25 juli 2006, in provinciaal blad nr. 2006, 102. Verweerder was derhalve ten tijde van het nemen van het bestreden besluit niet bevoegd om met toepassing van artikel 19, tweede lid, van de WRO vrijstelling te verlenen.

Het bestreden besluit wordt, gelet op hetgeen hiervoor is overwogen, niet gedragen door een deugdelijke motivering. Het beroep is derhalve gegrond en het bestreden besluit dient te worden vernietigd.

De rechtbank zal thans beoordelen of aanleiding bestaat om de rechtsgevolgen van het vernietigde besluit in stand te laten.

De rechtbank stelt vooreerst vast dat de door gedeputeerde staten in overeenstemming met de inspecteur voor de ruimtelijke ordening vastgestelde lijst met categorieën van gevallen waarvoor met toepassing van artikel 19, tweede lid, van de WRO vrijstelling kan worden verleend inmiddels op de voorgeschreven wijze bekend is gemaakt. Tevens staat vast dat de verleende vrijstelling valt binnen de categorieën waarvoor, op grond van deze lijst, met toepassing van artikel 19, tweede lid, van de WRO vrijstelling kan worden verleend.

Ingevolge artikel 19, tweede lid, jo. artikel 19, eerste lid, van de WRO is een voorwaarde voor de verlening van vrijstelling van het geldende bestemmingsplan met toepassing van artikel 19, tweede lid, van de WRO, dat een project is voorzien van een goede ruimtelijke onderbouwing. Onder een goede ruimtelijke onderbouwing wordt bij voorkeur een gemeentelijk of intergemeentelijk structuurplan verstaan. Indien er geen structuurplan is of wordt opgesteld, wordt bij de ruimtelijke onderbouwing in elk geval ingegaan op de relatie met het geldende bestemmingsplan, dan wel wordt er gemotiveerd waarom het te realiseren project past binnen de toekomstige bestemming van het betreffende gebied. Indien verweerder een bewuste keuze heeft gemaakt voor een bepaald project kan deze keuze, mits voorzien van een goede ruimtelijke onderbouwing, slechts marginaal door de rechter worden getoetst.

Verweerder heeft, bij wijze van ruimtelijke onderbouwing van het project, een groot aantal stukken overgelegd, waaronder de Ruimtelijke visie Schalkhaar, van mei 2004, het akoestisch onderzoek, van 11 oktober 2005, en het lichtonderzoek sportvelden Schalkhaar, van 30 november 2004, met aanvulling van 27 september 2005.

Eiser stelt zich op het standpunt dat het project niet voorzien is van een goede ruimtelijke onderbouwing en dat verweerder bij afweging van de belangen geen vrijstelling had behoren te verlenen. Eiser wijst in dit verband op mogelijk gevaar voor de verkeersveiligheid, in het bijzonder voor overstekende fietsers, vanwege de ontsluiting van het sportpark via de Oerdijk. Tevens vreest eiser het project zal leiden tot een toename van het aantal files vlak voor eisers woning, op de Oerdijk.

De rechtbank is van oordeel dat de ruimtelijke onderbouwing van het project voldoet, ook voor wat betreft de verkeersveiligheid van de Oerdijk voor overstekende fietsers. Verweerder heeft maatregelen genomen om een verkeersveilige oversteek van de Oerdijk, voor fietsers die willen afslaan naar het aan te leggen sportpark, mogelijk te maken. Zo is ervoor gekozen om een middengeleider te realiseren, waardoor een oversteek in twee stappen mogelijk wordt gemaakt. Verder worden enkele bomen gekapt om een beter overzicht mogelijk te maken en zullen ter hoogte van de oversteek snelheidsremmende maatregelen worden aangelegd. Naar het oordeel van de rechtbank heeft verweerder, door de getroffen maatregelen, voldoende rekening gehouden met de verkeersveiligheid op de Oerdijk, voor overstekende fietsers. Voorts is ter zitting gebleken dat het de bedoeling is om in de nabije toekomst meerdere ontsluitingen van het sportpark te realiseren, die met name bedoeld zijn voor fietsers.

Niet kan worden geoordeeld dat verweerder de betrokken belangen niet op zorgvuldige wijze tegen elkaar heeft afgewogen. Niet gebleken is dat de toename van het verkeer op de Oerdijk ten gevolge van de realisering van het project tot ontoelaatbare hinder voor eiser zal leiden.

De rechtbank ziet, gelet op hetgeen hiervoor is overwogen, aanleiding om de rechtsgevolgen van het vernietigde besluit in stand te laten.

Er zijn termen verweerder te veroordelen in de kosten die de andere partij in verband met de behandeling van het beroep redelijkerwijs heeft moeten maken. Deze kosten zijn, op basis van toekenning van 1 punt voor het beroep en 1 punt voor de behandeling ter zitting begroot op € 644,- als kosten van verleende rechtsbijstand.

4. Beslissing

De rechtbank:

- verklaart het beroep gegrond;

- vernietigt het bestreden besluit;

- bepaalt dat de rechtsgevolgen van het vernietigde besluit in stand blijven;

- veroordeelt verweerder in de proceskosten, welke begroot worden op € 644,-, door de gemeente Deventer te betalen aan eiser;

- gelast dat de gemeente Deventer aan eiser het door hem betaalde griffierecht, ten bedrage van € 141,-, vergoedt.

Gewezen door mr. J.H.M. Hesseling en in het openbaar uitgesproken op 17 januari 2007in tegenwoordigheid van mr. A. van der Weij als griffier.

Tegen deze uitspraak staat voor een belanghebbende en het bestuursorgaan hoger beroep open. Dit dient te worden ingesteld binnen zes weken na de datum van verzending van deze uitspraak door een beroepschrift en een kopie van deze uitspraak te zenden aan de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State, Postbus 20019, 2500 EA Den Haag.

afschrift verzonden op