Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBZLY:2007:AZ7158

Instantie
Rechtbank Zwolle-Lelystad
Datum uitspraak
17-01-2007
Datum publicatie
29-01-2007
Zaaknummer
AWB 06/1873
Formele relaties
Hoger beroep: ECLI:NL:CRVB:2009:BI9020, Bekrachtiging/bevestiging
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Socialezekerheidsrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - enkelvoudig
Inhoudsindicatie

Partijen zijn verdeeld over de ingangsdatum van het aan eiseres toegekende recht op kinderbijslag.

Kern van het geschil betreft de vraag of verweerder zich terecht op het standpunt heeft gesteld dat aan de uitkering van eiseres geen terugwerkende kracht kan worden toegekend.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK ZWOLLE-LELYSTAD

Sector Bestuursrecht

Enkelvoudige Kamer

Reg.nr.: AWB 06/1873

UITSPRAAK

in het geschil tussen:

[eiseres],

wonende te [woonplaats],

eiseres,

en

de Sociale Verzekeringsbank (SVB),

vestiging Deventer,

verweerder.

1. Aanduiding bestreden besluit

Besluit van verweerder d.d. 3 augustus 2006.

2. Ontstaan en loop van de procedure

Bij besluit van 31 mei 2006 heeft verweerder beslist dat eiseres, nu bijzondere omstandigheden ontbreken, niet vroeger dan een jaar voorafgaand aan de eerste dag van het kalenderkwartaal waarin de aanvraag werd ingediend, recht op kinderbijslag ingevolge de Algemene Kinderbijslagwet (hierna: de AKW) heeft.

Tegen dit besluit heeft eiseres op 29 juni 2006 bezwaar gemaakt. Bij het bestreden besluit is dit bezwaar ongegrond verklaard.

Op 16 augustus 2006 is tegen het bestreden besluit beroep ingesteld. Verweerder heeft een verweerschrift ingezonden.

Het beroep is op 7 december 2006 ter zitting behandeld. Eiseres is verschenen. Verweerder heeft zich doen vertegenwoordigen door dhr. A. van der Weerd.

3. Motivering

Partijen zijn verdeeld over de ingangsdatum van het aan eiseres toegekende recht op kinderbijslag.

Bij de beantwoording van deze vraag gaat de rechtbank uit van de volgende feiten en omstandigheden.

Bij besluit van 29 september 2005 heeft de Minister voor Vreemdelingenzaken en Integratie aan eiseres een verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd, als bedoeld in artikel 8, eerste lid, aanhef en onder c, van de Vreemdelingenwet 2000 (hierna: de Vw 2000) verleend. Voornoemde verblijfsvergunning heeft als ingangsdatum 25 november 2002 en is geldig tot 25 november 2005.

Eiseres heeft op 9 november 2005 bij verweerder een aanvraag om kinderbijslag ingevolge de AKW ingediend. Bij besluit van 28 april 2006 heeft verweerder beslist dat eiseres met ingang van het vierde kwartaal van 2004 recht op kinderbijslag ingevolge de AKW heeft. Dit komt neer op een terugwerkende kracht van een jaar. Bij brief van 11 mei 2006 heeft eiseres verweerder verzocht gebruik te maken van zijn bevoegdheid om af te wijken van hetgeen in artikel 14, derde lid, eerste volzin van de AKW is bepaald en aan haar kinderbijslag met een terugwerkende kracht van vijf jaar toe te kennen. Hierna heeft besluitvorming plaatsgevonden als weergegeven in rubriek 2 van deze uitspraak.

Ingevolge het bepaalde in artikel 2 van de AKW is ingezetene in de zin van deze wet degene die in Nederland woont. Ingevolge het bepaalde in artikel 3, eerste lid, van de AKW wordt waar iemand woont naar de omstandigheden beoordeeld.

Artikel 6 van de AKW regelt wie ingevolge deze wet verzekerd zijn. In het eerste lid van dit artikel, onder a, wordt - voor zover thans van belang - bepaald dat degene die ingezetene is overeenkomstig de bepalingen van deze wet verzekerd is.

Ingevolge het tweede lid van artikel 6 van de AKW is niet verzekerd de vreemdeling die niet rechtmatig in Nederland verblijf houdt in de zin van artikel 8, onder a tot en met e en l, van de Vw 2000.

In het derde lid van voornoemd artikel is bepaald dat bij of krachtens algemene maatregel van bestuur, in afwijking van het eerste en tweede lid, uitbreiding dan wel beperking kan worden gegeven van de kring der verzekerden.

Ingevolge het vierde lid van artikel 6 van de AKW kan bij een maatregel, als bedoeld in het derde lid, van het tweede lid worden afgeweken ten aanzien van:

a. vreemdelingen die rechtmatig in Nederland arbeid verrichten, dan wel hebben verricht;

b. vreemdelingen die, na rechtmatig verblijf te hebben gehouden in de zin van artikel 8, onder a tot en met e en l, van de Vw 2000, rechtmatig in Nederland verblijf hebben als bedoeld in artikel 8, onder g of h, van de Vw 2000.

Ingevolge artikel 14, derde lid, van de AKW, eerste volzin, kan het recht op kinderbijslag niet vroeger ingaan dan een jaar voorafgaand aan de eerste dag van het kalenderkwartaal tijdens welk de aanvraag om kinderbijslag is ingediend. In de tweede volzin van dit artikellid is voorts bepaald dat de Sociale verzekeringsbank in bijzondere gevallen bevoegd is af te wijken van het bepaalde in de eerste volzin.

Ingevolge artikel 9a van het Besluit uitbreiding en beperking kring verzekerden volksverzekeringen 1999 (hierna: het BUB 1999) is een vreemdeling, die rechtmatig in Nederland verblijft in de zin van artikel 8, onder c, van de Vw 2000, ongeacht of hij als ingezetene kan worden beschouwd, verzekerd op grond van de volksverzekeringen met ingang van de dag waarop positief op de verblijfsvergunningsaanvraag wordt beschikt.

Eiseres stelt - kort samengevat - dat in het onderhavige geval sprake is van bijzondere omstandigheden op grond waarvan verweerder gebruik had moeten maken van zijn bevoegdheid de desbetreffende uitkering met een terugwerkende kracht van meer dan één jaar toe te kennen.

Verweerder bestrijdt voornoemd standpunt en stelt dat de uitkering - gelet op artikel 9a van het BUB 1999 - in het geheel niet met terugwerkende kracht had kunnen worden toegekend. Immers, blijkens voornoemd artikel is een vreemdeling die rechtmatig in Nederland verblijft in de zin van artikel 8, onder c, van de Vw 2000, eerst met ingang van de dag waarop positief op de verblijfsvergunningsaanvraag wordt beschikt verzekerd, aldus verweerder. Dit brengt met zich dat ook de kinderbijslag over het vierde kwartaal 2004 tot en met het vierde kwartaal 2005 ten onrechte aan eiseres is toegekend. Verweerder heeft laten weten niet tot terugvordering van de over voornoemde periode betaalde bedragen te zullen overgaan.

De rechtbank oordeelt als volgt.

Tussen partijen is niet in geschil dat eiseres op 9 november 2005 - dat wil zeggen, op datum aanvraag uitkering - de beschikking had over een verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd, in de zin van artikel 8, onder c, van de Vw 2000. Dit brengt met zich dat de uitsluiting, neergelegd in artikel 6, tweede lid, van de AKW, op dat moment niet op haar van toepassing was.

Kern van het geschil betreft de vraag of verweerder zich terecht op het standpunt heeft gesteld dat aan de uitkering van eiseres geen terugwerkende kracht kan worden toegekend.

Aangezien verweerder, onder verwijzing naar artikel 9a van de BUB 1999, stelt dat dit niet het geval is en eiseres dit met zoveel woorden heeft bestreden, zal eerst worden bezien of en - zo ja - op welke wettelijke grondslag voornoemd artikel berust. Bij brief van 24 november 2006 heeft de rechtbank verweerder verzocht uiterlijk ter zitting aan te geven op welke wettelijke grondslag dit artikel naar zijn oordeel berust.

Ter zitting heeft verweerder uiteengezet dat artikel 9a van het BUB 1999 zijn grondslag vindt in artikel 6, eerste lid, van de AKW. Artikel 9a van het BUB 1999, zo betoogt verweerder, bevat een uitbreiding van de kring der verzekerden nu blijkens de bewoordingen van dit artikel vreemdelingen, die rechtmatig in Nederland verblijven in de zin van artikel 8, onder c, van de Vw, ongeacht of zij als ingezetene kunnen worden beschouwd, verzekerd zijn op grond van de volksverzekeringen. Dat aan het einde van dit artikel wordt bepaald op welk moment het verzekerd zijn ingaat - te weten met ingang van de dag waarop positief op de verblijfsvergunningsaanvraag wordt beschikt - maakt het voorgaande niet anders nu dit een geoorloofde beperking van voornoemde uitbreiding betreft, aldus verweerder.

Naar het oordeel van de rechtbank moeten wettelijke bepalingen met inachtneming van de wettelijke context waarbinnen zij functioneren en in het licht van hun onderwerp en doel, primair grammaticaal - overeenkomstig de normale betekenis van de termen van de wet - worden uitgelegd. De bedoeling die de wetgever heeft gehad met een wettelijke bepaling, zoals die valt af te leiden uit bijvoorbeeld de Memorie van Toelichting of de Nota van Toelichting, kan bij uitleg van een bepaling uitsluitend een meer dan aanvullende betekenis hebben indien de tekst van de wet niet helder is of een louter grammaticale lezing de betreffende bepaling berooft van elke of vrijwel elke zin.

De rechtbank is van oordeel dat de tekst van artikel 9a van het BUB 1999 voldoende helder en duidelijk is. Het eerste deel van dit artikel - tot en met het woord ‘volksverzekeringen’ - behelst een uitbreiding van de kring der verzekerden voor zover dit ziet op vreemdelingen met een verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd die op grond van artikel 6, eerste lid, van de AKW niet als ingezetenen kunnen worden beschouwd. Een dergelijke uitbreiding is mogelijk op grond van het bepaalde in artikel 6, derde lid, van de AKW, gelezen in samenhang met artikel 6, eerste lid, van de AKW.

Het laatste deel van voornoemd artikel betreft de ingangsdatum van het verzekerd zijn van de vreemdeling. Dit verzekerd zijn gaat, gelet op de bewoordingen van dit artikel, eerst in op de dag waarop positief op de verblijfsvergunningsaanvraag is beschikt.

Deze laatste zinsnede kan echter naar het oordeel van de rechtbank - puur grammaticaal bezien - niet worden gelezen als een uitbreiding dan wel beperking van (de uitbreiding van) de kring der verzekerden, gebaseerd op voornoemd artikel uit de AKW.

In de Nota van Toelichting behorende bij de wijziging van het BUB 1999 (Staatsblad 2001, 183) wordt met zoveel woorden uiteengezet dat bij de totstandkoming van artikel 9a van voornoemd besluit is beoogd vreemdelingen met een verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd als ingezetene van Nederland te beschouwen. Daarnaast wordt in deze toelichting met zoveel woorden uiteengezet dat het ‘zijn van ingezetene’ - en derhalve ook het verzekerd zijn - van deze categorie vreemdelingen eerst dient in te gaan op het moment dat positief op de verblijfsvergunningaanvraag is beschikt. De achterliggende gedachte bij deze ingangsdatum is onder meer gelegen in de omstandigheid dat de sociale zekerheidsrechten van de betreffende vreemdeling in de periode welke voorafgaat aan de afgifte van voornoemde verblijfsvergunning zijn geregeld in de krachtens de Wet Centraal Orgaan Opvang asielzoekers (Wet COA) vastgestelde regelingen.

Gelet op deze toelichting moet er van worden uitgegaan dat met artikel 9a van het BUB 1999 is beoogd vreemdelingen met een verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd eerst vanaf het moment dat er in positieve zin op de verblijfsvergunningsaanvraag wordt beschikt, als ingezetene in de zin van artikel 6, eerste lid, van de AKW te beschouwen. De rechtbank is dan ook, in overeenstemming met de in de Nota van Toelichting bij de wijziging van het BUB 1999 vermelde duidelijke bedoeling, van oordeel dat artikel 9a van het BUB 1999, in weerwil van de letterlijke tekst van die bepaling, zo moet worden gelezen dat een vreemdeling met een verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd eerst als ingezetene - en dus ook als verzekerd - in de zin van artikel 6 van de AKW kan worden aangemerkt vanaf de datum dat positief op de verblijfsvergunningsaanvraag is beschikt.

Gelet op deze lezing behelst artikel 9a van het BUB 1999 naast een uitbreiding ook een beperking van de kring der verzekerden. Immers, ook indien een vreemdeling

- zoals bijvoorbeeld eiseres - reeds langere tijd in Nederland verblijf heeft gehad in afwachting van een verblijfsvergunning wordt de vreemdeling - los van de vraag of de vreemdeling in verband met de (individuele) omstandigheden van het geval reeds in een eerder stadium als ingezetene zou kunnen worden aangemerkt - op grond van voornoemd artikel van het BUB 1999 eerst als ingezetene beschouwd vanaf de datum dat hij over een verblijfsvergunning beschikt. Van strijd met de wet is echter geen sprake nu in artikel 6, derde lid, van de AKW, gelezen in samenhang met artikel 6, eerste lid, van de AKW is bepaald dat bij of krachtens algemene maatregel van bestuur uitbreiding dan wel beperking van de kring der verzekerden mogelijk is.

Verweerder heeft artikel 9a van het BUB 1999 dan ook aan eiseres kunnen tegenwerpen. Nu dit artikel met zich brengt dat eiseres niet is verzekerd over de periode voorafgaand aan de dag waarop positief op haar verblijfsvergunningsaanvraag is beschikt, heeft verweerder terecht besloten over die periode geen kinderbijslag toe te kennen. Het beroep is derhalve ongegrond.

4. Beslissing

De rechtbank verklaart het beroep ongegrond.

Gewezen door mr. J.J. Szauer-Bos en in het openbaar uitgesproken op 17 januari 2007 in tegenwoordigheid van W. Veldman als griffier.

Tegen deze uitspraak staat voor een belanghebbende en het bestuursorgaan hoger beroep open. Dit dient te worden ingesteld binnen zes weken na de datum van verzending van deze uitspraak door een beroepschrift en een kopie van deze uitspraak te zenden aan de Centrale Raad van Beroep, Postbus 16002, 3500 DA Utrecht.

afschrift verzonden op