Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBZLY:2007:AZ6730

Instantie
Rechtbank Zwolle-Lelystad
Datum uitspraak
09-01-2007
Datum publicatie
23-01-2007
Zaaknummer
AWB 06/1560
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Socialezekerheidsrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - enkelvoudig
Inhoudsindicatie

Partijen zijn verdeeld over het antwoord op de vraag of verweerder terecht de WAO-uitkering van eiseres met ingang van 3 april 2006 heeft ingetrokken.

Medisch (her)onderzoek kan niet tevens dienen als hoorzitting.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK ZWOLLE-LELYSTAD

Sector Bestuursrecht

Enkelvoudige Kamer

Reg.nr.: AWB 06/1560

UITSPRAAK

in het geschil tussen:

[eiseres], wonende te [woonplaats], eiseres,

gemachtigde: mr. L.E. Nijk,

en

de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut Werknemers-verzekeringen (UWV), gevestigd te Amsterdam (kantoor Apeldoorn), verweerder.

1. Aanduiding bestreden besluit

Besluit van verweerder d.d. 15 juni 2006.

2. Ontstaan en loop van de procedure

Bij besluit van 3 februari 2006 heeft verweerder de uitkering ingevolge de Wet op de arbeidsongeschiktheidsverzekering (WAO) van eiseres met ingang van 3 april 2006 ingetrokken.

Tegen dit besluit is op 22 februari 2006 een bezwaarschrift ingediend.

Bij het bestreden besluit is dit bezwaarschrift ongegrond verklaard.

Op 1 juli 2006 is tegen het bestreden besluit beroep ingesteld.

Verweerder heeft de op de zaak betrekking hebbende stukken en een verweerschrift ingezonden.

Het beroep is op 28 november 2006 ter zitting behandeld.

Eiseres heeft zich laten vertegenwoordigen door mr. Nijk voornoemd.

Verweerder heeft zich laten vertegenwoordigen door J.L. Gerritsen.

3. Motivering

Partijen zijn verdeeld over het antwoord op de vraag of verweerder terecht de WAO-uitkering van eiseres met ingang van 3 april 2006 heeft ingetrokken.

De rechtbank zal zich in de eerste plaats uitlaten over de grief van eiseres dat zij in de bezwaarprocedure ten onrechte niet in de gelegenheid is gesteld te worden gehoord.

Ingevolge artikel 7:2 van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) stelt het bestuurs-orgaan voordat het op het bezwaar beslist belanghebbende in de gelegenheid te worden gehoord.

Ingevolge artikel 7:3 van de Awb kan van het horen worden afgezien indien:

(a) het bezwaar kennelijk niet-ontvankelijk is,

(b) het bezwaar kennelijk ongegrond is,

(c) de belanghebbenden hebben verklaard geen gebruik te willen maken van het recht te worden gehoord,

(d) aan het bezwaar volledig tegemoet wordt gekomen en andere belanghebbenden daardoor niet in hun belangen kunnen worden geschaad.

Verweerder heeft gesteld dat eiseres wel is gehoord; omdat het bezwaar alleen medische grieven bevatte, is ervoor gekozen het horen met een medisch onderzoek door de bezwaarverzekeringsarts te combineren.

Naar het oordeel van de rechtbank is deze stelling van verweerder niet houdbaar. Het medisch (her)onderzoek is van wezenlijk andere aard dan een hoorzitting waarin eiseres bijgestaan door haar raadsman in de gelegenheid zou zijn geweest haar (juridisch onderbouwde) grieven mondeling naar voren te brengen en kan een hoorzitting niet vervangen.

Naar het oordeel van de rechtbank doet zich geen van de situaties als bedoeld in artikel 7:3 van de Awb voor. Dit artikel biedt daarnaast geen aanknopingspunten voor het achterwege laten van een hoorzitting om inhoudelijke redenen.

Het niet horen kan naar het oordeel van de rechtbank niet met toepassing van artikel 6:22 van de Awb worden gepasseerd. Reeds hierom komt het bestreden besluit, wegens schending van de in artikel 7:2 van de Awb vervatte hoorplicht, voor vernietiging in aanmerking.

Nu er alsnog een hoorzitting zal worden gehouden, komt de rechtbank niet toe aan een beoordeling van de medische grondslag van het besluit.

Met betrekking tot de arbeidskundige grondslag van het besluit overweegt de rechtbank het volgende.

Uitgaande van de voor eiseres in de FML vastgelegde beperkingen heeft de arbeidsdeskundige met gebruik van het zogeheten Claimbeoordelings- en Borgingssysteem (CBBS) beoordeeld welke (voorbeeld)functies eiseres nog zou kunnen verrichten. Blijkens het arbeidskundig rapport d.d. 30 januari 2006 zijn de volgende functies aan eiseres voorgehouden: controleur, tester elektronische apparatuur (SBC 267060), chauffeur heftruck, intern transport (SBC 111270) en machinaal metaalbehandelaar, excl. bankwerk (SBC 264121). Uitgaande van de verdiensten in deze functies heeft de arbeidsdeskundige het verlies aan verdiencapaciteit van eiseres vastgesteld op 0%.

Verweerder heeft het CBBS aangepast naar aanleiding van uitspraken van de Centrale Raad van Beroep van 9 november 2004 (onder meer gepubliceerd op www.rechtspraak.nl onder LJN-nummer AR4719) inhoudende dat het systeem op onderdelen onvoldoende inzichtelijk, verifieerbaar en toetsbaar was. Naar het oordeel van de rechtbank voldoet het aangepaste CBBS daaraan thans wel, met de kanttekening dat van verweerder mag worden verwacht dat per functie een adequate toelichting wordt gegeven bij alle signaleringen. Het gaat dan om mogelijke overschrijdingen van de belastbaarheid van betrokkene bij een beoordelingspunt en beoordelingspunten die hetzij wel voorkomen in de FML maar niet in het zogeheten Resultaat Functiebeoordeling of omgekeerd, waardoor geen geautomatiseerde vergelijking van belastbaarheid en functiebelasting plaats kan vinden (niet-matchende punten).

Naar het oordeel van de rechtbank is niet bij niet alle signaleringen - bijvoorbeeld de items 4.17.0 (hoofdbewegingen) en 7.1.0 (probleemoplossen) - voldoende gemotiveerd waarom de betreffende functie desondanks passend kan worden geacht voor eiseres.

Ter zitting is namens verweerder alsnog een motivering gegeven bij de signaleringen. Naar het oordeel van de rechtbank kan verweerder echter niet volstaan met het eerst ter zitting geven van een motivering van de signaleringen, zodat het besluit ook op dit onderdeel niet in stand kan blijven.

Nu de grieven van eiseres op dit punt doel hebben getroffen, zal de rechtbank de grieven van eiseres, betrekking hebbend op de bij de functies behorende opleidingseisen, en die eveneens eerst ter zitting zijn aangevoerd, niet meer bespreken.

Ten overvloede merkt de rechtbank op dat uit het dossier niet helemaal duidelijk is wat de precieze omvang is van de maatman van eiseres.

De rechtbank ziet aanleiding verweerder te veroordelen in de kosten eiseres in verband met de behandeling van het beroep heeft moeten maken. Met toepassing van het Besluit proceskosten bestuursrecht worden 2 punten toegekend, waarbij een wegingsfactor 1 wordt gehanteerd.

4. Beslissing

De rechtbank

- verklaart het beroep gegrond;

- vernietigt het bestreden besluit;

- draagt verweerder op een nieuwe beslissing te nemen op het bezwaarschrift van eiseres met inachtneming van het gestelde in deze uitspraak;

- bepaalt dat het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen het betaalde griffierecht van € 38,= aan eiseres vergoedt;

- veroordeelt verweerder in de proceskosten van eiseres tot een bedrag van € 644,=, te betalen door het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen.

Gewezen door mr. A. Oosterveld en in tegenwoordigheid van mr. P.A.M. Spreuwenberg als griffier in het openbaar uitgesproken op 9 januari 2007

Tegen deze uitspraak staat voor een belanghebbende en het bestuursorgaan hoger beroep open. Dit dient te worden ingesteld binnen zes weken na de datum van verzending van deze uitspraak door een beroepschrift en een kopie van deze uitspraak te zenden aan de Centrale Raad van Beroep, Postbus 16002, 3500 DA Utrecht.

afschrift verzonden op