Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBZLY:2006:BA9091

Instantie
Rechtbank Zwolle-Lelystad
Datum uitspraak
08-11-2006
Datum publicatie
12-07-2007
Zaaknummer
111418/HA ZA 05-950
Rechtsgebieden
Civiel recht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - enkelvoudig
Inhoudsindicatie

De vraag of de rechtbank gehouden is aan oordelen van het Hof in een incidenteel (bevoegdheid) arrest wordt in rechtsoverweging 2.5.1. bevestigend beantwoord.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK ZWOLLE-LELYSTAD

Sector Civiel recht

zaaknummer: 111418 ha za 05-950

datum vonnis: 8 november 2006 (i)

Vonnis van de rechtbank Zwolle-Lelystad, enkelvoudige kamer voor burgerlijke zaken, in de zaak van:

Maatschap [eiser sub a ] en [eiseres sub b] ,

gevestigd te [plaats],

eiseres,

verder te noemen: [eiseres],

procureur: mr. J.T. Fuller,

tegen

de besloten vennootschap met beperkte aansprakelijkheid

CSM Suiker B.V.,

gevestigd te [plaats],

gedaagde,

verder te noemen: CSM,

procureur: mr. J.A. van Wijmen,

advocaat: mr. Y. de Vries te Den Haag.

1. Het procesverloop

1.1 De rechtbank heeft op 16 juni 2004 vonnis gewezen in het door CSM opgeworpen incident. De rechtbank verwijst hier naar hetgeen in dat vonnis is overwogen over het procesverloop. In haar vonnis heeft de rechtbank zich onbevoegd verklaard om van de vorderingen van [eiseres] kennis te nemen.

1.2 Hiertegen heeft [eiseres] hoger beroep ingesteld. Bij arrest van 28 juni 2005 heeft het gerechtshof te Arnhem het vonnis van de rechtbank vernietigd en opnieuw rechtdoende de vordering in het incident afgewezen en de zaak verwezen naar de rechtbank om op de hoofdzaak te worden beslist. De zaak is wederom aangebracht bij de rechtbank, waarna partijen de volgende stukken in het geding hebben gebracht:

- op 24 oktober 2005 een conclusie van antwoord, met veertien producties;

- op 8 februari 2006 een conclusie van repliek met vijf producties;

- op 22 maart 2006 een conclusie van dupliek.

1.3 Ten slotte is vonnis nader bepaald op vandaag.

2. De beoordeling

2.1.1 In deze zaak staat als gesteld en erkend, dan wel niet of onvoldoende gemotiveerd weersproken en/of blijkend uit niet-betwiste producties het navolgende vast.

2.1.2 [eiseres] teelde tot 1999 (onder meer) suikerbieten. Zij leverde deze suikerbieten aan CSM. Daartoe sloten partijen jaarlijks een leveringscontract, laatstelijk op 12 januari 1999. Op dat contract was het Suikersysteem 1999 van toepassing. In het kader van dat systeem beschikte [eiseres] over een zogenoemde basisreferentie suikerbieten van 79.869 kilogram.

2.1.3 Het Suikersysteem 1999 luidt onder andere als volgt:

“Artikel 1 Toepassing

(...)

2. Uitsluitend door middel van een contract tussen teler en een van de Nederlandse suikerfabrikanten is het Suikersysteem 1999 van toepassing. (...)

Artikel 2 Definities

De termen in Bijlage A gegeven dienen hierna volgend op de daar omschreven wijze te worden gehanteerd.

Artikel 3 De toewijzing

1. Een suikerfabrikant kan een toewijzing voor het toewijzingsjaar 1999 aan een teler verschaffen op grond van de door hem volgens Afdeling II en III opgebouwde basisreferentie en het toewijzingspercentage. (...)

(…)

Artikel 8 Basisreferentie voor de regelmatige teler

De basisreferentie voor de regelmatige teler wordt bepaald door het gemiddelde van zijn drie hoogste polsuikerreferenties in de referentieperiode.

Artikel 9 Basisreferentie voor de niet-regelmatige teler

1. De basisreferentie voor de niet-regelmatige teler wordt als volgt bepaald:

a. Telers die in de referentieperiode polsuikerreferentie hebben verkregen gedurende vier teeltjaren

De basisreferentie wordt vastgesteld op het gemiddelde van de drie hoogste polsuikerreferenties in deze vier jaren.

b. Telers die in de referentieperiode polsuikerreferentie hebben verkregen gedurende drie teeltjaren

De basisreferentie wordt vastgesteld op het gemiddelde van de twee hoogste polsuikerreferenties in deze drie jaren.

c. Telers die in de referentieperiode polsuikerreferentie hebben verkregen gedurende twee jaren

De basisreferentie wordt vastgesteld op het gemiddelde van de polsuikerreferenties in twee jaren.

d. Telers die in de referentieperiode polsuikerreferentie hebben verkregen gedurende één jaar. De basisreferentie wordt vastgesteld op basis van dit teeltjaar.

(…)

Artikel 12 Polsuikerreferenties

Polsuikerreferentie in een bepaald teeltjaar is de door de teler werkelijk geleverde of door overschrijving verkregen hoeveelheid polsuiker, waarop eventueel correcties (…) hebben plaatsgevonden.”

Bijlage A van het Suikersysteem 1999 luidt onder andere:

“Referentieperiode

De periode van vijf jaar voorafgaand aan het toewijzingsjaar 1999 (…)”

2.1.4 Op 5 augustus 1999 heeft [eiseres] het recht van erfpacht betreffende circa 46,5 ha landbouwgrond verkocht aan de gemeente Noordoostpolder. Op 26 april 1999 heeft [eiseres] haar basisreferentie van 79.869 kg polsuiker verkocht aan derden. Nadat die koopovereenkomsten zijn ontbonden heeft [eiseres] de basisreferentie overgedragen aan Akkerbouw Promotie Projecten (hierna: APP).

2.1.5 Bij brief van 21 mei 1999 aan [eiseres] schrijft CSM onder meer:

“(...) Wij doen u hierbij een herziene toewijzing voor 1999 toekomen. De suikerreferentie is afgeboekt en uw toewijzing is 0 kg polsuiker.

De afboeking heeft plaatsgevonden in verband met het feit dat het ons bekend is geworden dat u het erfpachtrecht heeft verkocht en daardoor uw huidige bedrijf heeft beëindigd (artikel 4 van het Suikersysteem 1999).

De gronden worden op termijn onttrokken aan de agrarische bestemming; artikel 19 is van toepassing.

Op basis van dit artikel kunt u een verzoek indienen bij CSM Suiker bv om de suikerreferentie over te laten schrijven naar een door u nieuw te verwerven bedrijf.

De voorwaarden staan vermeld in artikel 19 van het suikersysteem. (...)”.

2.1.6 Tegen deze beslissing heeft [eiseres] bezwaar gemaakt. Tegen de beslissing van CSM op dit bezwaar is [eiseres] in beroep gekomen bij de arbitragecommissie voor het suikersysteem. Bij arbitraal vonnis van 20 maart 2001 heeft de arbitragecommissie het verzochte afgewezen en de beslissing waarvan beroep bevestigd.

2.1.7 Bij brief van 2 april 2002 heeft APP CSM meegedeeld dat zij met [eiseres] is overeengekomen dat de basisreferentie naar APP wordt overgeschreven en zij verzoekt CSM op grond van deze basisreferentie om een toewijzing voor 2002 en het hierbij behorende leveringscontract.

2.1.8 In 2003 heeft [eiseres] CSM verzocht om met haar een leveringscontract af te sluiten.

2.1.9 CSM heeft zowel op het verzoek van APP als op het verzoek van [eiseres] in 2002 en 2003 om met hen een leveringscontract aan te gaan afwijzend gereageerd, kort gezegd, op de grond dat de basisreferentie van [eiseres] bij beslissing van CSM van 21 mei 1999 bevestigd bij arbitraal vonnis van 20 maart 2001 - is ingetrokken zodat [eiseres] niet meer over die basisreferentie beschikt en deze derhalve niet (rechtsgeldig) kon overdragen aan APP.

2.1.10 Het Suikersysteem 2002 kent bepalingen die, als zij al niet letterlijk dan wel inhoudelijk, gelijk zijn aan de in rechtsoverweging 2.1.3 geciteerde bepalingen van het Suikersysteem 1999. De rechtbank citeert hier van het Suikersysteem 2002 nog slechts:

“Artikel 1 Toepassing

(…)

2. Het Suikersysteem 2002 is alleen van toepassing indien de teler een leveringscontract voor 2002 heeft gesloten met een van de suikerfabrikanten.

3. De teler kan aan het Suikersysteem 2002 geen recht tot levering aan een van de Nederlandse suikerfabrikanten ontlenen. (…)”

2.1.11 Partijen hebben de tekst van het Suikersysteem 2003 niet overgelegd, maar hebben evenmin betoogd dat deze afwijkt van het Suikersysteem 2002. De rechtbank neemt daarom als uitgangspunt dat het Suikersysteem 2003 gelijk is aan het Suikersysteem 2002.

2.2.1 [eiseres] heeft gevorderd, voor zover mogelijk uitvoerbaar bij voorraad:

I. Voor recht te verklaren dat zij nog altijd in het bezit is van een basisreferentie suikerbieten op grond van het Suikersysteem 2002 en 2003 van 79.869 kilogram;

II. CSM te veroordelen alle door [eiseres] geleden schade, als een gevolg van het niet erkennen van de basisreferentie van [eiseres] sinds maart 1999, vermeerderd met de wettelijke rente sinds maart 1999, welke schade dient te worden opgemaakt bij staat dan wel bij de hiertoe bij wet vastgestelde procedure en te worden vereffend bij wet;

III. CSM te veroordelen in de kosten van het geding.

2.2.2 Aan deze vordering heeft [eiseres], kort gezegd, ten grondslag gelegd dat de basisreferentie nooit is aangetast, meer specifiek niet door de in rechtsoverweging 2.1.5 geciteerde beslissing van 21 mei 1999. [eiseres] stelt schade te hebben geleden doordat CSM haar niet heeft behandeld alsof zij wel een basisreferentie heeft.

2.3.1 CSM heeft tegen deze vordering gemotiveerd verweer gevoerd en geconcludeerd tot niet-ontvankelijkheid van [eiseres] dan wel afwijzing van de vordering, met de veroordeling van [eiseres], uitvoerbaar bij voorraad, in de kosten van het geding.

2.3.2 Samengevat voert CSM daartoe aan dat zij de basisreferentie al bij haar beslissing van 21 mei 1999 heeft ingetrokken en dat [eiseres] geen rechten kan ontlenen aan het Suikersysteem 2002 en 2003. Verder betwist CSM dat [eiseres] schade heeft geleden.

2.4. Bij haar verdere beoordeling van deze zaak zal de rechtbank zo nodig de standpunten van partijen nader uiteenzetten.

2.5.1 De rechtbank overweegt dat als eerste dient te worden vastgesteld in hoeverre zij is gebonden aan de oordelen van het gerechtshof Arnhem in het in het incident gewezen arrest van 28 juni 2005. CSM heeft onder verwijzing naar een arrest van de Hoge Raad betoogd dat deze binding ontbreekt, zodat thans onder andere weer ter discussie kan staan of de basisreferentie is ingetrokken. [eiseres] betwist dit standpunt. Zij stelt dat het gerechtshof op dit punt een eindbeslissing heeft gegeven die onherroepelijk is geworden omdat daartegen geen cassatie is ingesteld.

2.5.2 Naar het oordeel van de rechtbank is zij wel degelijk gebonden aan hetgeen het gerechtshof heeft geoordeeld. De verwijzing van CSM naar Hoge Raad 30 juni 1998, NJ 1990/382 slaagt niet. In dit arrest oordeelde de Hoge Raad dat het destijds geldende artikel 157b van het Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering van toepassing was. De strekking van deze bepaling was zo spoedig mogelijk en op zo eenvoudig mogelijke wijze de bevoegde rechter te vinden, waarbij de Hoge Raad overwoog dat de regels omtrent de bevoegdheid alleen het goed functioneren van de rechterlijke macht dienen en niet kunnen bijdragen aan de oplossing van het geschil. Dit rechtvaardigde een uitzondering op de regel dat de rechter in beginsel gebonden is aan zijn eigen eindbeslissingen. Deze uitzondering hield in dat beslissingen genomen in het kader van de beantwoording van de bevoegdheidsvraag de rechter buiten dit kader niet binden. Het onderhavige geval verschilt echter op essentiële punten van het door de Hoge Raad beoordeelde geval. Ten eerste konden gevallen als het onderhavige, waarin de vraag aan de orde is of de gewone rechter bevoegd is of een arbiter, niet onder artikel 157b Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering (oud) worden gebracht (HR 22 februari 2002, NJ 2004/423). Ten tweede heeft een oordeel in het bevoegdheidsincident wel degelijk gevolgen voor het geschil tussen partijen en is niet alleen het goede functioneren van de rechterlijke macht in het geding. Onbevoegdheid zal immers het einde van het geschil bij de gewone rechter meebrengen zonder dat verwijzing naar arbitrage mogelijk is. Ten derde ging het in het geval van de Hoge Raad om de binding van een rechter aan een door hemzelf gegeven beslissing, terwijl in de hier voorliggende zaak een beslissing van een hogere rechter aan de orde is. Gelet hierop brengt de goede procesorde naar het oordeel van de rechtbank mee dat de rechtbank is gebonden aan het oordeel van het gerechtshof. Een andere opvatting zou met zich meebrengen dat een rechter, na twee oordelen in het incident, zich nu voor een derde keer dient te buigen over dezelfde vraag, terwijl tegen diens oordeel wederom appèl mogelijk zou zijn. Uit oogpunt van een efficiënte rechtsbedeling kan dit niet worden aanvaard.

2.6.1 Voor de beoordeling van de eerste vordering van [eiseres] zal de rechtbank als eerste moeten nagaan of het Suikersysteem 2002 en Suikersysteem 2003 op [eiseres] van toepassing zijn. CSM heeft immers na de beoordeling van het incident aangevoerd dat [eiseres] aan deze systemen geen rechten kan ontlenen. Gelet op de formulering van de vordering, waarin wordt gesproken van “bezit” van een basisreferentie “op grond van” de suikersystemen, begrijpt de rechtbank dat [eiseres] wenst dat wordt vastgesteld dat het Suikersysteem 2002 en 2003 haar rechten toekennen in de vorm van een basisreferentie. 2.6.2 CSM heeft naar het oordeel van de rechtbank terecht aangevoerd dat aan [eiseres] geen rechten toekomen omdat zowel het Suikersysteem 2002 als het Suikersysteem 2003 in artikel 1, tweede lid, bepaalt dat het betreffende Suikersysteem alleen van toepassing is als de teler een leveringscontract voor 2002 respectievelijk 2003 heeft gesloten. Het is onbetwist dat [eiseres] dergelijke contracten niet heeft gesloten. Een basisreferentie ontbreekt dan ook, zodat de vordering reeds hierom niet kan slagen. Dit oordeel wordt niet anders als de stelling van [eiseres] zou slagen dat CSM volgens haar eigen beleid in 2002 en 2003 een leveringscontract met [eiseres] zou zijn aangegaan. De gevraagde verklaring voor recht ziet immers niet op een hypothetische toestand maar op de feitelijke situatie.

2.6.3 Reeds om deze reden moet de eerste vordering worden afgewezen. Zoals uit het navolgende bovendien nog zal blijken, staat ook overigens niet vast dat bij toepassing van het Suikersysteem 2002 en 2003 [eiseres] een basisreferentie zou toekomen of dat deze de precieze omvang zou hebben van 79.869 kilogram.

2.7.1 Aan de tweede vordering van [eiseres] ligt de stelling ten grondslag dat CSM niet heeft erkend dat aan [eiseres] een basisreferentie toekomt. [eiseres] voert aan dat zij schade heeft geleden doordat CSM dit niet heeft erkend. [eiseres] heeft in haar stellingen twee mogelijke schadeposten genoemd. Ten eerste heeft zij er op gewezen dat zij door het handelen van CSM niet kon voldoen aan haar verplichtingen jegens APP, meer specifiek dat [eiseres] de haar toekomende basisreferentie niet kon overdragen aan APP. De pogingen de overdracht te bewerkstelligen zijn gedaan in 2001 en 2002, maar niet geslaagd. Ten tweede begrijpt de rechtbank uit de stellingen van [eiseres] dat zij schade heeft geleden doordat zij niet in staat is geweest zelf suikerbieten aan CSM te leveren. In ieder geval in 2003 heeft [eiseres] CSM verzocht met haar een leveringscontract te sluiten, hetgeen CSM heeft geweigerd.

2.7.2 CSM heeft de vordering bestreden door onder andere aan te voeren dat zij niet verplicht is om leveringscontracten aan te gaan. Ook betwist zij dat [eiseres] zelf schade heeft geleden en houdt zij vol dat geen basisreferentie meer bestaat.

2.8.1 Wat betreft de vraag naar de schade, overweegt de rechtbank dat [eiseres] heeft gevorderd de eventuele schade op te maken bij staat en te vereffenen volgens de wet. Voor toewijzing van een dergelijke vordering is voldoende dat de mogelijkheid van schade aannemelijk is.

2.8.2 Op zichzelf heeft CSM terecht aangevoerd dat op haar geen verplichting rust om met leveranciers van suikerbieten contracten aan te gaan. Artikel 1, derde lid, van het Suikersysteem 2002 en het Suikersysteem 2003 bepaalt uitdrukkelijk dat aan het systeem geen recht tot levering kan worden ontleend. Zoals ook het gerechtshof ’s-Hertogenbosch heeft overwogen in zijn arrest van 19 september 1990 (NJ 1991/260) regelen de suikersystemen slechts welke prijs voor een levering van suikerbieten dient te worden betaald en blijven het recht tot levering en de verplichting tot afname beheerst door het gewone privaatrecht. In het gewone privaatrecht is contractsvrijheid de regel. [eiseres] heeft echter aangevoerd dat uit vast beleid van CSM voortvloeit dat CSM met nieuwe telers die een basisreferentie van meer dan 50.000 kilogram hebben overgenomen een leveringscontract sluit. [eiseres] heeft daarbij verwezen naar een brief van 30 november 2001 waaruit dit beleid zou volgen.

2.8.3 CSM is nog niet ingegaan op de betekenis van deze brief en het gestelde beleid. Zij zal daartoe alsnog de gelegenheid krijgen.

2.9.1 Over de ontkenning door CSM van het bestaan van een basisreferentie overweegt de rechtbank als eerste dat, anders dan bij de beoordeling van de eerste vordering van [eiseres], het ontbreken van een leveringscontract niet afdoet aan het belang van een eventuele basisreferentie. Voor de beoordeling van de tweede vordering van [eiseres] dient immers te worden nagegaan hoe CSM had moeten handelen als een dergelijke basisreferentie zou hebben bestaan.

2.9.2 CSM heeft aangevoerd dat [eiseres] geen basisreferentie kan hebben omdat deze bij besluit van 21 mei 1999 is ingetrokken. Dit standpunt is reeds verworpen in het arrest van het gerechtshof Arnhem van 28 juni 2005. Het hof heeft in dit arrest immers expliciet geoordeeld (rechtsoverweging 4.8) dat in rechte dient te worden aangenomen dat de beslissing van CSM van 21 mei 1999, de daaropvolgende beslissing op bezwaar en het arbitraal vonnis enkel betrekking hebben op de nihilstelling van een toewijzing als bedoeld in artikel 3 van het Suikersysteem 1999 en niet op de intrekking van een basisreferentie. Dit betekent dat thans als uitgangspunt heeft te gelden dat CSM de basisreferentie van [eiseres] niet heeft ingetrokken.

2.9.3 Daarmee staat echter nog niet vast of ook na 1999 een basisreferentie heeft bestaan en, zo ja, wat de omvang van deze basisreferentie was. Zoals uit de geciteerde bepalingen van het Suikersysteem blijkt (rechtsoverweging 2.1.3), heeft de basisreferentie geen vaste omvang, zoals CSM terecht heeft aangevoerd. De basisreferentie is gebaseerd op de polsuikerreferenties, gewoonlijk de feitelijke leveringen van suikerbieten, in de vijf jaren voorafgaand aan het teeltjaar waarvoor de basisreferentie moet worden bepaald. Het bestaan en de omvang van de basisreferentie in de hier relevante jaren 2001 tot en met 2003 zal daarom moeten worden bepaald door drie verschillende perioden van vijf jaar in ogenschouw te nemen. Het staat vast dat [eiseres] in de jaren 1999 en volgende geen suikerbieten aan CSM heeft geleverd. Anders dan [eiseres] heeft betoogd is dit niet zonder meer het gevolg van onrechtmatig handelen van CSM. Uit het arbitraal vonnis van 20 maart 2001 blijkt immers dat CSM zich terecht op het standpunt heeft gesteld dat de op 26 april 1999 overeengekomen overdracht van basisreferentie niet rechtsgeldig was. De overeenkomst tot overdracht is eerst na het arbitrale vonnis ontbonden.

2.9.4 Partijen zullen zich alsnog bij akte moeten uitlaten over het bestaan en de omvang van de basisreferenties in de jaren 2000 tot en met 2003 wanneer deze volgens de in die jaren bestaande suikersystemen en de daarin opgenomen referentieperioden zouden worden berekend.

2.10 CSM zal als eerste een akte mogen nemen als bedoeld in de rechtsoverwegingen 2.8.3 en 2.9.4, waarna [eiseres] in een akte zal mogen antwoorden en tevens haar eigen standpunt over de berekening van de basisreferenties uiteen zal mogen zetten. Tot die akten zijn genomen houdt de rechtbank iedere verdere beslissing aan.

3. De beslissing

De rechtbank

1. bepaalt dat de zaak weer op de rol zal komen van 29 november 2006 voor het nemen

van een akte door CSM over hetgeen is vermeld onder 2.8.3 en 2.9.4,

2. houdt iedere verdere beslissing aan.

Dit vonnis is gewezen door mr. M.E. van Wees en uitgesproken door

mr. M.H.S. Lebens-de Mug op 8 november 2006 in het openbaar in tegenwoordigheid

van de griffier.