Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBZLY:2006:BA8822

Instantie
Rechtbank Zwolle-Lelystad
Datum uitspraak
06-09-2006
Datum publicatie
09-07-2007
Zaaknummer
76573/ HA ZA 02-551
Rechtsgebieden
Civiel recht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - enkelvoudig
Inhoudsindicatie

Gecompliceerde aanrijding van vrachtwagen met oplegger en een bijzondere belading met een ophaalbrug die compleet wordt vernield. Toepassing van het adagium ‘res ispa loquitur’. Aansprakelijkheid eigenaar vrachtwagen voorshands bewezen geacht. Deze mag tegenbewijs leveren tegen het voorshands bewezen geoordeelde feit dat de lading niet geborgd was.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl

Uitspraak

vonnis

RECHTBANK ZWOLLE-LELYSTAD

Sector civiel recht

zaaknummer / rolnummer: 76573 / HA ZA 02-551

Vonnis van 6 september 2006

in de zaak van

de publiekrechtelijke rechtspersoon

GEMEENTE STEENWIJKERLAND,

zetelend te Steenwijk,

eiseres,

procureur mr. E. Bos van den Berg,

tegen

1. de besloten vennootschap met beperkte aansprakelijkheid

[gedaagde sub 1],

gevestigd te [plaats],

2. de naamloze vennootschap

LONDON VERZEKERINGEN NV,

gevestigd te [plaats],

gedaagden,

procureur mr. R.K.E. Buysrogge.

1. De procedure

1.1. Het verloop van de procedure blijkt uit:

- De dagvaarding,

- De akte overlegging producties tevens wijziging van eis,

- De conclusie van antwoord tevens antwoord akte,

- De akte tevens bevattende wijziging van eis en overlegging producties,

- De conclusie van repliek,

- De conclusie van dupliek,

- De akte uitlating producties,

- De antwoordakte.

1.2. Vervolgens is vonnis gevraagd.

2. De feiten

2.1. Op zaterdag 29 mei 1999 is een vrachtauto met aangekoppelde dieplader met daarop een boorkraan, kenteken [XX-00-XX] en toebehorend aan [gedaagde sub 1], op de [weg] te [plaats], gemeente [plaats], met de ter plaatse aanwezige ophaalbrug in aanraking gekomen doordat de boor van de kraan de bovenbouw van de aan de gemeente toebehorende brug raakte. De ophaalbrug is daarbij geheel vernield. Bestuurder van de vrachtauto was [gedaagde sub 1], directeur van [gedaagde sub 1].

2.2. Direct na het ongeval is de politie ter plaatse verschenen en heeft proces-verbaal opgemaakt.

2.3. Bij de brug bevonden zich geen borden met aanwijzingen respectievelijk waarschuwingen met betrekking tot de hoogte van de brug.

2.4. London is de WA-verzekeraar van de vrachtauto en rechtsopvolger van de oorspronkelijke verzekeraar Elvia Verzekeringen.

3. Het geschil

3.1. Gedaagden wijzen aansprakelijkheid voor de schade aan de brug van de hand. Overschrijding van de maximum hoogte waaraan de vrachtwagencombinatie krachtens artikel 5.18.15 Voertuigreglement diende te voldoen (4.00 meter) is niet bewezen, noch is bewezen dat de combinatie niet voldeed aan het bepaalde in artikel 5.18.12 sub d dat de lading niet voor het voertuig mag uitsteken.

Voorts is niet komen vast te staan dat [gedaagde sub 1] bij het oprijden van de brug met een zekere hellingshoek te maken had waarmee hij, omdat zijn baan dan niet vlak was, rekening had behoren te houden. Voor zover er al sprake was van een helling was deze verwaarloosbaar. En voor zover er sprake zou zijn geweest van een helling waarvan de effecten niet verwaarloosbaar zijn, stellen [gedaagde sub 1] en London zich op het standpunt dat die omstandigheid niet aan [gedaagde sub 1] is toe te rekenen.

De stelling van de gemeente dat de vrije doorrijhoogte van de brug 4.17 meter bedroeg wordt door [gedaagde sub 1] en London betwist, evenals de stelling van de gemeente dat de boor niet was verankerd. De gemeente had waarschuwingsborden in verband met de beperkte doorrijhoogte behoren te plaatsen zoals met name de borden L1 en C19 als opgenomen in het Reglement Verkeersregels en Verkeerstekens 1990.

3.2. De gemeente stelt dat de boorkraan niet verankerd was. Het aan de voorzijde van de vrachtauto uitstekende deel van de boor was in ieder geval niet gefixeerd aan de trekker van de combinatie. Ten gevolge daarvan zijn deze delen van de constructie onder invloed van snelheid en de daaruit voortvloeiende kracht- en reactiebeweging bij het oprijden van het talud en het brugdek gaan “opwippen”. De gemeente verwijst daarvoor naar een van de uitgebrachte deskundigenrapporten namelijk dat van Lengkeek, Laarman & De Hosson van 2 maart 2004. De hellingshoek kan in combinatie met de gebezigde snelheid een kritisch moment bewerkstellingen dat de feitelijke hoogte nadelig beïnvloedt. Wat de vrije doorrijhoogte van de brug betreft verklaart de gemeente dat deze in feite zelfs meer bedroeg dan 4.17 meter omdat daarbij nog de hoogte van een betonnen fundering en van een schamprand moet worden opgeteld. Met factoren als de gereden snelheid, de hellingshoek van de brug en het losliggen en uitsteken van de boor (c.q. de mogelijkheid van “opwippen”) dient de bestuurder van zo’n combinatie rekening te houden bij het passeren van een brug als deze. Het is volgens de gemeente duidelijk dat geen ongeluk zou zijn veroorzaakt indien de hoogte van de vrachtwagencombinatie bij het passeren van de brug de toegestane 4.00 meter niet had overschreden.

4. De beoordeling

4.1. Niet iedere handeling die schade veroorzaakt is onrechtmatig en niet iedere onrechtmatige handeling is toerekenbaar aan de dader. Als de persoon van de dader en de aard van diens gedraging meebrengen dat schuld ontbreekt, blijft de schade waar ze is gevallen, in casu bij de gemeente tenzij de onrechtmatige gedraging krachtens schuld, wet of verkeersopvattingen aan de dader toegerekend kan worden. Aansprakelijkheid voor onrechtmatig gedrag bestaat niet in gevallen waarin de dader heeft gehandeld als privé persoon zonder een voor de handeling relevante deskundigheid of maatschappelijke positie en zijn onrechtmatige gedraging de kans op het ontstaan van schade niet eenzijdig heeft verhoogd.

4.2. Het betreft hier een bedrijf dat zich beroepshalve op de openbare weg bevond met een zware vrachtautocombinatie, een trekker met dieplader met daarop een ongewone lading bestaande uit een kraan met boor die uitstak aan de voorzijde van de cabine. Over het aantal centimeters dat met dat uitsteken was gemoeid lopen de meningen van partijen en die van de in een voorlopig getuigenverhoor gehoorde getuigen uiteen. Het varieert van 10 tot 50 centimeter. Dát er van uitsteken sprake was staat wel vast en kan ook duidelijk worden vastgesteld aan de hand van de foto’s bij productie 12 bij de akte van de gemeente d.d. 5 oktober 2005, in het bijzonder de zesde en de achtste foto. [gedaagde sub 1] en London zijn niet nader ingegaan op de mededeling van de gemeente in haar brief van 17 mei 2001 (productie 7 bij conclusie van antwoord) dat sprake was van een deelbare lading zodat de uitzondering van art.5.18.13 sub a onder 2 op het verbod van uitstekende lading aan de voorzijde in art.5.18.12 sub d Voertuigreglement geacht mag worden hiervan toepassing te zijn.

Verder is er direct vóór de brug sprake van een “knik” (getuige [A.]) in het wegdek en de brug, zij het dat die knik althans volgens deze getuige gering is. Het door de gemeente in het geding gebrachte deskundigenrapport van het door London ingeschakelde expertisebureau Hettema & Disselkoen d.d. 20 oktober 1999 vermeldt in dat verband:

Zoals als uit de foto’s naar voren komt ligt het brugdek hoger dan de weg, tussen het straatniveau en het brugdek bevindt zich een talud zodat men onder een hoek c.q. via een helling de brug oprijdt.

Ook de juistheid van dat laatste is aan de hand van overgelegde foto’s vast te stellen.

4.3. Volgens de getuige [B.] heeft de politie geconstateerd dat de vrachtwagencombinatie gemeten vanaf de zogenaamde boorbril, zijnde het hoogste punt, tot het wegdek 3.80 meter hoog was. Dat is ook vermeld in het rapport van de verbalisanten [X] en [Y] van 29 mei 1999. Evenwel was de boorbril vanwege het gewicht van de daarop gevallen delen van de basculebrug ingedeukt en dus lager. Getuige [A.], die samen met de agenten de opmeting zegt te hebben verricht, verklaart hierover:

De bril was niet meer rond maar ovaal geworden, omdat een brugdeel op de bril terecht gekomen was.

De getuigen [B.] en [A.] wisten zich drie jaar na dato nog te herinneren dat de politie een hoogte van 3.80 meter had gemeten “omdat dit een vaste maat is van de combinatie” ([A.]). [B.] (die dus zelf heeft opgemeten): “Omdat wij ons in verband met ons werk altijd bezig houden met die hoogten”. Die verklaringen lijken evenwel geen rekening te houden met de ovale vorm die de oorspronkelijk ronde boorbril had aangenomen en dragen voorts op zijn minst de schijn van “Hineininterpretierung” op grond van wat de getuigen in het algemeen vanuit hun ervaring bekend is over de afmetingen van dit soort opbouwinstallaties (in onbeschadigde respectievelijk niet ingedeukte staat). Aan hun conclusie dat de totale hoogte van vrachtwagen plus lading 3.80 meter bedroeg kan dus niet teveel waarde worden gehecht.

Aan de voet van het proces-verbaal van de politie is met de hand geschreven: “4 mtr. Hoogte met lading. 260 br. 12 ton”. Wie die mededeling heeft toegevoegd is in de procedure niet duidelijk geworden.

4.4. Het staat vast dat de hoogte van de brug tenminste 4.17 meter bedroeg. De getuigenverklaring van de verantwoordelijk ambtenaar van de gemeente [C.], die de hameistijl(en) heeft opgemeten die bepalend zijn voor de totale hoogte van de brug en daarmee voor de doorrijhoogte, is op dat punt duidelijk. Dat de deskundige Van Hettema en Disselkoen in zijn schriftelijke verklaring van 30 januari 2003 stelt dat hij bij de schadevaststelling geen meetwerkzaamheden heeft verricht sluit niet uit dat hij [C.] een handje heeft geholpen bij het vasthouden van het meetlint. Bovendien kan de bedoelde ontkenning van de heer Huitink, zijnde de expert in kwestie, niet afdoen aan de getuigenverklaring van [C.] dat hij twee keer metingen verricht heeft, één keer met een duimstok en de tweedekeer met een meetlint. Van hem is ook een schriftelijke verklaring in het geding gebracht (als bijlage bij productie 12 van de in 4.2 genoemde akte van de gemeente) die in dit verband eveneens duidelijke taal spreekt. Tenslotte mag in dit verband worden gewezen op de door de gemeente overgelegde bouwkundige gegevens van de brug respectievelijk het bestek uit 1962, dat een hoogte van 4.23 meter voorschrijft (pagina 4: “hoogte hameipoort boven brugdek 4235 millimeter”). Het is niet aannemelijk dat na oplevering van de brug deze zou zijn aanvaard indien de hoogtemaat te zeer zou hebben afgeweken van dat bestekvoorschrift. De stelling van [gedaagde sub 1] en London dat de hameistijlen door de aanrijding zijn ontzet is niet vergezeld gegaan van de toevoeging dat als gevolg van die beschadiging hun lengte is ingekort zodat de rechtbank daaraan voorbij gaat.

Uit het bovenstaande volgt dat de gemeente geen aanleiding behoefde te vinden om waarschuwingsborden als bedoeld in het RVV bij de brug te plaatsen in verband met een beperkte doorrijhoogte. Blijkens de Uitvoeringsvoorschriften bij het Besluit administratieve bepalingen inzake het wegverkeer mag het getal op bord L1 niet kleiner zijn dan 4.0 meter en niet groter dan 4.4 meter. Bruggen als deze die hoger zijn dan 4.4m komen dus niet voor zo’n bord in aanmerking.

4.5. Het expertisebureau Lengkeek, Laarman & De Hosson heeft in zijn rapport van 2 maart 2004 op basis van deductie en verhoudingsmetingen de totale hoogte van vrachtwagencombinatie en lading “in reguliere horizontale staat” berekend op één die varieert van 4.02 (zie de correctie op blad 2 van het hiervoor genoemde rapport) tot 4.19 meter. Voorts heeft dat bureau op basis van verhoudingsgetallen aan de hand van foto’s als onjuist bestempeld de (veronder)stelling dat de boor “slechts” 25 centimeter vóór de cabine uitstak (vgl. de verklaring van de getuige [B.]). Lengkeek, Laarman & De Hosson hebben de lengte van het uitstekende deel “op ten minste 50 centimeter” bepaald om daaraan toe te voegen:

Dit verschil in afstand is van invloed op de totale hoogte van het uitstekende deel onder invloed van het oprijden van het talud. Onder invloed van deze factoren, alsmede de reactiebeweging zal hierdoor het uiterste punt royaal boven de vier meter zijn uitgekomen.

In een aanvullend rapport respectievelijk commentaar op de conclusie van antwoord van 13 februari 2006 schrijft Lengkeek, Laarman & De Hosson onder meer:

In dit verband moet ons inziens tevens worden benadrukt dat ook de vrijelijke beweegbaarheid van makelaar en boor, waar deze niet geborgd zijn aan de oplegconstructie op de voorzijde van de oplegger, ons inziens van invloed is geweest op het ontstaan van de problemen. Zoals reeds eerder beschreven is door de combinatie hellingshoek en snelheid een uitslag ontstaan in de constructie van makelaar en boor naar boven. Massatraagheid in combinatie met het verende karakter van de demper op de oplegconstructie, brengen met zich mee dat hierdoor in combinatie met de beweging over de brug een uitslag naar boven is ontstaan. Dit proces/fenomeen is daarnaast sterk beïnvloed doordat de truck en oplegger onder invloed van twee afzonderlijke hellingshoeken zijn geraakt.

4.6. Hettema en Disselkoen schrijft:

Indien men het voertuig manoeuvreert waarbij elementen van dit voertuig voor de cabine uitsteken heeft dit voor het voertuig gevolgen voor de hoogte waarop men, in onderhavige kwestie een brug, kan passeren

4.7. Recapitulerend:

a. Er was een uitstekend deel aan de voorzijde van de vrachtauto, zulks in strijd met artikel 5.18.12 onder d Voertuigreglement;

b. Er was sprake van een te hoog voertuig inclusief belading (hoger dan 4 meter), zulks in strijd met artikel 5.18.15 Voertuigreglement;

c. Er was sprake van een een zekere hellingshoek direct vóór de brug;

d. De (doorrij)hoogte van de brug bedroeg ten minste 4.17 meter.

e. Er was sprake van professioneel gebruik/transport

Daarnaast dient aandacht te worden besteed aan de enorme klap waarvan gelet op de schade aan de brug sprake moet zijn geweest. Lengkeek, Laarman & De Hosson noemt die omstandigheid in zijn eerste rapport (bladzijde 3 onderaan). Dat kan mede dienen als aanwijzing dat de combinatie van de snelheid waarmee het opgaande talud door de vrachtauto werd genomen en het als gevolg daarvan “opwippen” van de kraan de kracht van de botsing aanzienlijk moet hebben versterkt, waarbij geldt: hoe langer het horizontaal naar voren uitstekende deel van de boor, des te meer risico voor schade door “opwippen”en hoogte-overschrijding indien het uitstekende deel van de boor niet was geborgd. Dat laatste is door gedaagden betwist.

4.8. Gelet op de in 4.2 genoemde feiten en omstandigheden respectievelijk de hierboven onder 4.7 onder a, b en e genoemde vaststaande feiten kan genoegzaam worden geconcludeerd dat [gedaagde sub 1] schuld treft aan de botsing en dat de onrechtmatige daad krachtens de verkeersopvatting en de inbreuk op de toepasselijke voorschriften van het Voertuigreglement aan haar kan worden toegerekend. Het voor de vestiging van de aansprakelijkheid vereiste conditio sine quo non verband is gegeven.

4.9. Voor vergoeding komt slechts in aanmerking schade die in zodanig verband staat met de gebeurtenis waarop de aansprakelijk van de schuldenaar berust dat zij hem, mede gezien de aard van de aansprakelijkheid en van de schade, als een gevolg van deze gebeurtenis kan worden toegerekend (BW artikel 6:98). Onderzocht moet worden of de aard van de onderhavige schade, het instorten van een complete basculebrug, er een is die geacht kan worden te behoren tot de kenmerkende gevolgen van de normschending door [gedaagde sub 1] casu quo een gebeurtenis als de onderhavige. Naarmate de schuld aan de gedraging groter is, zal de toerekening eerder (en zwaarder) kunnen plaatsvinden.

4.10. Met deze belading zou de brug in beginsel zonder kans op schade gepasseerd hebben kunnen worden. Weliswaar heeft Lengkeek, Laarman & De Hosson de maximale hoogte van vrachtwagen plus belading gesteld op 4.19 meter maar de gemeente heeft van haar kant gesteld dat met de door haar gemeten hoogte van 4.17 meter nog geen rekening is gehouden met de betonnen fundering en een schamprand. Volgens de getuige [C.] gaat het om een extra dikte (dus hoogte) van naar schatting respectievelijk 4 centimeter en 8 centimeter, dus om 12 centimeter in totaal. Met andere woorden, volgens de gemeente zelf zou gerekend moeten worden met een maximale hoogte van de brug van 4.17 + 0.12 = 4.29 meter (in zijn schriftelijke verklaring van 2 november 2001 – zie onder 4.4 – komt [C.] zelfs op 4.39m.).

4.11. De rechtbank kan, gelet op alle feiten en omstandigheden tot geen andere slotsom komen dan dat de schade niet zou zijn voorgevallen, althans niet in deze omvang, indien de boorkraan geborgd was geweest. De rechtbank is in het voetspoor van deskundigen van oordeel dat res ipsa loquitur en dat de combinatie van talud, snelheid en niet geborgd zijn van de boorkraan voor de schade-oorzaak moet worden gehouden. Zo’n borging behoort naar maatschappelijke zorgvuldigheidsnormen tot de plicht van een binnen de grenzen van zijn beroepsbekwaamheid handelende vervoerder.

4.12. De rechtbank oordeelt voorshands bewezen door de gemeente (op wie terzake de bewijslast rust) dat de boor niet geborgd is geweest zodat hij kon opwippen en de onderhavige schade in volle omvang veroorzaken.

Het is aan [gedaagde sub 1] en London om tegenbewijs te leveren. Indien zij erin slagen te bewijzen dat de boor geborgd was zodat deze niet kon opwippen zal dit (kunnen) leiden tot de conclusie dat [gedaagde sub 1] (vgl. rov. 4.9) slechts aansprakelijk is voor een deel van de schade.

5. De beslissing

De rechtbank:

5.1. Laat [gedaagde sub 1] en London toe te bewijzen dat de lading van de vrachtauto met aangekoppelde dieplader met kenteken [XX-00-XX] respectievelijk de zich op die vrachtauto bevindende boorkraan op zaterdag 29 mei 1999 zodanig geborgd was aan dat vervoermiddel dat die kraan niet kon uitzwaaien of opwippen;

5.2. Bepaalt dat, indien gedaagden het bewijs door midden van getuigen willen leveren, het getuigenverhoor zal plaatsvinden op de terechtzitting van mr. Th. A. Ariëns in het gerechtsgebouw te Zwolle aan de Luttenbergstraat 5;

5.3. Bepaalt dat de zaak op de rol zal komen van 20 september 2006 voor het opgeven van verhinderdata van partijen en hun advocaten in de maanden september tot en met december 2006, waarna dag en uur van de getuigenverhoren zullen nog worden bepaald;

6. Houdt de uitspraak voor het overige aan.

Dit vonnis is gewezen door mr. Th.A. Ariëns en in het openbaar uitgesproken op

6 september 2006.

76573 / HA ZA 02-551

6 september 2006