Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBZLY:2006:AZ9727

Instantie
Rechtbank Zwolle-Lelystad
Datum uitspraak
12-07-2006
Datum publicatie
10-04-2007
Zaaknummer
113112 / HA ZA 05-1188
Rechtsgebieden
Civiel recht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - enkelvoudig
Inhoudsindicatie

Eiseres vordert een tweetal bedragen van gedaagde op basis van een tweetal overeenkomsten. Gedaagde erkent de vordering niet en stelt dat de handtekening op de overeenkomsten niet van hem zijn. Blijkens een door eiseres ingebracht rapport van het Algemeen Schriftelijk E. & W. Waisvisz, zijn twee op het onderzochte stuk voorkomende handtekeningen "met aan zekerheid grenzende waarschijnlijkheid" van de hand van gedaagde. Daartegenover staat het door gedaagde ingebrachte commentaar van Jong, deskundige voor schrift- en documentonderzoek, inhoudende dat voor een gefundeerde en betrouwbare uitspraak over de authenticiteit van de handtekeningen ongeveer 15 handtekeningen van gedaagde nodig zijn uit de jaren 2002, 2003 en 2004 en het origineel van de betwiste handtekening en dat de door gedaagde geschreven brieven als vergelijkingsmateriaal voor de beoordeling van de handtekening onbruikbaar zijn, zodat geen uitspraak omtrent de echtheid c.q. de valsheid van de betwiste handtekeningen gedaan kan wordne.

Gelet op de kritiek van gedaagde n.a.v. het rapport van Waisvisz op het punt van de handtekening, kan aan dat rapport van Waisvisz geen doorslaggevende betekenis worden toegekend.

Maar in het rapport van Waisvisz staat ook dat de handgeschreven regel op de overeenkomst "met absolute zekerheid" is geschreven door degene die de als vergelijkingsmateriaal meegezonden brieven had geschreven, in casu gedaagde. Nu die bevindingen geen weerlegging vinden in het commentaar van De Jong, is op basis van het rapport van Waisvisz voorshands bewezen dat de handgeschreven zin "ontvangen EURO 26.000,00 afkomstig is van gedaagde, waarmee de rechtbank tevens voldoende bewezen acht dat gedaagde dat bedrag heeft ontvangen, behoudens de mogelijkheid van tegenbewijs.

De tweede overeenkomst (dat ziet op een bedrag van EURO 46.000,00 ) is niet door Waisvisz onderzocht omdat eiseres niet meer beschikt over het origineel daarvan. Eiseres heeft betoogd dat de handgeschreven tekst en de handtekening op deze tweede overeenkomst zodanig gelijkenis vertonen met die op het door Waisvisz onderzochte document dat de conclusies van Waisvisz ook gelden voor deze overeenkomst. De rechtbank volgt eiseres daarin niet. De vraag of een bepaalde tekst is geschreven door dezelfde persoon die een andere tekst heeft geproduceerd kan niet door leken op het terrein van schriftvergelijkend onderzoek worden beantwoord; daarvoor is onderzoek nodig door een deskundige. Nu eiseres ter zake geen bewijs heeft aangeboden, wordt de vordering ter zake van het bedrag van EURO 46.000,00 afgewezen.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

vonnis

RECHTBANK ZWOLLE-LELYSTAD

Sector civiel recht

zaaknummer / rolnummer: 113112 / HA ZA 05-1188

Vonnis van 12 juli 2006

in de zaak van

de besloten vennootschap met beperkte aansprakelijkheid

[eiseres],

gevestigd te [plaats],

eiseres,

procureur mr. J.G.M. Hovius,

advocaat mr. S.H.R. van Heeks te Amsterdam,

tegen

[gedaagde],

wonende te [plaats],

gedaagde,

procureur mr. R.H.H. Schepers.

Partijen zullen hierna [eiseres] en [gedaagde] genoemd worden.

1. De procedure

1.1. Het verloop van de procedure blijkt uit:

- de dagvaarding

- de conclusie van antwoord

- de conclusie van repliek

- de conclusie van dupliek

1.2. Ten slotte is vonnis bepaald.

2. De feiten

2.1. Bij vonnis van de voorzieningenrechter van deze rechtbank d.d. 5 augustus 2004 is [gedaagde] veroordeeld om aan [eiseres] EURO 62.560,- te betalen, welke bedrag hij haar verschuldigd zou zijn blijkens een overeenkomst van geldlening van 18 juli 2003 (verder aan te duiden als: de overeenkomst). In hoger beroep is dit vonnis vernietigd bij arrest van het gerechtshof d.d. 12 april 2004 op de grond dat, gelet op de betwisting door [gedaagde] dat de handtekening onder de overeenkomst van hem is, [eiseres] de authenticiteit van die handtekening zal hebben te bewijzen, waarvoor evenwel in de kort geding procedure geen plaats is.

2.2. [eiseres] heeft vervolgens door Algemeen Schriftkundig Bureau E. & W. Waisvisz (verder te noemen: Waisvisz onderzoek laten verrichten naar de handtekening onder de overeenkomst en naar een handgeschreven regel op het betreffende stuk. De bevindingen van genoemd bureau zijn neergelegd in een rapport van 28 juli 2005 en een aanvullend rapport van 4 augustus 2005.

Met betrekking tot de handgeschreven regel luidt de conclusie: "Uitvoerig onderzoek van de tekst (...) brengt ons tot de conclusie dat deze tekst MET ABSOLUTE ZEKERHEID werd geschreven door degene die VM II t/m VM VII (het vergelijkingsmateriaal, zijnde door [gedaagde] geschreven brieven - Rb) produceerde en dit zou zijn blijkens de ondertekening: de heer H. [gedaagde] geboren [geboortedatum]-1974."

Met betrekking tot de twee op het onderzochte stuk voorkomende handtekeningen luidt de conclusie: "De handtekeningen voor H. [gedaagde] zijn MET AAN ZEKERHEID GRENZENDE WAARSCHIJNLIJKHEID van zijn hand."

Bij het aanvullend onderzoek zijn de handtekeningen op de overeenkomst vergeleken met een handtekening die [gedaagde] bij de behandeling van het kort geding ter zitting op verzoek van de rechter heeft geplaatst. De conclusie van Waisvisz naar aanleiding van deze - per fax ingezonden - handtekening luidt: "Hoewel aan onderzoek faxen c.q. foto-copieën bezwaren kleven, konden wij vaststellen, dat deze handtekening geen andere conclusie toelaat, dan vermeld in ons uitvoerig rapport van 28 juli j.l."

2.3. [gedaagde] heeft het door Waisvisz gebruikte schriftmateriaal voorgelegd aan W. de Jong, deskundige voor schrift- en documentonderzoek. Zijn, op 23 november 2004 per e-mail doorgegeven, commentaar luidt als volgt:

"De grotendeels abstract vormgegeven handtekening op de overeenkomst vertoont een dermate komplex bewegingspatroon, dat deze aan de hand van een fotokopie (van een fax) niet volledig kan worden gereconstrueerd. Daardoor vallen voor het vergelijkingsproces wezenlijke schriftkenmerken weg. Als vergelijkingsmateriaal komen alleen handtekeningen in aanmerking, zoals deze voorkomen op o.a. het rijbewijs van de heer [gedaagde]. De brieven zijn als vergelijkingsmateriaal ongeschikt. Om de variatiebreedte in de abstracte ondertekeningswijze van de heer [gedaagde] te kunnen beoordelen, zijn ca. 15 authentieke handtekeningen van uw cliënt in de originele vorm nodig, die uit de jaren 2002, 2003 en 2004 afkomstig kunnen zijn. De vormgeving en het bewegingsverloop van de betwiste handtekening komt - voor zover dit aan de hand van de fotokopien kon worden vastgesteld - ten minste deels met die op het rijbewijs overeen, zodat alleen nog aan de hand van een stereomikroskopische analyse van het originele schrijfspoor zelf vastgesteld kan worden, of hier sprake is van een nabootsing of een authentieke handtekening. Over de uitkomsten van dit onderzoek kan ik geen voorspelling doen, de kwaliteit van het door u aan mij verstuurde onderzoeksmateriaal laat dit niet toe. Een nader onderzoek heeft alleen zin, wanneer het onderzoeksmateriaal aan de door mij aangegeven eisen voldoet."

Bij conclusie van dupliek heeft [gedaagde] een (aanvullend) rapport van De Jong in het geding gebracht waarvan de strekking dezelfde is en waarin nog wordt toegevoegd dat de door Waisvisz gevolgde onderzoeksmethode nauw gelieerd is aan de grafologie en/of schriftpsychologie, alsmede dat de uitspraak "met absolute zekerheid" als kwalificatie ongebruikelijk is bij vergelijkend schriftonderzoek.

3. Het geschil

3.1. [eiseres] vordert - samengevat - veroordeling van [gedaagde] tot betaling van

EURO 69.300,- alsmede tot betaling van schadevergoeding, vermeerderd met rente en kosten.

3.2. [gedaagde] voert verweer. Op de stellingen van partijen wordt hierna, voor zover van belang, nader ingegaan.

4. De beoordeling

4.1. [eiseres] baseert haar stelling dat [gedaagde] verplicht zou zijn tot betaling van het gevorderde bedrag op de overeenkomst van 18 juli 2003, waarvan zij een schriftelijk stuk in het geding heeft gebracht. Blijkens de tekst verklaren de ondertekenaars dat [gedaagde] van [eiseres] EURO 46.000 te leen heeft gekregen, te weten EURO 21.000,- op 13 juni 2003 en

EURO 25.000,- op 17 juli 2003. Het stuk dat [eiseres] aan Waisvisz in onderzoek heeft gegeven is een ander stuk, in die zin dat daarin andere bedragen zijn vermeld, te weten

EURO 11.000,- en 15.000,-, tezamen EURO 26.000,-. Voor het overige is de tekst van het door Waisvisz onderzochte stuk gelijkluidend aan de in deze procedure ingebrachte overeenkomst.

4.2. [gedaagde] heeft ontkend deze beide stukken ooit gezien te hebben en heeft ook ontkend van [eiseres] geld te hebben geleend. Derhalve zal [eiseres] moeten bewijzen dat tussen partijen een overeenkomst van geldlening tot stand is gekomen.

4.3. [gedaagde] heeft stellig ontkend dat de op de overeenkomsten gestelde handtekeningen door hem daarop geplaatst zijn. Gelet op deze stellige ontkenning levert ingevolge artikel 159 Rv (de ondertekening van) het betreffende stuk, zijnde een onderhandse akte, geen bewijs op van het daarin gestelde, te weten dat [gedaagde] met [eiseres] een overeenkomst van geldlening heeft gesloten onder de daarin vermelde voorwaarden. [eiseres] zal ofwel bewijs moeten leveren van de authenticiteit van de handtekeningen ofwel anderszins moeten bewijzen het gevorderde bedrag aan [gedaagde] te hebben geleend en wel op de gestelde voorwaarden.

4.4. Blijkens het rapport van Waisvisz zijn twee op het onderzochte stuk voorkomende handtekeningen met aan zekerheid grenzende waarschijnlijkheid van de hand van [gedaagde]. Daar tegenover is door [eiseres] het commentaar van De Jong gesteld, inhoudende dat voor een gefundeerde en betrouwbare uitspraak over de authenticiteit van de hangtekeningen circa 15 handtekeningen van [gedaagde] nodig zijn uit de jaren 2002, 2003 en 2004 en het origineel van de betwiste handtekening en dat de door [gedaagde] geschreven brieven als vergelijkingsmateriaal voor de beoordeling van de handtekening onbruikbaar zijn. De Jong concludeert dat, nu aan de genoemde vereisten niet is voldaan, geen uitspraak omtrent de echtheid c.q. de valsheid van de betwiste handtekeningen gedaan kan worden.

4.5. Deze kritiek op het rapport van Waisvisz, waarvan de rechtbank geen reden ziet die als niet terzake te passeren, maakt dat aan dat rapport op dit punt niet zodanige betekenis toegekend kan worden dat daarmee het door [eiseres] gestelde bewezen geacht kan worden.

4.6. Het commentaar van De Jong richt zich specifiek op de uitspraken van Waisvisz over de echtheid van de handtekeningen. Het stuk waarover Waisvisz rapport heeft uitgebracht bevat naast die handtekeningen tevens een handgeschreven regel, luidende: "ontvangen EURO 26.000,- (zesentwintigduizend euro's)". Over die tekst heeft Waisvisz verklaard dat die met absolute zekerheid werd geschreven door degene die de als vergelijkingsmateriaal meegezonden brieven had geschreven, in casu [gedaagde]. Afgezien van een, op het terrein van schriftvergelijkend onderzoek kennelijk ongebruikelijke, formulering richt het commentaar van De Jong zich niet op de uitspraak van Waisvisz inzake de authenticiteit van deze handgeschreven regel. Met deze uitspraak beweegt Waisvisz zich ook niet op het terrein van de grafologie maar op het terrein van het schriftvergelijkend onderzoek. De rechtbank stelt vast dat de bevindingen en conclusies van Waisvisz over de bedoelde handgeschreven regel niet hun weerlegging vinden in het commentaar van De Jong. Op basis van het rapport van Waisvisz acht de rechtbank voorshands bewezen dat de handgeschreven zin "ontvangen EURO 26.000,- (zesentwintigduizend euro's)" afkomstig is van [gedaagde], waarmee de rechtbank tevens voldoende bewezen acht dat [gedaagde] dat bedrag van [eiseres] heeft ontvangen, behoudens de mogelijkheid van tegenbewijs.

Uit deze vaststelling leidt de rechtbank tevens af dat [gedaagde] het betreffende stuk onder ogen heeft gehad en van de daarin vermelde voorwaarden kennis heeft kunnen nemen, het daarmee eens is geweest en ten bewijze daarvan zijn handtekening geplaatst heeft. De rechtbank acht derhalve voorshands tevens bewezen dat de lening is aangegaan onder de in de overeenkomst vermelde voorwaarden, eveneens behoudens de mogelijkheid van tegenbewijs.

4.7. [eiseres] baseert haar vordering, voorzover deze een bedrag van EURO 26.000-,- te boven gaat, op een tweede overeenkomst. Blijkens de tekst daarvan zou [gedaagde] van [eiseres] EURO 46.000,- te leen hebben gekregen. Dat stuk is niet door Waisviz onderzocht omdat [eiseres] niet meer beschikt over het origineel daarvan.

[eiseres] heeft betoogd dat de handgeschreven tekst en de handtekening op deze tweede overeenkomst zodanige gelijkenis vertonen met die op het door Waisvisz onderzochte document dat de conclusies van Waisvisz ook gelden voor deze tweede overeenkomst.

De rechtbank kan [eiseres] daarin niet volgen. De vraag of een bepaalde tekst geschreven is door dezelfde persoon die een andere tekst heeft geproduceerd kan niet door leken op het terrein van schriftvergelijkend onderzoek worden beantwoord; daarvoor is onderzoek nodig door een deskundige op dat gebied.

4.8. Met hetgeen door [eiseres] tot nu toe is aangedragen is niet bewezen dat zij meer dan EURO 26.000,- aan [gedaagde] heeft geleend. Nu [eiseres] ter zake ook geen bewijs heeft aangeboden en er voorts alleen een kopie van de overeenkomst ter beoordeling beschikbaar is zal [eiseres] niet in de gelegenheid worden gesteld dat bewijs alsnog bij te brengen. Haar vordering komt mitsdien, voor zover de hoofdsom meer beloopt dan

EURO 26.000,-, niet voor toewijzing in aanmerking.

4.9. [gedaagde] zal in de gelegenheid worden gesteld tegenbewijs te leveren tegen de vooralsnog bewezen geachte stelling van [eiseres] dat [gedaagde] een bedrag van EURO 26.000,- van haar te leen heeft ontvangen onder de in de overeenkomst vermelde voorwaarden.. De zaak zal daartoe naar de rol worden verwezen.

4.10. Indien [gedaagde] niet in dat bewijs slaagt is de vordering van [eiseres] toewijsbaar, waar het om de hoofdsom gaat tot een bedrag van EURO 26.000,-, te vermeerderen met rente en boete.

4.11. Voorts heeft [eiseres] schadevergoeding gevorderd wegens het niet kunnen herbeleggen van het niet terugbetaalde bedrag, het moeten opnemen van 14 vrije dagen door [bestuurder], statutair bestuurder van [eiseres], alsmede emotionele schade van genoemde [bestuurder]. De rechtbank ziet voor deze niet nader onderbouwde vorderingen geen grond en zal deze derhalve afwijzen.

4.12. Indien de vordering betreffende de hoofdsom (deels) zou worden toegewezen komen de kosten van het onderzoek van Waisvisz in beginsel wel voor vergoeding in aanmerking als redelijke kosten ter vaststelling van de schade en de aansprakelijkheid. De beslissing hierover zal worden aangehouden.

4.13. Voorts heeft [eiseres] vergoeding gevorderd van deurwaarderskosten ad

EURO 89,25 en van advocaatskosten in eerdere procedures betreffende hetzelfde geschil.

De deurwaarderskosten - kennelijk niet in deze procedure gemaakt want een ander bedrag belopend dan de kosten van het dagvaardingsexploit - komen niet voor vergoeding in aanmerking. Datzelfde geldt voor de advocaatskosten nu daarover in die eerdere procedures

- met gezag van gewijsde - is beslist.

Over de vordering tot vergoeding van de advocaatskosten in deze procedure kan eerst worden beslist op het moment dat in deze zaak eindvonnis wordt gewezen.

5. De beslissing

De rechtbank

5.1. stelt [gedaagde] in de gelegenheid tegenbewijs te leveren tegen de voorshands bewezen geachte stelling dat hij van [eiseres] een bedrag van EURO 26.000,- te leen heeft ontvangen en zulks onder de voorwaarden als vermeld in de overeenkomst van 18 juli 2003;

5.2. verwijst de zaak daartoe

a. naar de rol van 9 augustus 2006, waar [gedaagde]

- zich kan uitlaten over de vraag of hij bewijs wil leveren en, zo ja, op welke wijze, en

- in geval van (tevens) bewijslevering door getuigen: naam en adres van de getuige(n)

dient op te geven, en/of

- in geval van (tevens) bewijslevering door deskundigenrapportage: aantal en

naam/namen van de deskundige(n) dient op te geven;

b. naar de rol van 23 augustus 2006

- in geval van getuigenbewijs: voor opgave verhinderdata door partijen, en

- in geval van bewijslevering door deskundigenrapportage: voor akte uitlating aan de

zijde van [eiseres] inzake aantal en naam/namen van de deskundigen.

5.3. bepaalt dat bewijslevering door getuigen kan plaatsvinden op een nader vast te stellen datum in het gerechtsgebouw te Zwolle aan de Luttenbergstraat 5;

5.4. wijst af de vorderingen betreffende:

- de schadeposten, bedoeld in r.o. 4.11

- de deurwaarders- en advocaatskosten, bedoeld in r.o. 4.13, anders dan de

advocaatskosten in deze procedure;

5.5. houdt iedere verdere beslissing aan.

Dit vonnis is gewezen door mr. H.C. Moorman en in het openbaar uitgesproken op 12 juli 2006.