Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBZLY:2006:AZ9719

Instantie
Rechtbank Zwolle-Lelystad
Datum uitspraak
29-03-2006
Datum publicatie
05-04-2007
Zaaknummer
110114 / HA ZA 05-792
Rechtsgebieden
Civiel recht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - enkelvoudig
Inhoudsindicatie

Nietig verklaring ex artikel 2.14 BW van twee besluiten (van het bestuur van KLM Aeroclub en van de algemene ledenvergadering van deze vereniging) strekkende tot ontzetting van een lid uit die vereniging. De rechtbank oordeelt dat het bestuur en de algemene ledenvergadering in redelijkheid niet tot de conclusie hebben kunnen komen dat het desbetreffende lid, in strijd heeft gehandeld met de statuten, reglementen of besluiten van de vereniging of de vereniging op onredelijke wijze heeft benadeeld.

Wetsverwijzingen
Burgerlijk Wetboek Boek 2
Burgerlijk Wetboek Boek 2 14
Burgerlijk Wetboek Boek 2 35
Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
JRV 2007, 356
JOR 2007/115 met annotatie van G.J.C. Rensen
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

vonnis

RECHTBANK ZWOLLE-LELYSTAD

Sector civiel recht

zaaknummer / rolnummer: 110114 / HA ZA 05-792

Vonnis van 29 maart 2006

in de zaak van

[eiser],

wonende te [plaats],

eiser,

procureur mr. W.P. Maris,

advocaat mr. A. Scheidema te Groningen,

tegen

de vereniging met volledige rechtsbevoegdheid

[gedaagde],

gevestigd te [plaats],

gedaagde,

procureur mr. J.A. van Wijmen,

advocaat mr. S. de Graaf te Amsterdam.

Partijen zullen hierna [eiser] en [gedaagde] genoemd worden.

1. De procedure

1.1. Het verloop van de procedure blijkt uit:

- de dagvaarding met akte houdende overlegging producties

- de conclusie van antwoord

- de conclusie van repliek

- de conclusie van dupliek.

1.2. Ten slotte is vonnis bepaald.

2. De feiten

2.1. [gedaagde] is opgericht met als doel haar leden individueel of in clubverband de vliegsport te laten beoefenen. Het lidmaatschap staat open voor (oud)werknemers van de KLM en voor anderen, de zogenaamde buitenleden. [eiser] is sedert (in ieder geval) 1988 buitenlid geweest van [gedaagde]. Tevens verrichtte hij werkzaamheden als instructeur, in clubverband en daarnaast ook als zelfstandige.

Medio 2004 heeft het bestuur van [gedaagde] (verder: het bestuur) in gedragingen van [eiser] reden gezien hem als lid te royeren. Van deze ontzetting uit het lidmaatschap per 10 juni 2004 heeft het bestuur [eiser] in kennis gesteld bij brief, gedagtekend 26 mei 2004 en verzonden op 9 juni 2004, welke brief nogmaals is verzonden op 22 juni 2004.

[eiser] heeft bij brief van 21 juni 2004 tegen zijn royement beroep aangetekend bij de Algemene Ledenvergadering van [gedaagde], onder gelijktijdige mededeling dat hij vanaf dat moment tot 20 juli niet bereikbaar zou zijn wegens verblijf in het buitenland.

Bij brief van 22 juni 2004 heeft het bestuur [eiser] meegedeeld dat op 30 juli 2004 een Algemene Ledenvergadering bijeen zou worden geroepen, waar zijn beroep zou worden behandeld.

Bij brief van 23 juli 2004 is [eiser] ingegaan op de door het bestuur genoemde redenen voor zijn royement. Het verzoek dat [eiser] daarbij tevens deed om de vergadering van de Algemene Ledenvergadering van 30 juli 2004, in verband met opnieuw een buitenlands verblijf van hem, te verplaatsen naar een latere datum, is niet ingewilligd.

Bij gelegenheid van de behandeling van het beroep tegen het royement heeft het bestuur mondeling aan de aanwezige leden nadere informatie verstrekt en de gewraakte gedragingen van [eiser] geconcretiseerd. Ook is daarbij de brief van [eiser] d.d. 23 juli 2004 aan de aanwezigen uitgereikt.

De Algemene Ledenvergadering heeft zich in haar vergadering van 30 juli 2004 achter de bestuursbeslissing tot royering van [eiser] gesteld.

De notulen van deze vergadering, die door [eiser] niet is bijgewoond, zijn op 30 september aan [eiser] toegezonden.

3. Het geschil

3.1. [eiser] vordert bij vonnis, zoveel mogelijk uitvoerbaar bij voorraad,

a. het besluit tot ontzetting uit zijn lidmaatschap van [gedaagde] nietig te verklaren dan wel te vernietigen en

b. [gedaagde] te veroordelen hem in al zijn rechten als lid te herstellen onder het ter beschikking stellen van de gebruikelijke faciliteiten en dit ook aan [eiser] en aan alle andere leden schriftelijk - dan wel per e-mail - te bevestigen, zulks binnen 5 dagen na betekening van het vonnis, onder verbeurte van een dwangsom van EURO 1.000,- per dag dat [gedaagde] in gebreke blijft aan het vonnis te voldoen,

c. althans [gedaagde] te veroordelen tot het treffen van zodanige maatregelen als de rechtbank in goede justitie zal vermenen te behoren,

d. zulks onder veroordeling van [gedaagde] in de proceskosten.

3.2. [gedaagde] voert verweer. Op de stellingen van partijen wordt hierna, voor zover van belang, nader ingegaan.

4. De beoordeling

4.1. De vordering van [eiser] is gebaseerd op de stelling dat bij de totstandkoming van het besluit tot ontzetting uit zijn lidmaatschap is gehandeld in strijd met de wet en met de statuten, respectievelijk het Huishoudelijk Reglement van [gedaagde].

[eiser] heeft deze stelling onderbouwd door erop te wijzen dat op grond van de wet, de statuten en het huishoudelijk reglement van [gedaagde] het bestuur, indien het wenst over te gaan tot royering van een lid, de betrokkene van dat voornemen in kennis dient te stellen door toezending van een aangetekende brief en onder opgave van redenen. Naar stelling van [eiser] is aan deze voorwaarden niet voldaan, omdat het besluit tot ontzetting hem niet bij aangetekend schrijven is aangeboden en omdat de motivering te weinig concreet is om verweer te kunnen voeren en overigens onjuist zodat die niet redengevend kan zijn voor de ontzetting.

4.2. Een besluit van een orgaan van een rechtspersoon, dat in strijd is met de wet of de statuten, is ingevolge artikel 2:14 BW nietig.

Een besluit van een orgaan van een rechtspersoon is ingevolge artikel 2:15 BW vernietigbaar:

a. wegens strijd met wettelijke of statutaire bepalingen die het tot stand komen van besluiten regelen;

b. wegens strijd met de redelijkheid en billijkheid die door artikel 2:8 BW worden geëist;

c. wegens strijd met een reglement.

4.3. Artikel 2:35 BW bepaalt terzake van het lidmaatschap van een vereniging:

1. Het lidmaatschap eindigt:

(....)

d. door ontzetting.

2. (....)

3. Ontzetting kan alleen worden uitgesproken wanneer een lid in strijd met de statuten, reglementen of besluiten der vereniging handelt, of de vereniging op onredelijke wijze benadeelt.

4. Tenzij de statuten dit aan een ander orgaan opdragen, geschiedt de ontzetting door het bestuur. Het lid wordt ten spoedigste schriftelijk van het besluit, met opgave van redenen, in kennis gesteld. Hem staat, behalve wanneer krachtens de statuten het besluit door de algemene vergadering is genomen, binnen één maand na ontvangst van de kennisgeving van het besluit, beroep op de algemene vergadering of een daartoe bij de statuten aangewezen orgaan of derde open. De statuten kunnen een andere regeling van het beroep bevatten, doch de termijn kan niet korter dan op één maand worden gesteld. Gedurende de beroepstermijn en hangende het beroep is het lid geschorst.

5. (....).

De statuten van [gedaagde] bepalen terzake het volgende.

Artikel 6:

1. Het lidmaatschap van een lid eindigt:

(....)

d. door ontzetting (royement).

2. (....)

3. Ontzetting kan worden uitgesproken wanneer de betrokkene in strijd met de statuten, reglementen of besluiten van de vereniging handelt of de vereniging op onredelijke wijze benadeelt. De betrokkene, mits geen sociaal lid, kan tegen een ontzetting in beroep gaan bij de algemene ledenvergadering.

4. (....)

5. De termijnen van opzegging en ontzetting, het tijdstip van het einde van het lidmaatschap, alsmede de wijze van opzegging en ontzetting, de gevolgen van één en ander alsmede het beroep daartegen (....) worden bij huishoudelijk reglement geregeld.

Bedoeld Huishoudelijk Reglement luidt, voorzover hier relevant, als volgt:

Art. 3. Lidmaatschap, donateurschap, sociaal lidmaatschap (einde).

1. - 3. (....)

4. In geval van ontzetting (royement) dient het bestuur betrokkene hiervan d.m.v.

een aangetekend schrijven in kennis te stellen, onder vermelding van de reden van

die ontzetting.

5. Het beroep tegen ontzetting dient binnen vier weken na datering van de ontzetting

te zijn ingediend bij de secretaris. Het bestuur dient binnen tien weken na datering van de ontzetting een algemene ledenvergadering bijeen te roepen. Op de agenda van deze vergadering dient de behandeling van het beroep te worden geplaatst. Onder datering wordt verstaan de datum van het poststempel van het bericht van de ontzetting.

4.4. Door het bestuursbesluit tot ontzetting van [eiser] als lid in beroep te bevestigen heeft de Algemene Ledenvergadering dat besluit tot het hare gemaakt. De bevestiging van het bestuursbesluit door de Algemene Ledenvergadering is het resultaat van een stemming. Uit de notulen blijkt niet dat door de Algemene Ledenvergadering redenen voor haar besluit zijn geformuleerd. Toch zal ook de in beroep genomen beslissing inzake ontzetting, evenals het primaire besluit van het bestuur, moeten voldoen aan de eis dat die met redenen is omkleed. Bij de beoordeling van dat besluit van de Algemene Ledenvergadering zal de rechtbank er vanuit gaan dat met dat besluit de door het bestuur geformuleerde redenen voor de ontzetting, zoals die ter vergadering van de Algemene Ledenvergadering zijn geconcretiseerd en verduidelijkt, zijn overgenomen.

Naar stelling van [eiser] kleven aan het besluit tot ontzetting gebreken waar het gaat om de wijze van totstandkoming en ontbeert het inhoudelijk een deugdelijke en draagkrachtige motivering. De rechtbank zal daarop hierna ingaan.

4.5. Anders dan door [eiser] gesteld verplicht het Huishoudelijk Reglement het bestuur niet om in voorkomend geval de betrokkene in kennis te stellen van het voornemen om tot royement over te gaan maar volstaat het indien de betrokkene in kennis wordt gesteld van het daartoe strekkende bestuursbesluit.

In dit geval heeft het bestuur bij brief gedagtekend 26 mei 2004, verzonden op 9 juni 2004 [eiser] meegedeeld dat besloten was hem met onmiddellijke ingang als lid te royeren.

4.6. Dat die brief aangetekend is verzonden, zoals de voorschriften eisen en door [gedaagde] ook is gesteld, acht de rechtbank genoegzaam onderbouwd met het bewijs van aangetekende verzending dat in het geding is gebracht. Daar tegenover levert de enkele ontkenning van [eiser] dat hij dit schrijven heeft ontvangen onvoldoende betwisting op, zodat er vanuit moet worden gegaan dat het bestuursbesluit tot ontzetting aangetekend aan [eiser] is verzonden. Overigens is dit twistpunt ook niet van belang, aangezien ratio van de eis van aangetekende verzending is zekerheid te creëren over de ontvangst van het besluit door de betrokkene en over de periode waarbinnen beroep moet worden ingesteld. Dat [eiser] op 22 juni dat - nogmaals verzonden - besluit heeft ontvangen wordt door hem niet betwist en indien hij met zijn brief d.d. 23 juli 2004 al de beroepstermijn heeft overschreden dan is hem dat niet tegengeworpen.

4.7. In het bestuursbesluit tot ontzetting zijn de redenen daartoe geformuleerd. Die zijn drieledig en luiden:

1. dat [eiser] bij voortduring onacceptabel gedrag vertoont, waarmee bovendien de goede naam van [gedaagde] en die van de KLM wordt geschaad;

2. dat het vertrouwen, nodig om [eiser] als instructeur in te zetten, ontbreekt, en

3. dat [eiser] ten onrechte de naam van [gedaagde] ten eigen bate gebruikt door op de site van zijn eigen bedrijf de vluchtsimulator van de club in onbeperkte kring aan te bieden zonder toestemming van het bestuur.

Met [eiser] is de rechtbank van oordeel dat deze redenen, althans de eerste twee, wel zeer algemeen zijn geformuleerd. Dat neemt echter niet weg dat het besluit tot ontzetting wel is gemotiveerd en dus voldoet aan de eis dat de reden van de ontzetting in het besluit moeten zijn vermeld. Er zou alleen reden zijn om te concluderen tot strijd met de motiveringseis indien de gegeven redenen volstrekt nietszeggend of onbegrijpelijk zouden zijn. Dat is hier niet het geval.

De rechtbank ziet dan ook geen grond voor het oordeel dat voorafgaand aan het besluit van de Algemene Ledenvergadering is gehandeld in strijd met de wet, statuten of reglementen waardoor dat gebrek ook dat besluit zou aankleven of waardoor het in strijd zou zijn met de redelijkheid en billijkheid.

4.8. Vervolgens is de vraag aan de orde of de motivering van het besluit van de Algemene Ledenvergadering inhoudelijk voldoet aan de daaraan te stellen eisen en redengevend kan zijn voor de ontzetting. Bij de beantwoording van die vraag heeft te gelden dat een vereniging binnen de grenzen van wetsbepalingen als die van art. 2:35 BW en van de statuten bij het nemen van haar besluiten een vrijheid toekomt, die meebrengt dat maatregelen als de onderhavige -afgezien van strijd met wet of statuten - slechts jegens het betrokken lid ontoelaatbaar zijn, indien de vereniging in de gegeven omstandigheden jegens het betrokken lid in redelijkheid niet tot een zodanige maatregel had kunnen komen.

4.9. Vastgesteld moet worden dat de Algemene Ledenvergadering in beroep een besluit voorgelegd heeft gekregen waarvan de motivering op een tweetal onderdelen zeer algemeen was gesteld. Ter vergadering zijn evenwel de algemeen geformuleerde verwijten jegens [eiser] door het bestuur geconcretiseerd met tal van gebeurtenissen en gedragingen, die het de Algemene Ledenvergadering mogelijk hebben moeten maken zich een oordeel te vormen over die verwijten.

4.10. Dat [eiser] bij die vergadering niet aanwezig heeft kunnen zijn wegens verblijf in het buitenland en dus niet heeft kunnen reageren, is een omstandigheid die voor zijn risico dient te worden gelaten. Bij het bepalen van de datum van de Algemene Ledenvergadering heeft het bestuur immers rekening gehouden met de vooraf door [eiser] opgegeven verhinderdata. Volgens eigen opgave d.d. 21 juni 2004 zou hij tot 20 juli 2004 niet beschikbaar zijn. Het bestuur heeft dan ook niet onredelijk gehandeld door de Algemene Ledenvergadering te bepalen op 30 juli 2004. Tegen deze achtergrond is evenmin onredelijk de weigering van het bestuur om gehoor te geven aan het op 23 juli 2004 gedane verzoek van [eiser] de vergadering te verplaatsen omdat hij op 30 juli 2004 opnieuw in het buitenland zou verblijven.

Overigens is niet aannemelijk dat [eiser] volstrekt in het duister heeft getast omtrent de beweegredenen van het bestuur. Uit de gedingstukken blijkt dat hij eerder door het bestuur is aangesproken, in ieder geval inzake het slapen in de hangaar en de wijze waarop hij de vergoeding voor zijn instructiewerkzaamheden in rekening bracht.

4.11. Ten aanzien van de draagkracht van de motivering van het besluit van de Algemene Ledenvergadering overweegt de rechtbank het volgende.

Uit de wijze waarop door het bestuur aan de Algemene Ledenvergadering de verwijten zijn gepresenteerd en geconcretiseerd blijkt dat de nadruk ligt op het gedrag van [eiser] als vlieginstructeur en op het feit dat er wat dat betreft geen vertrouwen meer in hem is. Immers blijkens de notulen van de Algemene Ledenvergadering van 30 juli 2004 wordt [eiser] het verwijt gemaakt dat hij bij voortduring gedrag en handelen vertoont op een wijze die onaanvaardbaar is voor een lid en instructeur van de vereniging, waarna de eerste zes als onderbouwing genoemde voorbeelden alle betrekking hebben op gedragingen van [eiser] als instructeur.

Wat er van die verwijten ook zij, indien [eiser] door zijn manier van optreden als instructeur al tegen besluiten van de vereniging zou ingaan of de vereniging op onredelijke wijze zou benadelen dan doet hij dat in de hoedanigheid van instructeur en niet als lid van de vereniging. Daartegen kan desgewenst worden opgetreden door [eiser] niet langer toe te staan in clubverband als instructeur op te treden. Die sanctie is [eiser] door het bestuur ook in het vooruitzicht gesteld bij brief van 22 oktober 2002 maar kennelijk niet geëffectueerd. Ontzetting als lid is in dit verband een oneigenlijke maatregel en in strijd met de redelijkheid en billijkheid

4.12. De overige grieven tegen [eiser] hebben grotendeels te maken met voorvallen en gedragingen in 2002, zoals het slapen in de hangaar, het privégebruik van de pc's en de telefoon van de vereniging en het onder zich nemen van de parkeerkaarten voor de Lelystad Airshow 2002. Voorzover al juist - [eiser] heeft de meeste aantijgingen weersproken - blijkt uit niets dat [eiser], na daarop te zijn aangesproken, de gewraakte gedragingen ook nadien heeft gecontinueerd. Het tijdsverloop betekent niet dat deze voorvallen geheel buiten beschouwing moeten blijven maar tegen de achtergrond van het verwijt van voortdurend onaanvaardbaar gedrag is het in strijd met de redelijkheid en de billijkheid om deze gebeurtenissen zwaar te laten meewegen, indien zich gedurende bijna twee jaar daarna, tot het voorjaar 2004, geen incidenten meer hebben voorgedaan.

4.13. Van recente datum - ten opzichte van het besluit van de Algemene Ledenvergadering - is het feit dat [eiser] in maart 2004 zonder toestemming kennis heeft genomen van de inhoud van een aan het bestuur gericht poststuk en dat stuk van zijn commentaar heeft voorzien en voorts het feit dat in april 2004 bleek dat [eiser] op de internetsite van zijn eigen bedrijf vliegopleidingen aanbood onder de mededeling dat tevens gebruik zou kunnen worden gemaakt van de flightsimulator van de [gedaagde]. Van dat laatste was het bestuur niet op de hoogte en daarvoor was ook geen toestemming gegeven.

Van deze gedragingen kan worden gezegd dat [eiser] daarmee de fatsoensnormen tegenover het bestuur heeft overtreden. Zij bieden echter geen grond voor de conclusie dat [eiser] door zo te handelen de vereniging op onredelijke wijze heeft benadeeld. Wat betreft de brief die, naar [eiser] onweersproken heeft gesteld, ergens rondslingerde, is gesteld noch gebleken dat het bestuur of de vereniging van [eiser]s handelwijze nadeel of hinder heeft gehad. Wat betreft het aanbieden van de flightsimulator geldt eerder dat [eiser] zichzelf benadeelt als zelfstandig vlieginstructeur, aangezien hij potentiële klanten mogelijkheden voorspiegelt die hij vervolgens niet waar zal kunnen maken.

4.14. Dat [eiser] blijk geeft geneigd te zijn tot eigengereid optreden en zich manifesteert als kritisch lid en luis in de pels van het bestuur, en dat wellicht niet steeds op de meest tactvolle wijze, is op zich onvoldoende om hem te ontzetten als lid. Daarvoor is nodig dat hij door zijn handelwijze in strijd is geraakt met de statuten, reglementen of besluiten van de vereniging of de vereniging op onredelijke wijze heeft benadeeld. Onder dat laatste valt behalve materiële benadeling ook beschadiging van het imago van de vereniging en het bemoeilijken van het functioneren van de organen van de vereniging in het bijzonder van het bestuur. Dat dit laatste het geval zou zijn is door [gedaagde] niet gesteld en blijkt ook niet uit de stukken.

Alle in ogenschouw te nemen feiten en omstandigheden overziende moet het oordeel zijn dat het bestuur en de Algemene Ledenvergadering in redelijkheid niet tot de conclusie hebben kunnen komen dat [eiser] in strijd heeft gehandeld met de statuten, reglementen of besluiten van de vereniging of de vereniging op onredelijke wijze heeft benadeeld. Derhalve deed zich geen van de statutaire redenen voor ontzetting voor en moet van die besluiten dan ook worden geoordeeld dat zij zijn genomen in strijd met de statuten en bijgevolg nietig zijn ingevolge artikel 2:14 BW.

4.15. De vordering tot nietigverklaring van de besluiten tot ontzetting komt mitsdien voor toewijzing in aanmerking. Dat zelfde geldt voor de vordering [gedaagde] te veroordelen [eiser] te herstellen in zijn rechten als lid van de vereniging.

De vordering [gedaagde] te veroordelen om aan de leden schriftelijk dan wel per e-mail mededeling te doen van de nietigheid van de ontzetting en van het herstel van [eiser] in zijn hoedanigheid van verenigingslid komt, nu [gedaagde] zich daartegen niet heeft verzet, voor toewijzing in aanwerking op de wijze als hieronder aangegeven.

4.16. [gedaagde] zal als de in het ongelijk gestelde partij worden veroordeeld in de proceskosten.

5. De beslissing

De rechtbank

I verklaart het besluit van het bestuur van [gedaagde] d.d. 26 mei 2004 en het besluit van de Algemene Ledenvergadering van [gedaagde] d.d. 30 juli 2004, beide strekkende tot ontzetting van [eiser] als lid van de vereniging, nietig;

II veroordeelt [gedaagde] om [eiser] te herstellen in zijn rechten als lid van de vereniging;

III veroordeelt [gedaagde] om binnen veertien dagen na betekening van dit vonnis schriftelijk dan wel per e-mail aan de leden van de vereniging, waaronder [eiser], mededeling te doen van de nietigverklaring van de ontzetting van [eiser] en van het feit dat hij in zijn rechten als lid wordt hersteld;

IV bepaalt dat [gedaagde] een dwangsom van EURO 1000,- verbeurt voor iedere dag dat zij nalatig is gevolg te geven aan het bepaalde onder II en III, met een maximum van EURO 20.000,-;

V wijst af het meer of anders gevorderde;

VI veroordeelt [gedaagde] in de proceskosten, voorzover gevallen aan de zijde van [eiser] tot op heden begroot op EURO 1233,60.

Dit vonnis is gewezen door mr. H.C. Moorman en in het openbaar uitgesproken op 29 maart 2006.