Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBZLY:2006:AZ9309

Instantie
Rechtbank Zwolle-Lelystad
Datum uitspraak
12-07-2006
Datum publicatie
26-02-2007
Zaaknummer
118220 / HA ZA 06-307
Rechtsgebieden
Civiel recht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - enkelvoudig
Inhoudsindicatie

Schadevergoedingsvordering van werkgever ex artikel 6:107a, tweede lid BW. (werknemer heeft door toedoen van gedaagde lichamelijk letsel heeft opgelopen en is daardoor tijdelijk arbeidsongeschikt geweest). Toewijzing van de vordering vereist:

- ziekte of arbeidsongeschiktheid werknemer

- loondoorbetalingsplicht werkgever tijdens de ziekte

- aansprakelijkheid gedaagde voor de gebeurtenis die leidde tot de ziekte.

Aan de vereisten is voldaan. Vordering wordt (gedeeltelijk) toegewezen. Geen eigen schuld van werkgever in het feit dat zij zich niet heeft verzekerd voor het risico van loondoorbetaling. Immers, de schade blijft door het niet verzekerd zijn wel liggen bij de werkgever maar is niet (mede) veroorzaakt door het ontbreken van een dergelijke verzekering.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

vonnis

RECHTBANK ZWOLLE-LELYSTAD

Sector civiel recht

zaaknummer / rolnummer: 118220 / HA ZA 06-307

Vonnis van 12 juli 2006

in de zaak van

de besloten vennootschap met beperkte aansprakelijkheid

[A] MOTOREN BV,

gevestigd te Rogat,

eiseres,

procureur mr. J.A. van Wijmen,

advocaat mr. S. Kroesbergen te Emmen,

tegen

[B],

wonende te [plaats],

gedaagde,

procureur mr. M.G. Hees,

advocaat mr. M.G. Hees te Kampen.

Partijen zullen hierna [A] Motoren BV en [B] genoemd worden.

1. De procedure

1.1. Het verloop van de procedure blijkt uit het vonnis van de kantonrechter d.d. 14 februari 2006, waarbij de zaak ter verdere behandeling is verwezen naar de civiele sector van de rechtbank.

1.2. Ten slotte is vonnis bepaald.

2. De feiten

2.1. Op 11 oktober 2004 zijn [B] en diens vader - hierna aan te duiden als:

[B] sr.- naar de woning gegaan van [A] (verder te noemen: [A]). Daar zijn [B] sr. en [A] slaags geraakt, aan welke vechtpartij [B] heeft bijgedragen door [A] tegen het bovenlichaam te trappen. Als gevolg van dit handgemeen heeft [A] letsel opgelopen - met name gebroken ribben en een neusfractuur - en zich onder medische behandeling moeten stellen. Het opgelopen letsel is van invloed geweest op de mogelijkheid van [A] zijn werk bij [A] Motoren BV (onverkort) uit te voeren. [A] Motoren BV heeft als werkgever van [A] het loon moeten doorbetalen ook bij ongeschiktheid van deze laatste om zijn arbeid te verrichten.

3. Het geschil

3.1. [A] Motoren BV vordert - samengevat - veroordeling van [B] tot betaling van EUR 3.866,09 , vermeerderd met de wettelijke rente vanaf 11 oktober 2004, de kosten verband houdend met het vaststellen van de schade en de aansprakelijkheid ad

EUR 1.200,-, de buitengerechtelijke incassokosten ad EUR 350,- alsmede de kosten van dit geding.

3.2. [B] voert verweer. Op de stellingen van partijen wordt hierna, voor zover van belang, nader ingegaan.

4. De beoordeling

4.1. Als primair verweer voert [B] aan dat [A] Motoren BV niet ontvankelijk is in haar vordering omdat die - naar [B] vermoed - abusievelijk aan de verkeerde persoon is gericht. Wat daarvan ook zij, ook indien dat het geval is levert dat geen grond op voor niet-ontvankelijk verklaring.

4.2. [A] Motoren BV baseert haar vordering op art. 6:107a, tweede lid, BW, bepalende: "Indien een werkgever (....) verplicht is tijdens ziekte of arbeidsongeschiktheid van de gekwetste het loon door te betalen, heeft hij, indien de ongeschiktheid tot werken van de gekwetste het gevolg is van een gebeurtenis waarvoor een ander aansprakelijk is, jegens deze ander recht op schadevergoeding ten bedrage van het door hem betaalde loon (....)."

Voor toewijzing van de vordering is derhalve in ieder geval vereist

- ziekte of arbeidsongeschiktheid van [A];

- een loondoorbetalingsplicht van [A] Motoren BV tijdens die ziekte;

- aansprakelijkheid van [B] voor de gebeurtenis die leidde tot de ziekte;

4.3. Tussen partijen is niet in geschil dat [A] zich in verband met de gevolgen van de vechtpartij onder medische behandeling heeft moeten stellen en enkele dagen in het ziekenhuis opgenomen is geweest. Blijkens de brief van de bedrijfsarts E.C.J. Van der Vegt d.d. 8 juni 2005 was [A] ook daarna nog niet weer in staat om te werken en is hij tot 6 december 2004 arbeidsongeschikt geweest. Er is dus sprake geweest van arbeidsongeschiktheid gedurende enige tijd van [A].

4.4. Als werknemer kon [A] terzake van deze ongeschiktheid aanspraak maken op een uitkering in gevolge de Ziektewet, die echter niet is uitbetaald omdat [A] op grond van artikel 7:629 BW jegens zijn werkgever [A] Motoren BV recht had doorbetaling van zijn loon.

4.5. Vervolgens is de vraag welke gebeurtenis heeft geleid tot de arbeidsongeschiktheid van [A] en of [B] daarvoor aansprakelijk is.

Uit het door partijen gegeven relaas van de toedracht op 11 oktober 2004 valt op te maken dat [B] sr., na een vergeefse poging zijn ex-echtgenote, thans partner van [A], telefonisch te spreken te krijgen, naar de woning van [A] en diens partner is getogen en dat [B] daarbij is meegegaan. Naar [B] stelt heeft [B] sr. gebeld en op de deur geklopt maar werd er niet open gedaan. Daarop is [B] samen met zijn vader achterom gelopen, waarna [A] aan de voorzijde de woning uitkwam, gewapend met een honkbalknuppel, waarop het handgemeen ontstond. [B] sr. heeft [A] tegen de grond gewerkt en kon op hem te gaan zitten. Omdat [B] sr. er desondanks niet in slaagde [A] volledig in bedwang te houden heeft [B] [A] tegen het bovenlichaam getrapt, waarna deze de knuppel losliet.

4.6. Ook wanneer deze lezing van [B] wordt gevolgd moet de conclusie zijn dat [B] willens en wetens samen met zijn vader een situatie heeft geschapen waarvan hij heeft moeten begrijpen dat die door [A], gelet op de reeds bestaand gespannen verhouding, als bedreigend zou worden ervaren. Er was geen noodzaak deze situatie te doen ontstaan. Indien [B] sr., zoals hij stelt zijn ex-vrouw wilde spreken over een aangelegenheid betreffende hun dochter, dan had dat op een ander tijdstip, op een andere plaats en op een andere manier gekund. En als dat gesprek inderdaad , zoals gesteld, geen uitstel duldde dan valt niet in te zien waarom [B] daarbij aanwezig diende te zijn en daarvoor is door hem ook geen enkele plausibele verklaring gegeven. Juist door zijn vader te vergezellen en aldus met twee man te komen is [B] er, met [B] sr., verantwoordelijk voor dat een situatie in het leven is geroepen waarvan hij heeft moeten begrijpen dat die op [A] de indruk zou maken dat het hen om iets anders te doen was dan een gesprek en dus als bedreigend zou worden ervaren. Dat is nog eens versterkt doordat [B] en zijn vader, na het niet reageren door [A] op bellen en kloppen, naar de achterkant van de woning zijn gelopen, terwijl zij wisten dat [A] in huis was en daaruit konden opmaken dat deze een confrontatie uit de weg wilde gaan. Dat die situatie uiteindelijk is uitgemond in een handgemeen kan, hoe ook de precieze toedracht is geweest, niet worden aangemerkt als een voor [B] niet te voorziene afloop.

4.7. Van het door [A] opgelopen letsel zijn de gebroken ribben en de neusfractruur het meest ernstig. Juist de gebroken ribben hebben [A] belet het werk weer (volledig) te hervatten toen het overige letsel daaraan niet meer in de weg stond. De rechtbank leidt dit af uit de aantekeningen van de bedrijfsarts, die laten zien dat [A] na hervatting in eigen werk op 22 november 2004 dat hoogstens halve dagen bleek te kunnen volhouden vanwege de pijn bij het verplaatsen van motoren.

Afgaande op de door [B] gegeven beschrijving van de vechtpartij en zijn bijdrage daarin is er geen andere aannemelijk reden van die gebroken ribben dan de trap (volgens [A]: de trappen) die hij [A] tegen het bovenlichaam heeft gegeven. Dit wordt door [B] ook niet bestreden.

4.8. Het vorenstaande leidt de rechtbank tot de conclusie dat de arbeidsongeschiktheid van [A] het gevolg is van een gebeurtenis, te weten het door trappen toebrengen van lichamelijk letsel, zijnde een onrechtmatige daad, terzake waarvan [B] een verwijt treft en waarvoor hij dus aansprakelijk is.

4.9. De stelling van [B] dat hier de aansprakelijkheid ontbreekt omdat hij gehandeld zou hebben uit noodweer dan wel noodweer-exces, kan de rechtbank niet onderschrijven. Uit de weergave van [B] zelf volgt dat zijn vader [A] reeds tegen de grond had gewerkt en op hem zat voordat [B] in aktie kwam. Als al waar is dat [A] desondanks voor [B] sr. nog een bedreiging vormde in verband met de knuppel had [B] die dreiging eenvoudig kunnen wegnemen door [A] die knuppel te ontnemen of door op die knuppel te gaan staan, waartegen [A], onder [B] sr. op de grond liggend, naar moet worden aangenomen weinig verweer zou hebben gehad.

4.10. [B] heeft gesteld dat er mogelijk andere oorzaken zijn voor het opgetreden letsel, met name het bedrijven van de motorcrosssport door [A]. Die stelling is niet meer dan een vermoeden en ontbeert iedere onderbouwing, om welke reden zij moet worden gepasseerd.

4.11. Op grond van het vorenstaande komt de rechtbank tot het oordeel dat [A] Motoren BV , jegens [B] recht heeft op schadevergoeding.

Met betrekking tot de omvang van de schadevergoedingsplicht overweegt de rechtbank het volgende.

4.12. Recht op uitkering ingevolge de Ziektewet heeft degene die als (rechtstreeks en objectief medisch vast te stellen) gevolg van ziekte ongeschikt is tot het verrichten van zijn arbeid. Het recht op die uitkering betreft het volledige ziekengeld, dat wil zeggen 70% van het loon, ongeacht in welke mate de zieke buiten staat is zijn arbeid te verrichten en datzelfde geldt voor het recht op loondoorbetaling dat gedurende de eerste twee ziektejaren in de plaats treedt van het recht op uitkering.

Inherent aan het recht op schadevergoeding is evenwel dat de aanspraak op vergoeding niet groter kan zijn dan de omvang van de schade. De schade van de werkgever is bij volledige uitval in beginsel gelijk te stellen aan het doorbetaalde loon. Ingeval de werknemer gedeeltelijk heeft kunnen werken dan wel in aangepast werk is de schade minder en te stellen op het verschil tussen het doorbetaalde loon en de aan de verrichte arbeid toe te kennen loonwaarde. In dat laatste geval is immers tegenover het betaalde loon deels een prestatie geleverd.

4.13. Tussen partijen is niet in geschil dat [A] Motoren BV gehouden is tot doorbetaling van het volledige loon. De aanspraak van de werkgever op schadevergoeding ingevolge artikel 6:107a, tweede lid, BW is beperkt tot (ten hoogste) het bedrag waarvoor de aansprakelijke persoon, in casu [B], bij het ontbreken van de loondoorbetalings-verplichting aansprakelijk zou zijn. De schade van [A] en derhalve de vergoedingsplicht van [B] beloopt het bedrag van het nettoloon van eerstgenoemde. Derhalve is het recht van [A] Motoren BV op schadevergoeding beperkt tot het nettoloon van [A] over de dagen dat daar tegenover als gevolg van diens arbeidsongeschiktheid geen of slechts een beperkte prestatie heeft gestaan.

4.14. In dit verband heeft [B] aangevoerd dat zowel [A] als [A] Motoren BV de schade hadden moeten beperken door te bewerkstelligen dat [A] eerder dan thans het geval is geweest was begonnen en wel in aangepaste werkzaamheden waarbij zijn kwetsuren minder een belemmering vormden. In beginsel is dat betoog juist, echter het gaat in dit geval niet op. [B] heeft op geen enkele wijze aannemelijk gemaakt, bijvoorbeeld door aan te geven dat [A] Motoren BV een groot bedrijf is met tal van verschillende functies, dat te verwachten valt dat er zodanige lichtere werkzaamheden voorhanden waren en, als dat al het geval zou zijn, dat er roulatiemogelijkheden waren, dat wil zeggen dat die werkzaamheden verricht werden door medewerkers die op hun beurt konden worden ingezet voor de werkzaamheden van [A]. Dit verweer moet als onvoldoende feitelijk onderbouwd worden gepasseerd.

4.15. In verband met de omvang van de schade heeft [B] voorts aangevoerd dat die geringer is dan door [A] Motoren BV gesteld, omdat [A] niet tot en met januari 2005 geheel of gedeeltelijk arbeidsongeschikt is geweest.

De rechtbank zal zich in dezen laten leiden door de aantekening van de bedrijfsarts op de Medische Kaart. Die aantekeningen behelzen dat [A] op maandag 22 november 2004 is begonnen in eigen werk maar dat niet langer dan halve dagen kon volhouden, waarop hij met goedvinden van de bedrijfsarts gedurende twee weken halve dagen is gaan werken. Uit het feit dat er met betrekking tot de periode daarna geen medische gegevens zijn overgelegd leidt de rechtbank af dat [A] na die twee weken geen relevante beperkingen meer heeft gehad, zodat hij vanaf 6 december 2004 weer volledig zijn eigen werkzaamheden heeft kunnen verrichten. Dat betekent dat de schade is beperkt tot het loon dat is doorbetaald over de periode van dinsdag 12 oktober 2004 tot en met 21 november 2004 en tot de helft van het loonbedrag over de periode van 22 november 2004 tot en met 5 december 2004. Deze periode kent derhalve 29 hele en 10 halve ziektedagen, per saldo derhalve 34 hele dagen van arbeidsongeschiktheid. Blijkens de loonopgaven van [A] Motoren BV is aan [A] over de maanden oktober 2004 tot en met januari 2005, met in totaal 87 werkdagen, aan loon betaald: EUR 5.409,37 netto. Daarvan is 34/87 x EUR 5.409,37 = EUR 2.114,- nettoloon waar tegenover geen arbeidsprestatie heeft gestaan zodat dat bedrag als schade moet worden aangemerkt die op grond van artikel 6:107a, tweede lid, BW voor vergoeding in aanmerking komt.

4.16. [B] heeft betoogd dat die schade niet voor zijn rekening kan komen op grond van eigen schuld aan de zijde van [A] respectievelijk van [A] Motoren BV.

In de eerste plaats ziet [B] die eigen schuld in de omstandigheid dat de vechtpartij is ontstaan doordat [A] [B] sr. met de knuppel heeft aangevallen. De rechtbank kan [B] hierin niet volgen. Los van het feit dat de lezing van [A] over de vechtpartij een andere is, volgt uit hetgeen hiervoor is overwogen (r.o. 4.5 en 4.6) dat [B] en diens vader de situatie in het leven hebben geroepen die in zich droeg dat zij zou escaleren op de wijze zoals uiteindelijk is gebeurd. Daarbij is, volgens de lezing van [B], hijzelf degene geweest die de schermutselingen is begonnen door een op de grond liggende pan naar [A] te gooien en een trapbeweging in diens richting te maken.

Ook het betoog van [B] dat de billijkheidscorrectie van artikel 6:101, eerste lid BW tot een andere verdeling van de schade zou moeten leiden tussen hem en [A] treft geen doel, aangezien daarvoor geen andere argumenten worden aangedragen dan de omstandigheden waaronder de ruzie is ontstaan. Er is geen reden [B] aan te merken als de zwakkere partij of als de partij die zijns ondanks in het handgemeen is betrokken geraakt.

Eigen schuld van [A] Motoren BV ziet [B] in het feit [A] eerder had kunnen hervatten dan hij heeft gedaan en dat [A] Motoren BV heeft nagelaten te onderzoeken waarom dat niet is gebeurd. Dit betoog gaat niet op. Waar het verzuim van [A] door de bedrijfsarts is gesanctioneerd is er geen grond voor de aanname dat [A] eerder had kunnen hervatten.

Tenslotte kan, anders dan door [B] aangevoerd, geen eigen schuld van [A] Motoren BV worden gevonden in het feit dat zij zich niet heeft verzekerd voor het risico van loondoorbetalingsverplichting. Immers de schade blijft door het niet verzekerd zijn wel liggen bij [A] Motoren BV maar is niet (mede) veroorzaakt door het ontbreken van een dergelijke verzekering.

1.17. De vordering inzake de door [A] Motoren BV gestelde en door [B] bestreden kosten van rechtsbijstand zal de rechtbank niet toewijzen bij gebreke van iedere onderbouwing.

1.18. De vordering inzake de wettelijke rente kan worden toegewezen ingaande 6 december 2004, zijnde de dag waarop [A] volledig heeft hervat en dus de dag, volgend op die, waarop de schade zich volledig heeft gerealiseerd. Daaraan doet niet af dat [B] tot de dag van de dagvaarding door [A] Motoren BV terzake van deze schade niet is aangesproken.

1.19. Dat laatste, door [A] Motoren BV niet bestreden gegeven, is wel reden de vordering inzake de buitengerechtelijke incassokosten af te wijzen.

1.20. [B] zal, als de partij die op hoofdpunten in het ongelijk is gesteld, worden veroordeeld in de proceskosten, voor zover gevallen aan de zijde van [A] Motoren BV tot op heden begroot op EUR 1.149,60.

5. De beslissing

De rechtbank

5.1. veroordeelt [B] om aan [A] Motoren BV te betalen een bedrag van

EUR 2.114,- te vermeerderen met de wettelijke rente vanaf 6 december 2004 tot en met de dag der algehele voldoening

1.2. veroordeelt [B] in de proceskosten, voor zover gevallen aan de zijde van [A] Motoren BV tot op heden begroot op EUR 1.149,60

1.3. wijst af het meer of anders gevorderde

1.4. verklaart dit vonnis uitvoerbaar bij voorraad.

Dit vonnis is gewezen door mr. H.C. Moorman en in het openbaar uitgesproken op 12 juli 2006.