Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBZLY:2006:AZ7807

Instantie
Rechtbank Zwolle-Lelystad
Datum uitspraak
19-12-2006
Datum publicatie
05-02-2007
Zaaknummer
317176 CV 06-2393
Rechtsgebieden
Civiel recht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - enkelvoudig
Inhoudsindicatie

kantonzaak, arbeidsrecht. Opzegging arbeidsovereenkomst niet kennelijk onredelijk, hoewel werkgever volgens UWV uiteindelijk te weinig reïntegratie-inspanningen heeft verricht.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Prg. 2007, 44
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK ZWOLLE – LELYSTAD

sector kanton – locatie Zwolle

zaaknr.: 317176 CV 06-2393

datum : 19 december 2006

Vonnis in de zaak van:

[EISER],

wonende te [woonplaats],

eisende partij, verder te noemen: “[eiser]”,

gemachtigde mw. mr. I. Roordink-Wester, jurist bij CNV Bedrijvenbond te Apeldoorn,

tegen

de besloten vennootschap CETRA METAAL B.V.,

gevestigd te Hardenberg,

gedaagde partij, verder te noemen: “Cetra”,

gemachtigde mw. mr. A. Akman, advocaat te Enschede.

De procedure

De kantonrechter heeft kennisgenomen van:

- de dagvaarding d.d. 20 april 2006, ten verzoeke van [eiser] uitgebracht,

- het antwoord van Cetra,

- de repliek tevens vermindering van eis van [eiser],

- de dupliek van Cetra en

- de akte uitlating producties van [eiser].

Het geschil

De vordering van [eiser] strekt er na vermindering van eis toe dat de kantonrechter bij vonnis, voor zoveel mogelijk uitvoerbaar bij voorraad:

1) het door Cetra aan [eiser] verleende ontslag kennelijk onredelijk zal verklaren als bedoeld in artikel 7:681 BW;

2) Cetra zal veroordelen om aan [eiser] een schadevergoeding van € 79.260,04 bruto te betalen;

met veroordeling van Cetra in de kosten van de procedure.

Daartegen heeft Cetra verweer gevoerd met conclusie dat [eiser] bij vonnis, voor zoveel mogelijk uitvoerbaar bij voorraad, in zijn vordering niet ontvankelijk zal worden verklaard althans dat zijn vordering zal worden afgewezen, met veroordeling van [eiser] in de kosten van de procedure.

De vaststaande feiten

Tussen partijen staat als gesteld en erkend dan wel niet (voldoende) betwist, mede op grond van de overgelegde en in zoverre niet bestreden bescheiden, het volgende vast:

a. Cetra is gespecialiseerd in de productie van samengestelde halffabricaten uit metaal en is in dat kader onder meer producent van CV-radiatoren en onderdelen voor de auto-industrie en toeleverancier van technisch hoogwaardige producten uit metaal. Bij Cetra waren begin 2005 135 werknemers in dienst.

b. [eiser], geboren op [datum], is per [datum] in dienst getreden van (de rechtsvoorgangster van) Cetra. De laatst door hem uitgeoefende functie betrof de functie van productiemedewerker op de afdeling assemblage en puntlasserij. Het laatst door hem verdiende salaris bedroeg € 2.259,36 bruto per maand inclusief 8% vakantietoeslag.

c. Cetra heeft in 2004 een verlies geleden van € 431.000 bij een omzet van € 12,6 mio, na verliezen te hebben geleden van € 459.000 (2003), € 1.052.000 (2002) en € 947.000 (2001).

d. Om redenen van een toenemende concurrentie, afnemende omzet, hoge kosten en slechte liquiditeit heeft Cetra eind januari 2005 besloten haar onderneming te reorganiseren met als doel een verbetering van haar financiële positie, niet alleen bestaande uit een verhoging van de omzet doch ook een besparing op de kosten.

e. In de daartoe opgestelde reorganisatienota d.d. januari 2005 heeft Cetra verwoord van plan te zijn haar productie van CV-radiatoren te verplaatsen naar Roemenië, de relatief eenvoudige productie te verplaatsen en af te stoten die verliesgevend is en waarin geen verbetering te verwachten is, zich slechts te zullen richten op de productie van specialistische en specifieke producten en de bestaande verbetering- en efficiencyprogramma’s voort te zetten en te intensiveren. In die nota is voorts verwoord dat de gemaakte keuzes tot gevolg hebben dat 38,4 fte’s komen te vervallen.

f. De ondernemingsraad heeft op 1 maart 2005 over de geplande reorganisatie positief geadviseerd.

g. Cetra heeft op 28 februari 2005 met de vakorganisaties CNV en FNV omtrent de gevolgen van de reorganisatie een Sociaal Plan gesloten. Dat Plan voorziet in een outplacement-procedure gedurende 6 maanden voor werknemers tot 55 jaar en de vorming van een fonds van € 170.000,00 voor een aanvullende uitkering op de WW-uitkering voor die werknemers die na de outplacement-procedure nog aanspraak moeten maken op een WW-uitkering. In artikel 2.2 van dit Sociaal Plan is voorts verwoord dat Cetra de voor ontslag voorgedragen werknemer op non-actief mag stellen, indien dat naar haar oordeel wenselijk is.

h. Bij besluit d.d. 29 april 2005 heeft het CWI aan Cetra haar toestemming onthouden om de arbeidsverhouding met [eiser] op te zeggen. Daartoe heeft het CWI samengevat overwogen dat zij op basis van hetgeen over en weer is aangevoerd onvoldoende heeft kunnen toetsen of Cetra het anciënniteitsbeginsel juist heeft toegepast. Met name heeft het CWI overwogen dat niet duidelijk is of de huidige functie van [eiser] nu wel of niet tot de afdeling lasserij behoort en/of er nu wel of niet mogelijkheden bestaan tot herplaatsing van [eiser].

i. Het CWI heeft op Cetra’s herhaalde aanvraag d.d. 11 mei 2005 op 29 juni 2005 aan Cetra toestemming verleend om de arbeidsverhouding met [eiser] op te zeggen. Daartoe heeft CWI onder meer - samengevat - overwogen dat Cetra in voldoende mate aannemelijk heeft gemaakt dat zij in redelijkheid heeft kunnen komen tot haar besluit de personeelsbezetting in haar bedrijf aan te passen, dat in voldoende mate aannemelijk is dat [eiser] moet worden gezien als productiemedewerker puntlasserij, dat de overblijvende functies in de lasserij en stamperij specialistische functies zijn en niet (volledig en per direct) uitwisselbaar zijn met de functie van [eiser], dat de beide overgebleven productiemedewerkers een langer dienstverband hebben dan [eiser] zodat het anciënniteitsbeginsel correct is toegepast, dat een directe herplaatsing in één van de overgebleven meer specialistische functies niet tot de mogelijkheden behoort en dat aannemelijk is dat overigens binnen Cetra geen herplaatsing mogelijk is. Het CWI heeft aan haar toestemming de voorwaarde verbonden dat tot 26 weken na bekendmaking geen werknemer in dienst wordt genomen voor het verrichten van werkzaamheden van dezelfde aard voordat [eiser] in de gelegenheid wordt gesteld zijn vroegere werkzaamheden op de bij Cetra gebruikelijke voorwaarden te hervatten, zijnde de wederindiensttredingsvoorwaarde als bedoeld in artikel 2:7 jo 4:5 van het Ontslagbesluit.

j. Bij brief van 30 juni 2005 heeft Cetra onder gebruikmaking van voormelde toestemming van het CWI de arbeidsovereenkomst met [eiser] opgezegd tegen 30 september 2005.

k. Cetra heeft in het kader van de beëindiging van de arbeidsrelatie conform het Sociaal Plan aan [eiser] uitkeringen gedaan ten bedrage van € 8.855,00.

l. Cetra heeft onder gebruikmaking van daartoe verkregen vergunningen van het CWI ook de arbeidsovereenkomsten van bijna 40 andere werknemers opgezegd.

m. [eiser] kampt vanaf circa 1996 met rug- en vanaf circa 2004 met schouderklachten, waarvoor hij de laatste jaren aantal maal geheel en/of deels arbeidsongeschikt is geweest, laatstelijk vanaf 14 februari 2005. In dat kader heeft de bedrijfsarts bij brief van 4 mei 2005 uitgesproken te verwachten dat [eiser] in week 21 van 2005 ofwel met ingang van 23 mei 2005 weer volledig zal kunnen hervatten. Op 11 mei 2005 heeft [eiser] zich opnieuw volledig arbeidsongeschikt gemeld, waarna hij per 17 mei 2005 weer heeft hervat in aangepast werk. Deze hervatting is vervolgens uitgebreid tot 4 à 5 uren per dag.

n. Vanaf 11 juli 2006 heeft [eiser] in verband met een op non-actiefstelling als bedoeld in artikel 2.2 van het Sociaal Plan geen werkzaamheden meer voor Cetra verricht.

De standpunten van partijen

[eiser] heeft aan zijn vorderingen op Cetra ten grondslag gelegd dat het aan hem gegeven ontslag kennelijk onredelijk is omdat deze berust op een valse reden. Anders dan Cetra voorwendt is de afdeling puntlasserij niet gesloten en zijn meerdere puntlasmachines nog binnen Cetra in gebruik. Daarnaast is het ontslag kennelijk onredelijk omdat Cetra zich niet gehouden heeft aan haar jegens hem bestaande reïntegratieverplichtingen, nu Cetra het laatste jaar van het dienstverband geen actie ondernomen heeft om zodanig passende arbeid te bieden dat hij het aantal uren per dag had kunnen uitbreiden. Cetra is dan ook gehouden om aan [eiser] een schadevergoeding te betalen, die moet worden berekend aan de hand van de kantonrechters-formule op een bedrag van € 88.115,04 bruto, op welk bedrag het door Cetra uitgekeerde bedrag ad € 8.855,00 in mindering kan worden gebracht, aldus [eiser].

Cetra heeft bestreden dat zij zich bij de opzegging van de arbeidsverhouding met [eiser] heeft bediend van een valse of voorgewende reden. Voorts heeft Cetra betwist dat zij niet zou hebben voldaan aan haar reïntegratieverplichtingen. Wat betreft de omvang van de gevorderde schadevergoeding heeft Cetra aangevoerd dat er geen ruimte bestaat om af te wijken van hetgeen met de vakorganisaties als Sociaal Plan is overeengekomen, waarbij er overigens geen grond is om in procedures als deze de kantonrechtersformule te hanteren, aldus Cetra.

De beoordeling

1.

In debat is of Cetra de arbeidsovereenkomst met [eiser] kennelijk onredelijk heeft opgezegd.

2.

Blijkens de ontslagvergunning van het CWI is de opzegging van de arbeidsovereenkomst gebaseerd op de omstandigheid dat de arbeidsplaats van [eiser] als gevolg van het sluiten van de afdeling puntlasserij is komen te vervallen en dat er voor hem geen andere passende functie voorhanden is.

3.

Of deze reden tot opzegging gegrond is, moet worden beoordeeld naar de situatie op het moment van de opzegging, waarbij met een verandering in de omstandigheden rekening kan worden gehouden bij de beoordeling van een kennelijke onredelijkheid van het ontslag. Bij deze beoordeling kan tevens acht worden geslagen op de goede trouw van de werkgever. De onrede-lijkheid dient daarbij “kennelijk” ofwel voor een ieder weldenkend mens “duidelijk” te zijn.

4.

Dat de hiervoor verwoorde opzeggingsgrond voorgewend of vals zou zijn, zoals [eiser] aanvoert, kan naar het oordeel van de kantonrechter niet worden volgehouden.

4.1

In dat kader stelt de kantonrechter allereerst vast dat [eiser] niet heeft bestreden dat er voor Cetra een bedrijfseconomische noodzaak bestond voor een reorganisatie die onder meer inhield het verplaatsen van productie naar een lagelonenland en het afstoten van relatief eenvoudig productiewerk waarvan de verwachting bestond dat dat niet binnen redelijke termijn winstgevend zou zijn. [eiser] heeft evenmin bestreden dat zijn werkzaamheden binnen de afdeling puntlasserij in hoofdzaak verband hielden met dat te verplaatsen en/of af te stoten productiewerk. Daarmee is voldoende aannemelijk dat met het realiseren van die verplaatsing en/of afstoting van het productiewerk er geen bestaansreden meer zal zijn voor een afdeling puntlasserij. Eveneens is daarmee voldoende aannemelijk dat bij een sluiting van die afdeling de door [eiser] beklede functie van productiemedewerker puntlasserij komt te vervallen.

4.2

Wat betreft de vraag of het ter zake door Cetra gestelde productiewerk feitelijk is verplaatst en/of afgestoten, geldt dat [eiser] heeft aangevoerd dat hij zowel in oktober 2005 als in februari 2006 heeft geconstateerd dat er binnen Cetra nog volop puntlaswerkzaamheden werden verricht en dat de voorheen binnen de afdeling puntlasserij gebruikte puntlasmachines nog gewoon in gebruik waren, op basis waarvan hij heeft geconcludeerd dat de afdeling puntlasserij feitelijk niet is gesloten.

4.3

[eiser] onderschrijft evenwel dat Cetra vanaf begin 2005 doende is geweest om de geplande fabriek voor het puntlaswerk in Roemenië te openen en dat die fabriek feitelijk in november 2005 is geopend. [eiser] heeft evenmin weersproken dat in 2005 alle werknemers van de afdeling puntlasserij, behoudens één, zijn ontslagen. Daarmee is voldoende aannemelijk dat Cetra feitelijk uitvoering heeft gegeven aan haar voornemen om de puntlaswerkzaamheden, zoals voorheen uitgevoerd ten behoeve van het eenvoudige productiewerk, te verplaatsen en/of af te stoten. Voor zich spreekt immers dat Centra zonder die werknemers die eenvoudige puntlaswerkzaamheden niet meer zal kunnen uitvoeren.

4.4

Het gegeven dat Cetra (nog) niet alle puntlasmachines naar Roemenië heeft verplaatst en/of afgestoten en één of meer machines binnen haar onderneming achterblijft/ven noch het gegeven dat de voorziene ingebruikname van de fabriek in Roemenië langer heeft geduurd dan Cetra had gepland, maakt het voorgaande anders. Voor zover het gaat om het behoud van één of meer puntlasmachines geldt dat Cetra onbetwist heeft gesteld dat ook bij specialistisch en technisch ingewikkeld productiewerk wel eens puntlaswerk voorkomt doch dat dat werk slechts nog gering van omvang is, waarvoor de enige productiemedewerker van de (voormalige) afdeling puntlasserij zal worden ingezet voor wie geen ontslagvergunning is verkregen.

4.5

Al met al is naar het oordeel van de kantonrechter onvoldoende grond om tot de conclusie te komen dat de door Cetra opgegeven reden voor de opzegging van de arbeidsrelatie met [eiser] als een valse of voorgewende reden moet worden aangemerkt. In zoverre moet worden verworpen [eiser]s stelling dat het ontslag op die grond kennelijk onredelijk is.

5.

[eiser] heeft voorts betoogd dat het aan hem gegeven ontslag kennelijk onredelijk is omdat Cetra voorafgaande aan de opzegging zich onvoldoende heeft ingespannen om hem te reïntegreren.

5.1

Hoewel uit het door het UWV opgemaakte “rapportage deskundigenoordeel” d.d. 12 januari 2006 blijkt dat Cetra vanaf 25 mei 2005 feitelijk te weinig inspanningen heeft geleverd ten aanzien van de werkhervatting van [eiser], is die conclusie van het UWV in de gegeven omstandigheden naar het oordeel van de kantonrechter van onvoldoende gewicht om het ontslag daardoor als kennelijk onredelijk aan te merken.

5.2

Uit diezelfde rapportage blijkt immers dat er geen grond is voor de conclusie dat Cetra tot 25 mei 2005 te weinig reïntegratie-inspanningen heeft verricht.

5.3

Wat betreft de periode na 25 mei 2005 geldt dat het UWV het aan Cetra te maken verwijt zelf heeft gerelativeerd nu volgens deze rapportage door de omstandigheden op het werk, kennelijk aldus de herstructurering van Cetra’s onderneming, en [eiser]s beperkingen, passend werk binnen Cetra moeilijk is te vinden. Voorts geldt dat uit de stellingen van [eiser] volgt dat hij na zijn hervatting per 17 mei 2005 tot aan zijn op non-actiefstelling per 11 juli 2005 wel aangepast werk heeft verricht, te weten dagelijks 4 à 5 uur, zodat het aan Cetra gemaakte verwijt in zoverre doel mist.

5.4

De op non-actiefstelling per 11 juli 2005 berust op de met de vakorganisaties gemaakte en in het Sociaal Plan neergelegde afspraak. [eiser] heeft niet gesteld noch is dit anderszins gebleken dat Cetra van de uit die afspraak voortvloeiende bevoegdheid in zijn geval een onjuist gebruik heeft gemaakt, zodat Cetra evenmin een verwijt kan worden gemaakt dat zij vanaf 11 juli 2005 geen ander / nader aangepast werk aan [eiser] heeft aangeboden.

5.5

Tegen de achtergrond van het voorgaande valt zonder nadere toelichting, die ontbreekt, niet in te zien dat een over de periode van 25 mei 2005 tot 11 juli 2005 uitgebleven uitbreiding van uren in aangepast werk, nog daargelaten dat [eiser] daaromtrent geen concrete functies en/of werkzaamheden heeft geduid, van invloed is geweest op de opzegging van het dienstverband dan wel thans gevolgen heeft voor zijn arbeidsmarktpositie.

6.

De kantonrechter leest in het betoog van [eiser] dat hij gedurende 32 jaar voor Cetra werkzaam is geweest, dat hij kampt met lichamelijke klachten en dat hij, gezien die omstandigheden en zijn leeftijd van (toen bijna) 53 jaar, een moeilijke arbeidsmarktpositie heeft, een beroep op het gevolgencriterium als bedoeld in sub b. van lid 2 van artikel 7:681 BW.

6.1

Anders dan [eiser] bepleit, volgt uit het enkele feit dat zijn dienstverband is beëindigd niet dat hij jegens Cetra een aanspraak heeft op een voorziening, een financiële genoegdoening daaronder begrepen. Daarvoor is slechts plaats indien er anders een onevenredigheid zou ontstaan tussen de belangen van Cetra bij beëindiging van de arbeidsrelatie en de te verwachten nadelige gevolgen van die opzegging voor [eiser].

6.2

In weerwil van hetgeen [eiser] voorts heeft bepleit, is er evenmin grond om in een geval als dit de ten behoeve van ontbindingsprocedures ontwikkelde kantonrechtersformule toe te passen, niet in de laatste plaats vanwege het feit dat een ontslag via een opzeggingsprocedure niet voldoende te vergelijken valt met die via een ontbindingsprocedure en de werkgever in het laatste geval bij een toekenning van een vergoeding te zijner laste in het algemeen de gelegenheid krijgt het verzoek in te trekken.

6.3

Vast staat dat [eiser] in verband met de beëindiging van het dienstverband een uitkering ad € 8.855,00 heeft ontvangen van het door Cetra in verband met de reorganisatie gevormde fonds. Zowel dat fonds als die uitkering vinden hun grondslag in een met twee representatieve vakor-ganisaties gesloten Sociaal Plan, hetgeen een (zwaarwegende) aanwijzing vormt dat de voor [eiser] getroffen regeling toereikend is. Nu in het betreffende artikel 3.3 van het Sociaal Plan bij de bepaling van de omvang van de te berekenen uitkeringen rekening moet worden gehouden met de leeftijd en de diensttijd van de betrokken medewerkers die voor een uitkering in aanmerking komen, zijn die door [eiser] aangedragen argumenten al verdisconteerd.

6.4

Aan [eiser] kan worden toegegeven dat bij de beëindiging van zijn arbeidsovereenkomst redelijkerwijs moest worden geschat dat hij, gezien zijn leeftijd van bijna 53 jaar, zijn kennelijk eenzijdige werkervaring bij Cetra, zijn lichamelijke beperkingen en het gegeven dat de metaalbranche economisch nogal onder druk staat, weinig reële en redelijke kansen op de arbeidsmarkt zou hebben en derhalve waarschijnlijk (voor langere tijd) aangewezen zou blijven op een uitkering krachtens de sociale verzekeringswetten. Daar staat evenwel tegenover de bedrijfseconomische situatie waarin Cetra verkeert en het gegeven dat Cetra, naast [eiser], tientallen andere werknemers heeft moeten ontslaan, waardoor zonder twijfel is dat Cetra niet in staat kan worden geacht voor al deze werknemers een substantiële afvloeiingsregeling te treffen zonder het voortbestaan van haar onderneming en het behoud van de werkgelegenheid voor de overige werknemers in gevaar te brengen. Tot slot is daarbij in aanmerking genomen dat [eiser] vanaf 11 juli 2005 is vrijgesteld van zijn verplichting om voor Cetra arbeid te verrichten - en aldus op die wijze in de gelegenheid is geweest zich ten volle op de arbeidsmarkt te richten - en het feit dat Cetra een opzegtermijn van drie maanden in acht heeft genomen.

6.5

Gezien de hiervoor genoemde feiten en omstandigheden, in het bijzonder de gedane uitkering, en gelet op het onweersproken feit dat Cetra blijkens het Sociaal Plan aan [eiser] gedurende een termijn van zes maanden outplacement-ondersteuning heeft aangeboden in de vorm van sollicitatietraining en -begeleiding en herscholing/opleiding, kan evenmin tot de conclusie worden gekomen dat het ontslag wegens het ontbreken van een (substantieel) hogere financiële genoegdoening kennelijk, dat wil zeggen voor een ieder duidelijk, onredelijk is.

7.

Aangezien [eiser] geen andere feiten en omstandigheden heeft aangevoerd waaruit kan volgen dat het ontslag op andere gronden als kennelijk onredelijk moet worden beschouwd, is er geen sprake van een kennelijk onredelijk ontslag. Dit betekent dat zijn vorderingen moeten worden afgewezen.

8.

[eiser] zal als de in het ongelijk gestelde partij in de kosten van de procedure worden verwezen.

De beslissing

De kantonrechter:

- wijst de vorderingen van [eiser] af;

- veroordeelt [eiser] in de kosten van het geding, tot op heden aan de zijde van Cetra begroot op € 1.200,00 voor salaris gemachtigde;

- verklaart deze proceskostenveroordeling uitvoerbaar bij voorraad.

Aldus gewezen door mr. W.F. Boele, kantonrechter, en uitgesproken in de openbare terechtzitting van 19 december 2006 in tegenwoordigheid van de griffier.