Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBZLY:2006:AZ5665

Instantie
Rechtbank Zwolle-Lelystad
Datum uitspraak
14-09-2006
Datum publicatie
09-01-2007
Zaaknummer
124042 / KG ZA 06-367
Rechtsgebieden
Civiel recht
Bijzondere kenmerken
Kort geding
Inhoudsindicatie

Ordemaatregel in kort geding in verband met dreiging van honden.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
NJF 2007, 16

Uitspraak

vonnis

RECHTBANK ZWOLLE-LELYSTAD

Sector civiel recht

zaaknummer / rolnummer: 124042 / KG ZA 06-367

Vonnis in kort geding van 14 september 2006

in de zaak van

1. [eiser sub 1],

wonende te [plaats],

2. [eiseres sub 2],

wonende te [plaats],

3. [eiser sub 3],

wonende te [plaats],

eisers,

procureur mr. E.G.J. Hendriksen,

advocaat mr. R.A.A. Geene te Assen,

tegen

1. [gedaagde sub 1],

wonende te [plaats],

2. [gedaagde sub 1],

wonende te [plaats],

gedaagden,

juridisch adviseur mr. A. Westendorp-van de Wiel te Tilburg.

Partijen zullen hierna [eiser sub 1] c.s. en [gedaagde sub 1] c.s. genoemd worden.

1. De procedure

1.1. Het verloop van de procedure blijkt uit:

- de dagvaarding

- de mondelinge behandeling

- de pleitnota van [eiser sub 1] c.s.

- de pleitnota van [gedaagde sub 1] c.s..

1.1. Ten slotte is vonnis bepaald.

1. De feiten

1.1. [gedaagde sub 1] c.s. is eigenaar van zeven honden, Newfoundlanders. Ook [eiser sub 1] heeft honden. Op 3 augustus 2006 is [eiser sub 1], toen hij zijn honden uitliet en met honden van [gedaagde sub 1] c.s. werd geconfronteerd, gebeten in zijn kuit. Hij heeft daardoor schade opgelopen en zich onder doktersbehandeling moeten stellen.

1.2. In het verleden hebben Newfoundlanders van [gedaagde sub 1] c.s. verschillende personen en honden gebeten.

1. Het geschil

1.1. De vordering van [eiser sub 1] c.s. strekt ertoe dat de voorzieningenrechter bij vonnis, uitvoerbaar bij voorraad [gedaagde sub 1] c.s.:

I. primair:

1. zal gebieden om alle honden die zij bezit met onmiddellijke ingang, althans binnen zodanige termijn als de voorzieningenrechter redelijk acht, uitsluitend nog deugdelijk aangelijnd en voorzien van een muilkorf uit te laten, of te doen uitlaten, steeds ten hoogste twee honden per begeleider, op of langs de openbare wegen in de omgeving van hun woning in een gebied gevormd door een cirkel met een straal van 5 kilometer, met als middelpunt de woning van [gedaagde sub 1] c.s.;

2. zal verbieden om met de honden die zij bezit de aan [eiser sub 1] c.s. toebehorende percelen grond, zoals nader aangeduid op de aan de inleidende dagvaarding gehechte kaarten, te betreden, daar te lopen of zich te bevinden of op te houden en [gedaagde sub 1] c.s. zal verbieden dat zij andere personen in de gelegenheid stelt op de aan [eiser sub 1] c.s. toebehorende percelen de aan [gedaagde sub 1] c.s. toebehorende honden uit of los te laten;

3. zal gebieden:

a. primair:

om de aan [gedaagde sub 1] c.s. toebehorende hond, een Newfoundlander, bruin van kleur, binnen 24 uur na betekening van dit vonnis aan te bieden aan een dierenarts met de opdracht deze hond te laten inslapen, onder de verplichting om ten bewijze daarvan binnen twee maal 24 uur na betekening van dit vonnis aan [eiser sub 1] c.s. een verklaring van deze dierenarts over te leggen waaruit blijkt dat hij aan deze opdracht heeft voldaan;

b. subsidiair:

- om direct na betekening van dit vonnis de hond, die [eiser sub 1] heeft gebeten, de bruine Newfoundlander, op het erf van [gedaagde sub 1] c.s. te houden en alleen daar uit te laten, uitsluitend voorzien van een muilkorf en aangelijnd en [gedaagde sub 1] c.s. zal verbieden om met deze hond op de openbare weg te komen, en [gedaagde sub 1] c.s. zal gebieden om daarbij zodanige maatregelen te treffen, dat deze hond niet op eigen initiatief het erf kan verlaten totdat de gemeente Hardenberg of de politie in deze regio heeft besloten wat er met deze hond dient te gebeuren en aan dat besluit uitvoering heeft gegeven;

- [gedaagde sub 1] c.s. zal gebieden om de bruine Newfoundlander die zij bezit binnen 24 uur na dagtekening van dit vonnis af te leveren bij het Dierentehuis Lelystad aan de Bronsweg 9 van Martin Gaus en de hond daar in goede verzorging achter te laten onder gelijktijdige storting van een depot van EUR 2.700,00 ter dekking van de eerste pernsion- en verzorgingskosten voor een periode van zes maanden en [gedaagde sub 1] c.s. zal gebieden de hond daar te laten totdat door de gemeente Hardenberg of door het openbaar ministerie met kracht van een bindend besluit is vastgesteld wat met deze hond moet gebeuren;

4. [gedaagde sub 1] c.s. zal gebieden hun erf binnen twee weken na betekening van dit vonnis zodanig te omheinen en zodanige maatregelen te treffen, dat deze honden uitsluitend onder toezicht van [gedaagde sub 1] c.s. en met inachtneming van de in dit vonnis opgenomen ge- en verboden het erf kunnen verlaten;

5. alle ge- en verboden zal versterken met een dwangsom van EUR 1.000,00 per overtreding ten aanzien van het gebod sub 1 en het verbod sub 2 en per dag ten aanzien van de geboden sub 3 (primair en subsidiair) en 4 voor iedere dag na het verstrijken van de termijnen dat gedaagden in gebreke blijven daaraan gevolg te geven;

II. subsidiair:

6. [gedaagde sub 1] c.s. zodanige verboden en/of geboden met betrekking tot de omgang met haar honden op zal leggen - zo mogelijk versterkt met een dwangsom - dat de veiligheid van [eiser sub 1] c.s. op de eigen percelen van [eiser sub 1] c.s. en op de openbare weg in de omgeving van de woningen van [eiser sub 1] c.s. zoveel als mogelijk wordt gegarandeerd, waarbij de voorzieningenrechter wordt verzocht in goede justitie een veiligheidszone aan te geven binnen welke deze ge- en verboden dienen te gelden;

III. primair en subsidiair:

[gedaagde sub 1] c.s. zal veroordelen in de kosten van dit geding.

1.2. [gedaagde sub 1] c.s. voert verweer. Op de stellingen van partijen wordt hierna, voor zover van belang, nader ingegaan.

1. De beoordeling

Algemeen

1.1. Dat [eiser sub 1] c.s. een spoedeisend belang heeft bij zijn vorderingen is door [gedaagde sub 1] c.s. bestreden.

Ten eerste heeft [gedaagde sub 1] c.s., kennelijk met een beroep op artikel 256 Rv, betoogd dat de toedracht van het onder 1.1 genoemde incident dermate complex is dat een beoordeling daarvan zich niet leent voor behandeling in kort geding. De voorzieningenrechter volgt [gedaagde sub 1] c.s. hierin niet. Vaste rechtspraak is dat van de bevoegdheid om een voorziening in kort geding te weigeren in verband met de ongeschiktheid van de zaak, terughoudend gebruik dient te worden gemaakt (HR 4 juni 1993, NJ 1993, 659). Naar het oordeel van de voorzieningenrechter kan, ook indien partijen verdeeld zijn over bepaalde aspecten van de toedracht van het incident, in het onderhavige geval de vraag worden beantwoord welke aspecten voldoende aannemelijk zijn geworden en in welke mate die (aannemelijk geachte) aspecten voorlopige voorzieningen rechtvaardigen.

Ten tweede heeft [gedaagde sub 1] c.s. zich op het standpunt gesteld dat het echtpaar [eisers sub 2 en sub 3] geen spoedeisend belang bij de vorderingen heeft aangezien [gedaagde sub 1] c.s. niet meer met haar honden het terrein van dit echtpaar betreedt. Namens het echtpaar [eisers sub 2 en sub 3] is gemotiveerd betoogd dat (ook) jegens hen een concrete dreiging van onrechtmatig handelen bestaat. Daarmee is reeds de spoedeisendheid van de gevraagde voorzieningen gegeven.

1.2. Kern van het geschil is de vraag of voldoende aannemelijk is dat de honden van [gedaagde sub 1] c.s. zich jegens [eiser sub 1] c.s. zodanig zullen gedragen dat toewijzing van (een deel van) de vorderingen, als ordemaatregel, gerechtvaardigd moet worden geacht. Uitgangspunt daarbij is dat in beginsel dient te worden geoordeeld dat indien [gedaagde sub 1] c.s. haar honden niet onder controle heeft en dat tot gevolg heeft dat [eiser sub 1] c.s. wordt gebeten of dreigt te worden gebeten, [gedaagde sub 1] c.s. jegens [eiser sub 1] c.s. maatschappelijk onzorgvuldig en mitsdien onrechtmatig handelt. Een dreiging van een dergelijk onrechtmatig handelen rechtvaardigt het treffen van (voorlopige) voorzieningen, waarbij die voorzieningen de voorkeur verdienen die voor [gedaagde sub 1] c.s. het minst ingrijpend zijn.

1.3. Ten aanzien van het onder 1.1 genoemde incident is niet in geschil dat [eiser sub 1] is gebeten door één van de aldaar aanwezige honden, terwijl hij zich op de openbare weg bevond. De exacte toedracht van het voorval is niet duidelijk geworden. Partijen strijden over de vraag of een hond van [gedaagde sub 1] c.s. dan wel mogelijk een hond van [eiser sub 1] zelf [eiser sub 1] heeft gebeten.

1.4. Vooralsnog acht de voorzieningenrechter het voldoende aannemelijk dat een Newfoundlander van [gedaagde sub 1] c.s. [eiser sub 1] heeft gebeten. Daarbij acht de voorzieningenrechter van belang dat [eiser sub 1] ten aanzien van dit voorval op dit punt consistent is in zijn verklaringen. Bij de aangifte van het voorval bij de politie, in de dagvaarding en ter zitting heeft hij verklaard dat hij onverwacht van achteren werd gebeten door een grote bruine Newfoundlander. Aan de stelling van [gedaagde sub 1] c.s. dat [eiser sub 1] mogelijk door één van zijn eigen honden is gebeten, kan geen doorslaggevende betekenis worden gehecht. [gedaagde sub 1] c.s. heeft immers zelf bij brief van 14 augustus 2006, derhalve kort na het incident, doen berichten dat het één van haar eigen honden was die [eiser sub 1] heeft gebeten.

Dat de hondenbeet zou zijn uitgelokt door [eiser sub 1], is niet aannemelijk geworden. Daarbij acht de voorzieningenrechter van belang dat [gedaagde sub 1] c.s., zoals hiervoor is overwogen, niet consistent is in haar verklaringen, en [eiser sub 1] c.s. met klem heeft gesteld dat van uitlokking geen sprake is geweest.

1.5. Voorts acht de voorzieningenrechter voldoende aannemelijk geworden dat honden van [gedaagde sub 1] c.s. eerder bij bijtincidenten betrokken zijn geweest. Door [gedaagde sub 1] c.s. is met zoveel woorden toegegeven dat een van haar honden in maart 2002 de toen 14-jarige [A], een buurmeisje van [gedaagde sub 1] c.s., heeft gebeten, hetgeen een ontsierend litteken aan haar arm tot gevolg heeft. Voorts kan in dit geding, als enerzijds gesteld en anderzijds onvoldoende gemotiveerd weersproken, ervan worden uitgegaan dat in juli 2005 mevrouw [B] door één van de honden van [gedaagde sub 1] c.s. is gebeten.

1.6. Dat, zoals door [gedaagde sub 1] c.s. is betoogd, Newfoundlanders in het algemeen, "goedgehumeurd, sociaal, zachtmoedig, ongecompliceerd, aanhankelijk en volgzaam zijn" (productie 3 van [gedaagde sub 1] c.s.), doet aan het voorgaande niet af, nu deze stelling niet uitsluit dat een of meer Newfoundlanders van [gedaagde sub 1] c.s. zich anders (hebben) gedragen dan op grond van deze karaktereigenschapen mag worden voorondersteld.

Evenmin kunnen de door [gedaagde sub 1] c.s. in het geding gebrachte verklaringen - ertoe strekkende dat haar honden bij verschillende buren en relaties geen problemen veroorzaken of hebben veroorzaakt - aan het voorgaande afdoen. Ook hier geldt dat deze verklaringen immers niet uitsluiten dat de honden andere personen wel agressief hebben benaderd.

1.7. Gelet op het voorgaande acht de voorzieningenrechter het treffen van een aantal ordemaatregelen ter voorkoming van bijtincidenten, aangewezen.

Anders dan [gedaagde sub 1] c.s. is de voorzieningenrechter van oordeel dat ook het echtpaar [eisers sub 2 en sub 3] een gerechtvaardigd belang heeft bij de toe te wijzen voorzieningen. Het echtpaar woont immers in de onmiddelijke nabijheid van [gedaagde sub 1] c.s. en stellen zich - gelet op het vorenstaande niet ten onrechte - door de honden bedreigd te voelen. Daar komt ten aanzien van de vordering onder 2. bij dat deze is gebaseerd op het eigendomsrecht van het echtpaar [eisers sub 2 en sub 3] en zij reeds om die reden voldoende belang bij de gevraagde voorziening hebben.

Evenmin ligt afwijzing van de vorderingen op grond van de stelling van [gedaagde sub 1] c.s. dat de honden haar omheinde terrein niet meer verlaten, in de rede. Indien zulks zo is, dan behoeft [gedaagde sub 1] c.s. immers evenmin te vrezen dat zij dwangsommen verbeurt.

De verschillende vorderingen

1.8. De vordering onder 1. zal worden toegewezen, met dien verstande dat de honden niet behoeven te worden gemuilkorfd, aangezien ervan moet worden uitgegaan dat indien de honden adequaat zijn aangelijnd en per begeleider maximaal twee honden worden uitgelaten, voldoende verzekerd is dat bijtincidenten worden voorkomen.

1.9. De vordering onder 2. zal worden toegewezen. In de hoedanigheid van eigenaar van de desbetreffende percelen mag [eiser sub 1] c.s. verlangen dat derden, waaronder [gedaagde sub 1] c.s. en haar honden, deze percelen niet (op de in de vordering beschreven wijze) betreden. Aan dit vonnis zal een kaart worden gehecht waarin het gebied waarop de beslissing betrekking heeft zal zijn gearceerd.

1.10. De vorderingen onder 3, heeft betrekking op één van de honden van [gedaagde sub 1] c.s. die [eiser sub 1] heeft gebeten, namelijk " de bruine Newfoundlander". Zowel het primair deel als het subsidiaire deel van de vorderingen zal worden afgewezen. Daarbij is van belang dat, zo al duidelijk is op welke Newfoundlander deze vorderingen betrekking hebben - [gedaagde sub 1] c.s. stelt meerdere bruine Newfoundlanders te bezitten - niet voldoende aanleiding bestaat om voor één van de honden van [gedaagde sub 1] c.s. een uitzonderingssituatie te creëren. Door [eiser sub 1] c.s. is niet gesteld dat de door hem bedoelde hond ook betrokken is geweest bij de eerdere, onder 1.5 genoemde voorvallen, zodat niet zonder meer kan worden aangenomen dat een structurele, trendmatige dreiging van deze hond uitgaat. Het enkele voorval van 3 augustus 2006 acht de voorzieningenrechter niet dermate ernstig dat één van de vorderingen onder 3 dient te worden toegewezen.

Zo het voorgaande al anders zou liggen dan zou de vordering onder 3a - ertoe strekkende dat de desbetreffende hond zal worden gedood - evenmin worden toegewezen omdat ook met minder ingrijpende maatregelen kan worden volstaan.

1.11. De vordering onder 4. zal worden afgewezen, nu door [gedaagde sub 1] c.s. is gesteld dat haar terrein is omheind met een hek van 130 cm hoogte. Deze stelling is door [eiser sub 1] c.s. niet weersproken.

Daarbij komt dat ook overigens de vordering te onbepaald is om te kunnen worden toegewezen.

1.12. De vordering onder 5. zal worden toegewezen, met dien verstande dat de voorzieningenrechter aanleiding ziet de dwangsommen te matigen en te maximeren.

1.13. Nu een deel van de primaire vorderingen wordt toegewezen, bestaat geen aanleiding voor het treffen van nadere voorzieningen, zoals - subsidiair - onder 6. is gevorderd.

Proceskosten

1.14. Aangezien partijen over en weer deels in het (on)gelijk zijn gesteld, zullen de proceskosten worden gecompenseerd.

2. De beslissing

De voorzieningenrechter

2.1. gebiedt [gedaagde sub 1] c.s. om alle honden die [gedaagde sub 1] c.s. bezit met onmiddellijke ingang, uitsluitend nog deugdelijk aangelijnd uit te laten, of te doen uitlaten, steeds ten hoogste twee honden per begeleider, op of langs de openbare wegen in de omgeving van hun woning in een gebied gevormd door een cirkel met een straal van 5 kilometer, met als middelpunt de woning van [gedaagde sub 1] c.s.,

2.2. verbiedt [gedaagde sub 1] c.s. om met de honden die [gedaagde sub 1] c.s. bezit de aan [eiser sub 1] c.s. toebehorende percelen grond, zoals nader aangeduid op de aan dit vonnis gehechte kaart, te betreden, daar te lopen of zich te bevinden of op te houden en verbiedt [gedaagde sub 1] c.s. dat zij andere personen in de gelegenheid stelt op de aan [eiser sub 1] c.s. toebehorende percelen de aan [gedaagde sub 1] c.s. toebehorende honden uit of los te laten,

2.3. bepaalt dat indien [gedaagde sub 1] c.s. de onder 2.1 en 2.2 genoemde ge- en verboden overtreedt zij een dwangsom verbeurt van EUR 500,00 per overtreding, met een maximum van EUR 10.000,00,

2.4. verklaart dit vonnis tot zover uitvoerbaar bij voorraad,

2.5. compenseert de proceskosten in die zin dat iedere partij met haar eigen kosten belast blijft,

2.6. wijst het meer of anders gevorderde af.

Dit vonnis is gewezen door mr. M.H.S. Lebens-de Mug en in het openbaar uitgesproken op 14 september 2006.