Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBZLY:2006:AZ5649

Instantie
Rechtbank Zwolle-Lelystad
Datum uitspraak
19-12-2006
Datum publicatie
05-01-2007
Zaaknummer
AWB 06/1783 AKW
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Socialezekerheidsrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - enkelvoudig
Inhoudsindicatie

Verweerder heeft er in het verweerschrift op gewezen dat de gronden binnen 4 weken dienden te zijn ontvangen.

De rechtbank stelt vast dat er een meningsverschil bestaat omtrent de vraag wanneer de gegeven termijn van 4 weken eindigt.

De gemachtigde van eiseres heeft de gegeven termijn uitgelegd naar analogie van het bepaalde in de artikelen 6:8 en 6:9 van de Awb en de jurisprudentie terzake van die artikelen.

Indien het om toepassing van die artikelen zou zijn gegaan, zouden de bezwaargronden op tijd zijn ingediend, nu de termijn zou zijn gaan lopen op vrijdag 30 juli 2006 en de laatste dag van de gegeven 4 weken donderdag 27 juli 2006 zou zijn.

Verweerder is evenwel kennelijk van oordeel dat met name artikel 6:8 van de Awb door haar niet analoog wordt toegepast.

Verweerder is, gelet op artikel 6:6 de Awb, bevoegd om zelf een termijn te stellen waarbinnen de gronden van bezwaar moeten zijn ingediend.

De rechtbank is evenwel van oordeel dat verweerder, voorzover beoogd wordt om op een andere wijze met termijnen om te gaan dan in de Awb is geregeld, dit dient te worden aangegeven in niet voor enig misverstand vatbare bewoordingen, in casu bij voorbeeld door de laatste dag expliciet te noemen.

Nu dit niet is gebeurd acht de rechtbank de termijnoverschrijding verschoonbaar. Verweerder had eiseres dan ook moeten ontvangen in haar bezwaar.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK ZWOLLE-LELYSTAD

Sector Bestuursrecht

Enkelvoudige Kamer

Reg.nr.: AWB 06/1783 AKW

UITSPRAAK

in het geschil tussen:

[eiseres], wonende te [woonplaats], eiseres,

gemachtigde: mr. H.S.K. Jap A Joe,

en

De Raad van Bestuur van de Sociale Verzekeringsbank, vestiging Deventer, verweerder.

1. Aanduiding bestreden besluit

Besluit van verweerder d.d. 27 juni 2006.

2. Ontstaan en loop van de procedure

Bij besluit van 12 mei 2006 heeft verweerder eiseres medegedeeld dat zij over het tweede kwartaal van 2000 tot en met het vierde kwartaal van 2001 recht heeft op gedeeltelijke betaling van Nederlandse kinderbijslag.

Tegen dit besluit is op 23 juni 2006 een voorlopig bezwaarschrift ingediend.

De gronden van bezwaar zijn per fax verzonden op 27 juli 2006.

Bij het bestreden besluit is dit bezwaarschrift niet-ontvankelijk verklaard.

Op 2 augustus 2006 is tegen het bestreden besluit beroep ingesteld.

Verweerder heeft op 15 augustus 2006 een verweerschrift ingezonden.

Het beroep is op 14 december 2006 ter zitting behandeld.

Eiseres is verschenen bij haar gemachtigde.

Verweerder heeft zich doen vertegenwoordigen door A. v.d. Weerd.

3. Motivering

Partijen zijn verdeeld over de vraag of de gronden van bezwaar tijdig zijn ingediend.

De rechtbank gaat bij de beoordeling uit van de volgende feiten en omstandigheden.

Bij besluit van 12 mei 2006 heeft verweerder bepaald dat eiseres voor twee van haar kinderen over het tweede kwartaal van 2000 tot en met het vierde kwartaal van 2001 recht heeft op gedeeltelijke betaling van Nederlandse kinderbijslag, omdat de andere ouder als zelfstandige werkzaam is in België.

Op 23 juni 2006 is tegen dit besluit van 12 mei 2006 bezwaar gemaakt.

Bij brief van 29 juni 2006 heeft verweerder de ontvangst van dit bezwaarschrift bevestigd en verzocht alsnog de gronden van bezwaar in te dienen, waarbij is meegedeeld: “As wij uw reactie niet binnen vier weken hebben ontvangen, dan nemen wij een beslissing op grond van de gegevens die op dat moment bij ons bekend zijn. Dat kan betekenen dat wij uw bezwaar niet ontvankelijk verklaren. (……) “.

Op 27 juli 2006 heeft de gemachtigde van eiseres de bezwaargronden naar verweerder gefaxt.

Bij het bestreden besluit van 27 juli 2006 is het bezwaar van eiseres tegen de beslissing van 12 mei 2006 niet-ontvankelijk verklaard wegens het nalaten van het indienen van de gronden van bezwaar binnen de daartoe gestelde termijn.

Vervolgens heeft besluitvorming plaatsgevonden zoals genoemd in rubriek 2 van deze uitspraak.

In geschil is de vraag of de gronden van bezwaar tijdig zijn ingediend.

Wettelijk kader

Artikel 6:5 van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) bepaalt dat het bezwaar- of beroepschrift ten minste bevat:

a. (…)

b. (…)

c. (…)

d. de gronden van het bezwaar of beroep.

Artikel 6:6 van de Awb bepaalt, voor zover hier van belang, dat het bezwaar of beroep niet-ontvankelijk verklaard kan worden, indien niet is voldaan aan artikel 6:5 of aan enig ander bij de wet gesteld vereiste voor het in behandeling nemen van het bezwaar of beroep (…), mits de indiener de gelegenheid heeft gehad het verzuim te herstellen binnen een hem daartoe gestelde termijn.

Beoordeling

(De gemachtigde van) eiseres is van oordeel dat de bezwaargronden op tijd zijn ingezonden middels het faxbericht d.d. 27 juli 2006.

Verweerder heeft bij brief d.d. donderdag 29 juni 2006 een termijn van 4 weken gegeven; deze termijn eindigt op donderdag 27 juli 2006 en niet op woensdag 26 juli 2006. Verweerder heeft bevestigd dat de fax op 27 juli 2006 is ontvangen.

Verweerder is van mening dat de termijn eindigt op 26 juli 2006.

Verweerder heeft er in het verweerschrift op gewezen dat de gronden binnen 4 weken dienden te zijn ontvangen.

De rechtbank stelt vast dat er een meningsverschil bestaat omtrent de vraag wanneer de gegeven termijn van 4 weken eindigt.

De gemachtigde van eiseres heeft de gegeven termijn uitgelegd naar analogie van het bepaalde in de artikelen 6:8 en 6:9 van de Awb en de jurisprudentie terzake van die artikelen.

Indien het om toepassing van die artikelen zou zijn gegaan, zouden de bezwaargronden op tijd zijn ingediend, nu de termijn zou zijn gaan lopen op vrijdag 30 juli 2006 en de laatste dag van de gegeven 4 weken donderdag 27 juli 2006 zou zijn.

Verweerder is evenwel kennelijk van oordeel dat met name artikel 6:8 van de Awb door haar niet analoog wordt toegepast.

Verweerder is, gelet op artikel 6:6 de Awb, bevoegd om zelf een termijn te stellen waarbinnen de gronden van bezwaar moeten zijn ingediend.

De rechtbank is evenwel van oordeel dat verweerder, voorzover beoogd wordt om op een andere wijze met termijnen om te gaan dan in de Awb is geregeld, dit dient te worden aangegeven in niet voor enig misverstand vatbare bewoordingen, in casu bij voorbeeld door de laatste dag expliciet te noemen.

Nu dit niet is gebeurd acht de rechtbank de termijnoverschrijding verschoonbaar. Verweerder had eiseres dan ook moeten ontvangen in haar bezwaar.

Het voorgaande leidt tot de conclusie dat het beroep gegrond moet worden verklaard.

Verweerder dient alsnog inhoudelijk op het bezwaar te beslissen.

De rechtbank ziet voorts aanleiding verweerder te veroordelen in de kosten die eiseres in verband met de behandeling van het beroep heeft moeten maken, tot op heden begroot op € 322,-- (0,5 punt voor het beroepschrift en 0,5 punt voor verschijning ter zitting, zwaarte zaak licht).

4. Beslissing

De rechtbank

- verklaart het beroep gegrond;

- vernietigt het bestreden besluit;

- bepaalt dat verweerder een nieuw besluit neemt met inachtneming van hetgeen bij deze uitspraak is overwogen;

- gelast dat verweerder aan eiseres het door haar betaalde griffierecht ad €38,00 vergoedt;

- veroordeelt verweerder in de kosten die eiseres in verband met de behandeling van het beroep heeft moeten maken, tot op heden begroot op € 322,-- en wijst het UWV aan als de rechtspersoon die deze kosten vergoedt, te betalen aan de griffier.

Gewezen door mr. M.I. Lammertsma-van der Heij en in het openbaar uitgesproken op in tegenwoordigheid van mr. N.E. Moerman als griffier.

Tegen deze uitspraak staat voor een belanghebbende en het bestuursorgaan hoger beroep open. Dit dient te worden ingesteld binnen zes weken na de datum van verzending van deze uitspraak door een beroepschrift en een kopie van deze uitspraak te zenden aan de Centrale Raad van Beroep, Postbus 16002, 3500 DA Utrecht.

afschrift verzonden op