Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBZLY:2006:AZ5647

Instantie
Rechtbank Zwolle-Lelystad
Datum uitspraak
15-12-2006
Datum publicatie
05-01-2007
Zaaknummer
AWB 06/1686 ZW
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Socialezekerheidsrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - enkelvoudig
Inhoudsindicatie

Het betoog van verweerder dat het Bpb niet voorziet in de mogelijkheid een afzonderlijke vergoeding toe te kennen voor het indienen van een aanvullend bezwaarschrift en dat om die reden voor vergoeding van de gemaakte kosten voor rechtsbijstand geen sprake kan zijn wordt verworpen. Een redelijke uitleg en toepassing van de Bijlage bij het Bpb brengt in een geval als het onderhavige mee dat bij onderdeel A4 onder punt 1 onder ‘bezwaarschrift’ tevens valt te begrijpen het (slechts) indienen van aanvullende gronden van het bezwaar.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK ZWOLLE-LELYSTAD

Sector Bestuursrecht

Enkelvoudige Kamer

Reg.nr.: AWB 06/1686 ZW

UITSPRAAK

in het geschil tussen:

[eiseres], wonende te Lelystad, eiseres,

gemachtigde: mr. A. Koelewijn, werkzaam bij FNV Bondgenoten te Utrecht,

en

de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut Werknemers-verzekeringen (UWV), gevestigd te Amsterdam (kantoor Eindhoven), verweerder.

1. Aanduiding bestreden besluit

Besluit van verweerder d.d. 16 juni 2006.

2. Ontstaan en loop van de procedure

Bij besluit van 30 januari 2006 heeft verweerder aan eiseres medegedeeld dat zij geen recht heeft op een uitkering ingevolge de Ziektewet (ZW).

Tegen dit besluit heeft de werkgever van eiseres op 9 februari 2006 een gemotiveerd bezwaarschrift ingediend. Eiseres zelf heeft daartegen op 21 februari 2006 een gemotiveerd bezwaarschrift ingediend.

Op 6 maart 2006 en op 8 juni 2006 heeft de gemachtigde van eiseres aanvullende bezwaargronden ingediend. Daarbij is medegedeeld dat eiseres het niet noodzakelijk acht haar bezwaar tijdens een hoorzitting nog toe te lichten. Tevens is namens eiseres verzocht om een vergoeding van de kosten van verleende rechtsbijstand in bezwaar.

Bij besluit van 12 juni 2006 heeft verweerder het bezwaar gegrond verklaard. Daarbij is medegedeeld dat dit besluit in de plaats komt van het besluit van 30 januari 2006 en is besloten dat eiseres met ingang van 29 november 2005 recht heeft op een uitkering ingevolge de ZW. Op het verzoek om een vergoeding van in bezwaar gemaakte proceskosten is abusievelijk niet beslist.

Bij het bestreden besluit heeft verweerder het verzoek om een vergoeding van de kosten van in bezwaar verleende rechtsbijstand afgewezen.

Op 18 juli 2006 is tegen dit besluit beroep ingesteld.

Verweerder heeft op 17 augustus 2006 een verweerschrift ingezonden.

Het beroep is op 28 november 2006 ter zitting behandeld. Partijen zijn, met voorafgaande schriftelijke kennisgeving, niet verschenen.

3. Motivering

Partijen zijn verdeeld over de vraag of de door eiseres in bezwaar gemaakte kosten van rechtsbijstand voor vergoeding in aanmerking komen.

Ingevolge artikel 7:15, tweede lid, eerste volzin, van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) worden de kosten, die de belanghebbende in verband met de behandeling van het bezwaar redelijkerwijs heeft moeten maken, door het bestuursorgaan uitsluitend vergoed op verzoek van de belanghebbende voorzover het bestreden besluit wordt herroepen wegens aan het bestuursorgaan te wijten onrechtmatigheid. Ingevolge artikel 7:15, derde lid, van de Awb wordt het verzoek gedaan voordat het bestuursorgaan op het bezwaar heeft beslist; het bestuursorgaan beslist op het verzoek bij de beslissing op het bezwaar. Ingevolge artikel 7:15, vierde lid, van de Awb worden bij algemene maatregel van bestuur nadere regels gesteld over de kosten waarop de vergoeding uitsluitend betrekking kan hebben en over de wijze waarop het bedrag van de kosten wordt vastgesteld. Deze algemene maatregel van bestuur is het Besluit proceskosten bestuursrecht (Bpb).

Ingevolge artikel 8:75, eerste lid, van de Awb, voorzover hier van belang, is de rechtbank bij uitsluiting bevoegd een partij te veroordelen in de kosten die een andere partij in verband met de behandeling van het beroep bij de rechtbank en van het bezwaar redelijkerwijs heeft moeten maken. Artikel 7:15, tweede tot en met vierde lid, van de Awb is hierbij van toepassing. Bij het Bpb zijn nadere regels gesteld over de kosten waarop een veroordeling als bedoeld in de eerste volzin van artikel 8:75, eerste lid, van de Awb uitsluitend betrekking kan hebben en over de wijze waarop bij de uitspraak het bedrag van de kosten wordt vastgesteld.

Verweerder heeft het verzoek van eiseres om vergoeding van de kosten van bezwaar afgewezen. Daartoe is overwogen dat op grond van het Bpb vergoeding van kosten uitsluitend betrekking kan hebben op kosten van door een derde beroepsmatig verleende rechtsbijstand. Nu eiseres in eerste instantie zelf een naar de wettelijke eisen voldoende gemotiveerd bezwaarschrift heeft ingediend is vergoeding van de kosten niet mogelijk. Weliswaar heeft eiseres zich nadien voorzien van professionele rechtsbijstand voor het indienen van aanvullende gronden, maar dit laatste is geen proceshandeling waaruit op de voet van het Bpb te vergoeden kosten voortvloeien, aldus verweerder.

De rechtbank stelt vast dat in de aanvullende gronden van het bezwaar van 6 maart 2006 en van 8 juni 2006 namens eiseres is verzocht om vergoeding van de in bezwaar gemaakte kosten van rechtsbijstand. Voorts stelt de rechtbank vast dat het bezwaar van eiseres tegen het besluit van 30 januari 2006 gegrond is verklaard en dat dit besluit door verweerder is herroepen. Niet in geschil is dat hierbij sprake is van een aan verweerder te wijten onrechtmatigheid. Daarmee is voldaan aan de voorwaarden van artikel 7:15, tweede en derde lid, van de Awb.

Door verweerder is niet gesteld noch is gebleken dat, na het indienen door eiseres zelf van een gemotiveerd bezwaarschrift, het inroepen van rechtskundige bijstand nodeloos en derhalve niet redelijk is geweest. In dit verband is van belang dat de gemachtigde van eiseres in de aanvullende gronden van 6 maart 2006 en van 8 juni 2006 een uitgebreide aanvulling heeft gegeven op hetgeen eiseres reeds zelf in haar bezwaarschrift van 21 februari 2006 naar voren had gebracht. Daarbij zijn door de gemachtigde van eiseres tevens nadere stukken overgelegd.

Het betoog van verweerder dat het Bpb niet voorziet in de mogelijkheid een afzonderlijke vergoeding toe te kennen voor het indienen van een aanvullend bezwaarschrift en dat om die reden voor vergoeding van de gemaakte kosten voor rechtsbijstand geen sprake kan zijn wordt verworpen. Een redelijke uitleg en toepassing van de Bijlage bij het Bpb brengt in een geval als het onderhavige mee dat bij onderdeel A4 onder punt 1 onder ‘bezwaarschrift’ tevens valt te begrijpen het (slechts) indienen van aanvullende gronden van het bezwaar.

Het verzoek namens eiseres om vergoeding van de kosten van bezwaar is dan ook ten onrechte door verweerder afgewezen. Het beroep is derhalve gegrond en het bestreden besluit dient wegens strijd met artikel 7:15 van de Awb te worden vernietigd.

Aan eiseres dient een vergoeding voor de in bezwaar gemaakte proceskosten te worden toegekend overeenkomstig het bepaalde in het Bpb. Die vergoeding bedraagt € 322,-- (1 punt voor het indienen van de aanvullende gronden van het bezwaar). Op grond van het bepaalde in artikel 8:75, eerste lid, Awb zal de rechtbank verweerder tot betaling van deze kosten veroordelen.

Nu het beroep gegrond is bestaat op grond van artikel 8:75, eerste lid, Awb tevens aanleiding verweerder te veroordelen in de kosten die eiseres in verband met het onderhavige beroep redelijkerwijs heeft moeten maken. Die kosten bedragen € 322,- (1 punt voor het indienen van een beroepschrift).

4. Beslissing

De rechtbank:

- verklaart het beroep gegrond;

- vernietigt het besluit van 16 juni 2006;

- veroordeelt verweerder in de kosten die eiseres in verband met de behandeling van het bezwaar heeft moeten maken, begroot op € 322,--;

- veroordeelt verweerder in de kosten die eiseres in verband met de behandeling van het beroep heeft moeten maken, begroot op € 322,--;

- wijst het UWV aan als de rechtspersoon die deze kosten aan eiseres vergoedt;

- gelast dat het UWV aan eiseres het door haar gestorte griffierecht ad € 38,-- vergoedt.

Gewezen door mr. G.P. Loman en in het openbaar uitgesproken op

in tegenwoordigheid van Y. van der Zaan-van Arnhem als griffier.

Tegen deze uitspraak staat voor een belanghebbende en het bestuursorgaan hoger beroep open. Dit dient te worden ingesteld binnen zes weken na de datum van verzending van deze uitspraak door een beroepschrift en een kopie van deze uitspraak te zenden aan de Centrale Raad van Beroep, Postbus 16002, 3500 DA Utrecht.

afschrift verzonden op