Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBZLY:2006:AZ5145

Instantie
Rechtbank Zwolle-Lelystad
Datum uitspraak
20-12-2006
Datum publicatie
27-12-2006
Zaaknummer
342295 ER 06-59
Rechtsgebieden
Personen- en familierecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - enkelvoudig
Inhoudsindicatie

Kantonzaak, erfrecht. Verzoek tot ontheffing vereffening door saneringsbewindvoerder afgewezen nu feitelijke vereffening in het stadium van uitkering verkeert.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
RN 2007, 22
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK ZWOLLE – LELYSTAD

sector kanton – locatie Zwolle

zaaknummer. : 342295 ER 06-59

datum : 20 december 2006

Beschikking op een verzoek tot ontheffing van de vereffeningsverplichting

ingediend door:

[verzoeker] in zijn of haar hoedanigheid van schuldsaneringsbewindvoerder,

werkzaam bij Rechtshulp Noord Advocaten, vestiging Assen,

verzoeker,

met betrekking tot de nalatenschap van:

[erflater], geboren te [geboorteplaats] op [datum] en overleden op [datum], laatst gewoond hebbende te [woonplaats].

De procedure

Op 15 december 2006 is ter griffie ingekomen een verzoekschrift, waarin wordt verzocht op de voet van art. 4:202 lid 2 BW ontheffing te verlenen van de vereffeningsplicht aan verzoeker q.q., die namens erflaters meerderjarige zoon, enig kind en erfgenaam van erflater, de nalatenschap beneficiair heeft aanvaard. Bij het verzoek is een overzicht gevoegd van bedragen die na overlijden van erflater zijn ontvangen en van nalatenschapsschulden die zijn voldaan, welk saldo sluit op een positief bedrag van € 5924,07 per 21 september 2006.

De beoordeling

1.

Uit het verzoekschrift blijkt dat de rechtbank Zwolle-Lelystad op 24 mei 2005 de definitieve schuldsaneringsregeling heeft uitgesproken ten aanzien van de hiervoor bedoelde zoon, met benoeming van Rechtshulp Noord Advocaten tot bewindvoerder. Volgens mededeling van verzoeker is de schuldsanering op 24 oktober 2006 beëindigd.

2.

De nalatenschap is beneficiair aanvaard op de voet van art. 41 Fw, welk wetsartikel krachtens art. 313 Fw van overeenkomstige toepassing is bij schuldsanering en de curator of saneringsbewindvoerder de keus laat tussen beneficiaire aanvaarding of, met machtiging van de rechter-commissaris, verwerping van de nalatenschap.

Deze regeling wijkt af van gevallen waarin sprake is van een handelingsonbekwame vertegenwoordigde, zoals een minderjarige of een curandus, in wier belang art. 4:193 lid 2 BW heeft bepaald dat zij geacht worden beneficiair te hebben aanvaard indien hun wettelijk vertegenwoordiger dat niet heeft gedaan binnen de termijn die is genoemd in het eerste lid van dat artikel. Blijkens art. 4:193 lid 3 BW prevaleert art. 41 Fw zelfs bij samenloop boven de leden 1 en 2 van art. 4:193 BW. Met andere woorden: de wetgever verwacht van de faillissementscurator en schuldsaneringsbewindvoerder een actieve opstelling. De ene wettelijk vertegenwoordiger is de andere niet. En dat sluit aan bij de praktijk, waarin bij minderjarigen en curandi over het algemeen familieleden de wettelijk vertegenwoordiger zijn, terwijl in geval van faillissement en schuldsanering een professionele beroepsbeoefenaar benoemd wordt tot faillissementscurator of saneringsbewindvoerder.

3.

De kantonrechter acht het daarmee geenszins vanzelfsprekend dat de saneringsbewindvoerder een wettelijk vertegenwoordiger is die ontheffing van de vereffeningsverplichting kan verzoeken als bedoeld in art. 4:202 lid 2 BW.

Die ontheffingsmogelijkheid is blijkens de wetsgeschiedenis immers bij derde nota van wijziging opgenomen omdat “in de meeste gevallen bij boedels met minderjarigen en curandi de verplichting om te vereffenen volgens de regels die de wet bij de beneficiaire aanvaarding stelt, een te zwaar middel is”, aldus PG Invoeringswet p. 2195.

Niet valt in te zien waarom de, normaal geachte, vereffening volgens de wet (in dit geval zelfs een lichte vereffening, nu niet anders is bepaald) niet van de eerdergenoemde professionele beroepsbeoefenaar verlangd mag worden. Die wijze van vereffening is juist gebaseerd op de gang van zaken bij vereffening van een faillissement.

4.

Anders dan art. 4:211 lid 3 BW voorschrijft, is niet zo spoedig mogelijk een boedelbeschrijving, althans een voorlopige staat, opgemaakt en ter inzage gelegd. Het overzicht dat bij het onderhavige verzoek is gevoegd betreft niet de toestand van de nalatenschapsboedel bij overlijden, maar beschrijft de nadien ontvangen en betaalde bedragen. Gelet hierop, en op de inmiddels sinds het overlijden van erflater verstreken tijd, lijkt er geen enkel redelijk belang meer gemoeid bij het alsnog ter inzage leggen van een boedelbeschrijving, zodat de erfgenaam op de voet van art. 4:211 lid 4 BW zal worden ontheven van deze verplichting.

5.

In het onderhavige geval zijn, blijkens het overzicht van inkomsten en uitgaven na overlijden van erflater, goederen van de erflater reeds te gelde gemaakt en nalatenschapsschulden voldaan. Daarna is het saldo overgeschreven naar de boedelrekening van de saniet en daarvan zijn, met instemming van de rechter-commissaris, nog diverse nalatenschapsschulden voldaan, terwijl op die rekening ook nog gemeentelijke aanslagen t.b.v. de nalatenschap zijn teruggestort en belastingteruggaven zijn ontvangen.

Hiermee lijkt de feitelijke vereffening van de nalatenschap in het stadium van uitkering te zijn gekomen, hoewel niet is gebleken dat bekende schuldeisers per brief zijn opgeroepen (art. 4:214 lid 2 BW). De kantonrechter ziet daarom, nog los van hetgeen hiervoor onder 2 en 3 is overwogen, niet in wat het belang van verzoeker is bij de verzochte ontheffing, anders dan dat dit mogelijke onvolkomenheden in de feitelijk gevolgde vereffeningsprocedure zou kunnen helen.

Dat belang acht de kantonrechter onvoldoende. Het verzoek wordt daarom afgewezen.

De beslissing

De kantonrechter:

- wijst het verzoek tot ontheffing van de vereffeningsplicht af;

- ontheft de erfgenaam van de verplichting om de boedelbeschrijving ter inzage te leggen.

Aldus gegeven door mr. M.E.L. Fikkers, kantonrechter, en uitgesproken in de openbare terechtzitting van 20 december 2006, in tegenwoordigheid van de griffier.

Tegen deze beslissing kan, behoudens berusting, hoger beroep worden ingesteld binnen drie maanden na de dagtekening van deze eindbeschikking door indiening van een beroepschrift (door een advocaat) ter griffie van het gerechtshof Arnhem, nevenzittingsplaats Leeuwarden (civiele griffie: postbus 1704, 8901 CA Leeuwarden).